Vragenlijsten

Ongeveer tien dagen geleden kwam er een verzoek binnenrollen van de gasleverancier. Het was een herinnering.

Onlangs hebben we u gevraagd een vragenlijst in te vullen. We werken continu aan het verbeteren van onze dienstverlening, producten en diensten. Uw mening is daarbij onmisbaar. Neemt u deel, dan maakt u kans op een van de 20 cadeaukaarten van Gamma t.w.v. €70,-*.
Het beantwoorden van een aantal vragen over onze dienstverlening en uw interesse in producten en diensten duurt slechts 5 minuten.

Een paar dagen geleden kwam dezelfde mail met dezelfde tekst. Ook deze gooide ik weg, uit ervaring weet ik dat de winkans ontzettend klein is, bovendien heb ik geen in in deze troep. Heb ik adblock tegen reclame, krijg ik dit soort gezeur.
Het invullen is een kleine moeite, het gaat me om de dwingelandij waar ik niet tegen kan. Het is toch geen wettelijke plicht deze vragen te beantwoorden?
Ook webwinkels leuren met vragenlijsten.
Ik neem aan dat er goede sier (reclame?) wordt gemaakt met lovende antwoorden. Dan mogen ze de mensen er ook wel voor betalen in plaats van ze met een lullig waardebonnetje te lokken.

Man en regen

Hier zit ik,  zonder echtgenote die weggelopen is met de hond, me suf te vervelen op die doorgezakte bank aan een kop slappe thee. Het laatste zakje. Wezenloos staar ik naar ramen als regenrivieren. Chagrijnig tot op het bot zoek ik kouwelijk de enige deken die ik kan vinden, een kriebelig jeukding maar so what, ’n paar niesbuien geven misschien afleiding.
Gebeurde er maar wat.
Half hopend kijk ik uit naar iemand, kan niet schelen wie. Hij zal druipnat zijn hetgeen precies bij mijn stemming past. Niet dat ik op hem reken, ik denk dat ik ijl door kou en gekriebel.
En dan, als ik van vervelendigheid bijna in coma raak, gaat de bel.
Halleluja, de druppelende man. Ik sleep me naar de deur en zie een beauty van een vrouw,  knetterend van droogte onder een privézon, in een krans van azuur  terwijl de regen om haar heen stoomt. Ze  lacht en zegt: ‘Dag, ik ben verkoper.’  Perplex staar ik haar aan. ‘Dit klopt niet,’ begin ik, ‘U moet een man zijn, kleddernat en wat verkoopt U eigenlijk?’
‘Wat denkt U meneer? Zon natuurlijk. Bij afname van driehonderdduizend kwh krijgt U drie uur per dag extra voor de helft van de prijs. Dooft meteen alle regenbuien.’
Dat klopt, de druppels verdampen zodra ze haar raken.
Ik aarzel. ‘En waarom bent U geen man? Zo heb ik het toch bedacht?’
‘Ah, een delicate kwestie maar ik zal eerlijk zijn. Teveel zon is schadelijk,’ ik knik, ‘er kan een kleine mutatie optreden. Maakt U zich geen zorgen, een hangertje meer of minder deert de mensheid niet. Voor U het weet zit U aan de verkeerde kant en geniet evenveel als vóór die tijd.’
Ongelovig kijk ik haar aan. ‘Meent U dat nou?’
‘Zeker. Wilt U…’
Nee, ik wil niks en gooi de deur dicht. Meteen klettert de regen weer. Weg koortsdromen van kletsnatte verkopers die me gezellige dingen aansmeren en de vervelende middag doorbreken.
Narrig kruip ik weer onder de jeukdeken en drink de laatste thee op.
Ik denk aan het zonne-aanbod en aan mijn weggelopen vrouw.
Stel dat ze terugkomt, gelokt door mijn extra- zon, wat zou ik moeten zeggen?
Een overdosis aanbieden?

Dromen in eigen beheer

De nacht nadert. Dromenman loopt rondjes om het bed, hij mompelt.
Wat wil hij eigenlijk? Waarom doet hij zijn werk niet?
Zenuwachtig van zijn gedribbel roepen we ‘Schiet es op, we willen slapen.’
‘Ogenblik, ik denk na over de vakantie. Doet U maar vast de ogen dicht.’
We wachten.
Na een paar rondjes  vragen we het nogmaals.
‘ Top!’ roept hij . ‘Ik ben er uit.’
‘En? Waar gaat U naar toe?’ vroegen we.
‘Ik fiets naar de Azoren en koop me een patatje.’
‘Echt waar? Met Azoorse  saus? Jammm.’
Jaloers kijken we hem na als hij door het voorraam uitvliegt.
‘Ja’, zegt echtgenoot, ‘dan verzinnen we zelf wel wat.’
Hij visualiseert een grote pan waar op de bodem kleine aardappelen bakken en bovenin rozijnenpannekoeken liggen.
‘Goh schat, wat goed,’ roep ik uit, ‘samen doen?’
Ik bedenk er ijsjes bij en voor ieder een ontpitte mango.
Plots komt de koelkast er bij staan; hij wijst naar zijn onderste vak.
We kijken. Romige mokkataartjes knipogen naar ons, hand in hand met Vin de Rêverie en Mijmerpils,
Langzaam genietend, vervagend in de slaap, doen we ons te goed aan de overdaad.
We zijn heel goed in staat onze dromen zelf te beheren.

