Griezelplan


Dat plan heb ik al heel lang, een eng verhaal schrijven. Een serieus stuk zonder mijn gebruikelijke flauwe kul.
Maar ik durf niet meer.
Als schijtlijster voelde ik me niet goed bij het bedenken alleen al.
En wanneer ik het schreef bestierf ik het bijna.
Te vaak was ik druk met pen of toetsen, schichtig rondkijkend, de adem over mijn rug voelend van de grote griezel die met kille vingers naar mijn hals greep en zijn hatelijk gegorgel in mijn oor fluisterde of sissend gore taal uitbraakte en dan, o god, dit moet niet…
…dan maakte ik er liever een zootje onzin van. Iets minder engs. Sissen werd slissen, hatelijk werd stompzinnig, griezel werd halve gare. De angst verging maar het verhaal ook.

De nieuwste technologie is eveneens een goed griezelonderwerp.
Denk aan een huishoudrobot die de geest krijgt door een verkeerd geïmplanteerd brein. Alles afsluit en naar je gaat staren. De hele dag met flikkerende ogen naar je kijkt, uur na uur, weigerend de deuren te openen, je achterna loopt op trappen en in de badkamer, bij het koken, almaar kijkend, je blik probeert te vangen, gadverdamme….
…en weer maakte ik een lolletje van.

Ik houd het netjes, akeliger voorbeelden geef ik niet. Over het kruip- en sluipgedierte zal ik het maar niet hebben.
Ze komen allemaal op hetzelfde neer: ik verzin wat en ben te bang om verder te schrijven.
Misschien later, ooit.

Advertenties

Hoe te zeggen…

Er zit me iets dwars.
Ik zit er vol van en kan het haast niet onder woorden brengen maar zal het proberen.
Het staat me tegen, zo ontzettend tegen dat, eh, ja, hoe moet ik dat nu uitleggen, het onbeheerste gedrag dat  tot narigheid leidt.
Maak je niet dik, zegt men, maar dat is te gemakkelijk en stemt me treurig.
Misschien kan ik het beter recht voor zijn raap zeggen, ik ben er ziek van en móét het kwijt.
Die veel te grote portie patat van vanavond. Met dubbel mayonnaise.

Huisvrouw jaren ’70

– Bij het allereerste voorjaarszonnetje nam ik het ervan.
‘Van het mooie weer moet je profiteren,’ zette een relaxstoel in de zon en profiteerde.
– In de eerste zomerdagen nam ik het er ook van.
‘Nù bijkleuren, de was kan morgen nog.’  Wederom zat ik in de relaxstoel en bruinde.
– Met zachte herfstdagen nam ik het er opnieuw van.
‘Zalig herfstweer, we gaan genieten. Morgen is het misschien afgelopen.’ De relaxstoel wachtte geduldig.
Trof je iemand dan was het meestal: ‘laten we buiten zitten, nu is het mooi weer.’
Soms duurde een zomerse zonperiode langer, dat voelde als een extra vakantie en leefde ik buiten.
Zoals de meeste vrouwen die ik kende. Baantjes in deeltijd waren er nog niet en creches ook niet veel.
Genieten dan maar.

Als we met het huidige klimaat in die positie zaten zouden we waarschijnlijk buiten slapen, afwassen, douchen en zelfs onze babies baren in de relaxstoel.
==

Bestaan engelen nu wel of niet

Zelf geloof ik niet in ze maar heb een paar jaar geleden geboeid zitten luisteren naar een vrouw die stellig was in haar mening. ‘Ze bestaan, er zijn plaatjes van.’
Deze vrouw was zeer vroom katholiek, zeg maar vrooms.
Ze bestreed ook het gezegde: ‘als je het over de duvel hebt, trap je op zijn staart.’
Vermanend verbeterde ze het.
‘Dat mag je niet zeggen, het is  Als je het over een engel hebt ruischen zijn vleugelen.’
Haar gezicht verheven, je hóórde de sch.
We deden moeite om in de plooi te blijven.
En geloven nog steeds niet in engelen, zéker niet in die met ruischende vleugelen.
Hoewel…

