Het wordt mooi weer vandaag

Stuur om te beginnen een plaatsvervanger naar je werk.
Zet het zwembad  op, het is nu al ruim 20°C.  Eventueel een grote teil, emmer, voetbadje, desnoods giet je je schoenen vol.
Activeer de geluidsschermen mocht je luidruchtige buren hebben met nerveuze honden.

En ga genieten.
Achterover op een zonnebed, voorover als je geen sproetenbuik wilt krijgen. Zolang je maar kunt verdwijnen.
Met een boek, een muziekje is ook goed.
Koffiekan bij de hand.
Visualiseer die zon, voel de warmte, vergeet de rest.
En hou vol.
Ga door.
Blijf liggen.
Tegen de avond  kun je alsnog bekijken of je baas belde met een ontslagaanzegging of een partner die je inruilt voor een ijveriger exemplaar of een gezin dat gaat emigreren zonder jou.
Intussen had jij een mooie dag.

Voorjaarszomerbuien

Morgen tweeëntwintig graden C.

Het is toch wat, zomervakantieweer terwijl je kapstok en kasten nog vol hangen met winterkleren. Nou ja, semiwinterkleren, in ieder geval niet geschikt.
Zelf had ik er gister al moeite mee. In mijn haast naar buiten griste ik het eerste shirtje mee dat vooraan op het zomerschap lag, trok het aan en zonk verzaligd in de zonnestoel.
Badend in het zweet merkte ik dat het een thermo-hemd was, speciaal voor barre winters. Geen idee hoe dat bij de zomerstapel terecht kwam.
Dat krijg je ervan met die maartse zomers. Daar wordt een mens vreemd van.  Stel dat dit zo doorgaat; ik zie het er nog van komen dat we in zwempak naar de paasdiensten gaan, pastoors en dominees in tangashorts, geminirokte nonnen, Praise the Sun zingend.  Voor de kleintjes puffende paashazen met slappe oren en mandjes kokende eieren, jankende kinderen die liever een ijsje hadden.
Gottegot, wat een vooruitzicht.
Nu al een zonnesteek,  moet de zomer nog beginnen.

November-decemberdagen


Nog bijna vijf weken tot de kortste dag, daar leef ik naar toe. Sterker, ik omarm kerstmis alleen al voor het idee: donkerder kan niet.
Daarna leef ik op.
Kalender en klok in de gaten houden (alweer een minuut daglicht gewonnen), naar maan en  lucht kijken, heldere hemel afdwingen, en dan is het eindelijk februari en zit je met daglicht aan de vijf-uur-koffie.  Halleluja.
Sneeuwen en vriezen? Geen probleem, het is licht.
De donkerte van december is een verschrikking, in huis tenminste.  Vanaf pakweg 16 uur ’s middags tot ’s morgens  8 uur zonder daglicht te moeten leven vind ik moeilijk.
Ik droom soms van een grot als van beren, zou dat iets zijn?
Winterslapen. Tot de voorjaarszon me wekt.
Het einde.

Mercurius passeerde de zon

Door alle mediacommotie was hij volkomen de kluts kwijt. En de weg. (zie gestippelde route)   Laten we hopen dat hij goed terecht komt.

Zon himself wist niet goed wat hij er mee aan moest, sterker, hij leek niet eens te begrijpen wat er aan de hand was.
Aardlingen verzinnen van alles, je zàg het hem denken.
Een bewijs dat hij, ondanks zijn centrale positie,  geen moer in de melkweg te brokkelen heeft.
Ik weet genoeg.
Ik zal me nooit meer door hem laten koesteren!

Ergernisjes


Ligstoel neergeklapt, bak met camera/gsm/telefoon/tablet op kruk ernaast, boek, zonneklep.
Ik lag lekker maar het gras wuifde zo hoog. Eerst maar even maaien.
Herinstallatie. Luie positie zoekend viel me het te uitbundige onkruid op. Hm, eerst maar even wieden.
Re-herinstallatie; kreun, hmmmm heerlijk. Maar die ramen van de schuur, met al die webben… eerst maar even ragen.
Her-re-installatieinstallatie.  Vastbesloten. Ogen dicht. O zalige zon zo warm ik geniet en droom eindelijk weg. —– Hond slaat aan, ergens, hysterische keffer antwoordt, ik schrik me lam en zoek het geweer. Eerst maar effe schieten.

Die eerste zon


De afgelopen dagen deden me denken aan een vroegere bruiningssessie. In de  allereerste voorjaarszon.
Na vorst- en sneeuwellende was het een sein om mooi te worden (we waren nog erg jong) en ik zette een stoel in het achtertuintje, gezicht naar het zuiden geheven en handen in de zakken want zo warm was het nu ook weer niet.
Buurvrouw kwam naast me zitten. Zo genoten we samen.
Er passeerde een wolk, een kleintje. Daarna een grotere. We vloekten zachtjes  maar versaagden niet. De warmte erna voelde dubbellekker warm.
Een enorme donkergrijze dreef voorbij , langzaam-langzaam, halt houdend in ons warmteveld maar we hielden stand, vesten dichtgeknoopt tot aan de kin.
Bij de volgende zonsverduistering gaven we het op.
Morgen beter, zeiden we tegen elkaar.

Echtgenoot hoorde me in bed klappertanden en deed het licht aan.
‘Je bent vuurrood, ben je ziek?’
‘Zonnebrandje…’