‘Goedemorgen,’ gapend komt man de keuken in, ‘ik weet niet hoe het komt maar ik werd  wakker met een opgeblazen maag. Raar hè?’
‘Ja, en met een katterig gevoel. Gek is dat.’

Serie. Een nieuwsgierige man.

Er was eens een man, zo vreselijk nieuwsgierig dat hij  met open ogen sliep om maar niets van de nacht te hoeven missen.
Vaak maalden zijn gedachten: heb ik echt alles aan iedereen  gevraagd, kreeg ik alle antwoorden, waarom weet ik dat niet meer. Ten lange leste sliep hij ongeweten vreemde chaotische dromen in en uit.
Meteen na het opstaan kocht hij alle kranten, las ze tot de laatste letter en schreef brieven naar vragenrubrieken. Daarna trok hij  eropuit. Voorheen met de bus maar sinds hij de chauffeur te lang ondervraagd had over motorvermogen, stuurinrichting,  afstand tussen twee haltes, voornaam van diens vrouw, kleur van zijn hemd en nog veel meer, mocht hij niet meer mee.
Overigens waren de straten uitgestorven daar iedereen wist dat hij er aankwam, hooguit ontmoette hij een onnozele zwerver en die wist in de regel niet veel.
Aan de huisarts vroeg hij hoe de assistente heette en met welk mes wratten werden weggesneden en hoe hij het scherp hield. Tot de dokter hem buiten zette.
Bij de burgemeester wilde hij weten waarmee het ambtsketen werd gepoetst en hoe vaak, of het niet te zwaar was om mans nek tot hij ook daar werd weggejaagd. Hij deed zijn beklag op het politiebureau, vroeg naar een wet die burgemeester en huisarts zou verplichten transparante antwoorden te geven en vond de wachtmeester ook niet dat de koning moest worden ingelicht?
Toen hij tenslotte drie dorpen verderop gedumpt werd  waar de inwoners hem met dezelfde vaart terug brachten wist hij nog steeds niet genoeg en vroeg aan iedereen waar hij de onvriendelijkheid aan verdiend had.
Zo zeurde hij zijn leven door.

Mist 20

‘P, snap je dan niet dat het op mij levensecht overkwam? Ik beschouw jou als een kenner van bosbewoners, dus nam ik dit letterlijk.’
Berouwvol nam hij me in zijn armen. ‘Arme meid. De kwestie is dat aanvallers angstaanjagende beelden bedenken waarvoor we vluchten of ons overgeven. Ze zijn realistisch en vaak luguber, tegen beter weten in maken ze ons bang.’
Ik huiverde.  Hij verontschuldigde zich nogmaals en dacht na. ‘Toch verbaasde die  weerwolf me, ik had niet gedacht dat er nog zoveel energie aanwezig zou zijn. Maar,’ klaarde hij op, ‘het feit dat ik de beelden al sneller weet te verjagen is een goed teken. En ook dat ze ons minder lijken te achtervolgen.’
Al met al klonken zijn verklaringen niet slecht.
Fantastisch, dat wel, als een magisch sprookje, gesitueerd in de eenentwingste eeuw. Interessant maar toch: een sprookje.  Met vreemde verschijnselen.
Was ik zo verliefd dat ik alles geloofde?
Slachtoffer van een verborgen camera in een film met morbide trucages? P was knap genoeg om voor filmster door te gaan.
Dit geloofde ik niet, was tante Petri niet zelf komen aanzetten met P of zou zij in het complot zitten?  Een belachelijk idee, ik werd zoetjesaan psychotisch.
P kneep in mijn arm  ‘Hallo, ben je er nog? Denk je na over de eigenschap die jij ook bezit?’
‘Maar,’ vroeg ik me af, ‘waarom merk ik daar zelf niets van?  Is dat niet vreemd?’
‘Lang niet alle paranormalen zijn zich van hun gave bewust. Als ik niet verliefd op jou was had ik het je ook niet verteld.’
Zozo. Kon hij niet van me houden zonder die poespas?
Voordat ik opnieuw zou piekeren wijdde ik me aan het eten.
– Liefde is blind-  luidt het adagium, zeer zeker maakt het ook hongerig.
We aten als wolven, een vergelijk dat me grappig voorkwam. Met een ggggrrrr stortte ik me op een broodje en hapte met ontblote tanden. Hij kon er niet mee lachen.
‘Ik kan je beter de rest vertellen,’ zei hij gauw,  bang dat ik hem niet ernstig meer zou nemen.

Merel vs kat

Er klonk geritsel op het dak. Ik keek op en zag een merel over de koepel hupsen, hij had twijgjes in zijn snavel.