Schatgraven in eigen woning

Ontspullen.
Het is in de mode sinds een jaar of tien. Ik deed het altijd al en vond in de loop der jaren minstens een huis vol overbodigheden. Wat kun je daar mee doen behalve opruimen?
Nog steeds kom ik nieuwe oude dingen tegen, dat is spannend hoor, je weet nooit wat je nu weer vindt.
Dacht ik de vliering leeg te hebben, kwamen er bejaarde kerstspullen voor de dag. Zo ontzettend lelijk, ik kan niet geloven ze ooit te hebben gekocht.
Achterin de kelder, in de allerverste hoek, stond een vergeten tas waar ik een soepterrientje uit opdiepte. Of een groenteschaal, weet ik veel. Je kunt nu eenmaal niet alles onthouden.
Gezien de overige troep in de tas heeft het gediend als verzamelbak voor dat-komt-nog-wel-van-pas-rommel:
Een kaart elastiek. Enkele verfomfaaide speelkaarten. Tube velpon, voor de helft leeggeknepen met een knoedel stiekjes, schroeven, leeggelopen sigaret, dobbelsteen, pionnetjes, paperclips, lucifers, alles trouw aaneengeklonken. Een soort partnership van spullen.
De hele bende verzonken in een mengsel van stof, gruis, zand, tabaksdraadjes, nog meer stof en het lijk van een zilvervisje dat waarschijnlijk verdwaald was en verhongerde. Arm diertje, ik heb een weesgegroetje voor hem gedaan.

Het was een enerverende middag. Een dood beest gaat je niet in de koude kleren zitten.
Enfin, de tas met inhoud ligt in de vuilnisbak.
Het terrientje heb ik gered.
Dat kwam toch nog van pas in al zijn overbodigheid.

Man leeft op

Doelloos dwaalt hij door zijn huis. Als in een halfslaap.
Zijn huis?
Hij weet het niet zeker, nog is de dwingelandij voelbaar. Hij kijkt naar zijn ongeveegde voeten en huivert. Die stilte, de vertrekken lijken hun adem in te houden bij elke deur die hij opent. Verwachten ze een standje?
De kat zit op de salontafel en komt naar hem toe. Ze streelt langs zijn been. Vreemd. Voelt ze de sfeer? Misschien, waarschijnlijk heeft ze honger,
Afwezig aait hij het dier dat hem volgt bij iedere stap, hem bijna laat struikelen.
‘Eten poes? Kom maar.’
Bij het verlaten van de kamer meent hij een zucht van opluchting te horen en draait zich om. Het karpet? Zijn schoenen, ach ja, die had hij uit moeten trekken. ‘Sorry, vergeten.’
In de keuken zoekt hij poes’ etensbak en voer. Hij vindt niets, opent de koelkast, poes duikt erin en snaait een restje ham.
Geschrokken ziet hij het aan,  hij zal haar eten moeten zoeken. Waar zijn die spullen toch.
Natuurlijk, in de bijkeuken, zijn vrouw wilde haar niet binnen hebben.  Kattenharen, bah.
Het maakt hem wakker.
Daar hoeft hij geen rekening meer mee te houden.
Resoluut brengt hij etensbak en kattevoer naar de keuken.
‘Alsjeblieft, voortaan leef je binnen.’ Mandje en dekentje volgen. Poes slikt de laatste ham door en ziet het aan.
Hij kijkt rond, zijn oog valt op de deurmat, zijn pantoffels staan ernaast. Hij opent de buitendeur en gooit ze met kracht de tuin in, de buitenmat erachteraan.
Die zit. Dat gezeur altijd met dubbel voeten vegen en schoenen uit.
Opnieuw loopt hij de kamers in, trekt hier en daar een kussen scheef, schuift de gordijnen ongelijk en stampt extra hard de vloerkleden plat. Op het dressoir staat hun trouwfoto. Hij aarzelt, verscheuren? Later misschien, en legt het in een la.
Jammer dat er geen sigaren zijn.
Straks.
Gaandeweg verliest hij zijn onderdanigheid, uitgelaten dendert hij de trap op, zet een nachtkastje schuin en laat kastdeuren half open staan.
Hij kijkt rond en geeft een ruk aan het sprei. In de badkamer spuit hij een kloddertje tandpasta in de wasbak, veegt het half schoon met de handdoek. Hup in de wasmand, flodderig over de rand gedrapeerd.
Voldaan loopt hij de trap af. Een kop koffie heeft hij wel verdiend.
Bons!
Geschrokken, toch weer bang, tuurt hij door een kiertje de kamer in.
Waar de kat languit op de vensterbank ligt, onverschillig voor de sansevieria die op de grond ligt.
Hij bekijkt de troep.
‘Nou poes, je kunt ook overdrijven.’

Oude mop

Een hoogbejaarde, uit een vergrijsd boek maar ik kon er om lachen.
Dat ik het drie keer moest lezen voor ik hem begreep is op zich een mop, een slechte.
Het drong gewoon niet tot me door.
Mijn moeder zei altijd al dat ik een gedachteloze doos zonder deksel was. Dat is een goede smoes.


Pubers? Pubers!

Vanmiddag las ik het weer, in het zoveelste boek, de zoveelst column, stuk voor stuk herhalingen, over het hopeloze stuk vreten dat als een vod op de bank hangt en moeder als voetveeg gebruikt maar superalert wordt bij games of make up, soms de wereld verbeterend op kosten van ouders, dan wel een paard eisend, eveneens op ouders kosten.

Toegegeven, er schuilt soms waars in over hun onverschilligheid jegens het gezin. En in alles wat daaruit voortvloeit, de lompheid, luiheid, tegenzin, enzovoorts.
Toch zagen we een andere kant, waar ze eerder onzeker dan onverschillig bleken. Waarin duidelijk werd dat ouders niet alleen als geldschieters fungeerden maar ook degenen bij wie ze om raad kwamen.  Gevoelig waren voor sfeer, blijk gaven van menselijkheid.
Zelfs zijn er pubers die ‘normaal’ blijven, met doodgewone deugden en ondeugden. Ze bestaan!  Ondanks opspelende hormonen.
Die misschien een jaartje slabakken maar verder hun school afmaken, hun weerzin niet op hun omgeving afwentelen, gesprekken kunnen voeren, geïnteresseerd zijn. Met vallen en opstaan.
Gezien het slechte imago van pubers zou je ze bijna als extremen beschouwen maar zo buitengewoon zijn ze niet.
Tja, popi-geklaag  doet het natuurlijk veel beter.
In mijn ogen is het pas echt erg wanneer er problemen komen als drugsgebruik, alcoholverslaving, criminaliteit, er ziektes en stoornissen  voor de dag komen.
We kennen ouders die hiermee worstelen
Die klagen met recht!

Wat had je eigenlijk willen worden?


Goeie vraag maar een antwoord?
De ideeën waren, zoals van veel jonge mensen, niet altijd duidelijk. Hoogstens hadden we vage plannen, een vastomlijnd doel is maar enkelen gegeven.
Daar doorleren na de MULO geen optie was, wachtte ik af tot na het eindexamen, dan zag ik wel verder.
Wie weet kwam er een mooie baan voorbij.
Of een interessante advertentie voor het een of ander, geen idee voor wat.
Een prins.
Iets in de zorg leek me wel wat, met een gerichte vervolgstudie.
Actrice was een eerdere keuze, helaas speelde verlegenheid me parten.
Intussen schreef ik, verhaaltjes, versjes, zwijmelgedichten over Elvis, verscheurde ze en stopte daarmee. Beeldene ‘kunstwerken’ gingen de kachel in.
Zo ging dat.

Wat ik werkelijk wilde worden wist ik pas na het grootbrengen van ons gezin.
Beetje laat en wat ik voor ogen had? Dat houd ik voor mezelf.