Een kwartier later weer een of dezelfde. En later nog een. Ik ging naar buiten, nieuwsgierig naar waar de vogel het nest bouwde. Bezorgd ook.
Een ander geluid werd hoorbaar, heel zacht. Van een kat die niet kon voorkomen dat het afdak waarop hij in sluipgang bewoog, licht kraakte. Hij zag me en stopte even, liep dan door met zwiepende staart.
Waarschuwingsgeroep van de vogel waarop ik wachtte bleef uit. De kat zette zich in de loerhouding en wachtte ook.
Er kwam niets.
Toen heb ik de kat zelf weggejaagd want hoeveel ik ook van katten houd, een merelwoning in aanbouw, daar moet hij van afblijven.
Ik dacht niet ver genoeg vooruit.  Niet aan de  jonkies die straks uitvliegen onder pootbereik van dezelfde kat. Dat dat erger is dan een vernield huis vóór er eieren in liggen.
Zucht.
Wanneer doen we het goed?

 

Boekhouden

Vanavond kwam de boekhoudster.

Invullen van het belastingformulier is een makkie maar ik laat haar altijd komen. Want het is zo’n enig mens.
We zitten een paar uur, tussendoor gaat ze even aan de laptop waarop ze een teruggaaf weet te bedingen, daarna nog een kop koffie toe.
Kijk, dat is nog eens een aardig kennisje.
Bij de vorige boekhouder hielden we ook altijd mooie bedragen over maar ja, toen hij ging hemelen haalde het niets meer uit.
We vonden een nieuwe. Helaas, die werd ook ziek, met droevig gevolg. Daarna durfde niemand  onze papieren bij te houden, we stonden op de lijst ‘Gevaarlijke cliënten’.
Pas na lang zoeken en de belofte van doktersgarantie vonden we iemand.
Een dappere. Vrouw, uiteraard.
Zij komt elk jaar en is nog steeds gezond.
En gezellig.

Trumps paraaf

Waar ik laatst aan dacht.

Een paar keer zagen we dat Trump een belangrijk document ondertekende.
Pas geleden nog, daarbij ging het verhaal dat hij zo groos ging op de vertoning dat hij bijna vergat te tekenen.

Hoort dit bij een zogenaamd transparant gedrag? Is het gebruikelijk? Ik kan me niet herinneren dit van de vorige Amerikaanse presidenten te hebben gezien.

Of is het me niet opgevallen?

Puberale opmerkingen jaren zestig-zeventig

In een groep – Ik val plat voor iedereen die me aan het lachen maakt.
Met schoolreis- Ik ben overal voor in.
In opstel –In de bospaden zagen we afdrukken van allerlei poten.
Tegen vriendin – Vroeger was ik een enorme doos.
Over boeken – Ja, ik ben behoorlijk ruimdenkend.
Enzovoorts.
Ter verdediging: we waren niet echt van die achterlijke geiten, het taalgebruik was anders, minder confronterend.
Toch lachen we er nu om. Beetje vertederd, alsof we onnozel waren.
En dan denk ik weer: je moest eens weten.

Serie. Een spraakzame vrouw.

Er was eens een vrouw die zo veel praatte dat ze af en toe met oorkleppen liep omdat haar oren tuitten van haar eigen geklep.
De omgeving vond haar een lief mens, als ze maar niet zo eindeloos ratelde.
Ze was niet te stoppen. Hoe men ook vroeg, smeekte, verordonneerde, huilde desnoods, ze kletste door.
‘Wees stil, vrouw,’ kon men regelmatig horen in de stad, meestal gepaard gaande met het beeld van een knielende die gevouwen handen naar haar ophief waarbij tranen van oorpijn over hun wangen liepen.
Het was werkelijk te gek.
Direct na het ontbijt kwam ze bij de buren binnnenlopen, al pratende. ‘Goedemorgen, uitgeslapen? Ik ook. Er is weer een hoop gebeurd. Veertien inbraken en de weerberichten zijn prima. De minister komt op bezoek voor de geluidsmeting, ik zorg dat ik erbij ben. Ergens las ik dat een kat zeven jonkies heeft, tistochwat met die katers en wat vinden jullie van het energieprobleem, idioot toch zolang het water nog stijgt laat ze zich daar eerst maar om bekommeren, ik heb de roeiboot al klaar zorgen jullie daar ook voor? En…’ Hier moest ze ademhalen en kon de buurvrouw haar naar buiten duwen en de deur met een ‘Besjoer’ op slot draaien.
Een passerend fietser had pech, hij werd meteen aangeroepen. ‘U bent al vroeg op pad, zeker het bed uitgerold? Houdt U van fietsen? Mooie bezigheid ja, je komt overal op eigen kracht, geweldig om op deze manier van de natuur te genieten, deed mijn man zaliger ook maar ja, op het kerkhof valt niet veel te genieten en trouwens, hij ziet het toch niet meer, zijn ogen waren al niet zo best en nu….’
Ook de fietser maakt van de adempauze gebruik en spoot weg. Na de zoveelste wegloper zocht ze meestal een praatpaal al had ze er niets aan want ze waren stuk voor stuk ontmanteld vanwege doorlopende storingen aan de elektronica. Ze kletste gewoon door.
Zo praatte zij zich door het leven.