Brabantse nacht is soms lang

Meestal slaap ik prima, ik houd van mijn bed. Het is een goed bed.
Vannacht echter was het laat en toch bleef ik wakker.
Eerst alle spelletjes op het tablet gespeeld. Mail gecheckt en weblog. Nieuwsoverzicht bekeken.
Platliggen en ontspannen, ogen op kiertjes.
Slaap bleef weg.
De tv dan maar? Hm, slecht beeld en geluid.
Ik rommelde in het kastje voor een extra saai boek. Een oude Siebelink, dat moest lukken.
Niet. Na drie hoofdstukken gaapte ik van verveling maar bleef wakker..
Nog eens uitrekken.
Er zat een hinderlijke plooi in het onderlaken. Kussen te slap, een bobbeltje linksonder, opschuiven….
Waar blijft dat zandmannetje nou.

Hoe komt het toch dat je in dat geval alles voelt en hoort, van het meest minieme geluidje tot het kleinste rimpeltje in het dekbed? Ieder vleugje tocht, al of niet bestaand? Dat schaduwen bewegen?
Dat een stenen tussenwoning kraakt als een houten keet en het dek te strak ligt of juist van je afglijdt en nooit blijft liggen?
Volgens mij krijg je van wakker liggen een bijzonder soort bewustzijn, is je lichaam tot het uiterste gespannen.
Een maxisuperhyper-hoog sensitiviteitsgevoel.
Maar hoe komt dat dan? Verwacht je teveel van het bed?

Enfin, ik hoef niet te klagen, het overkomt me zelden.
Ook vannacht kwam het goed, ongemerkt sliep ik in en werd uitgerust wakker.
Redelijk normaal.
==

Advertenties

‘Jammer dan’ Een tranentrekker.

Zwijgend staat ze naast het bed.
Met een klinisch oog kijkt ze naar zijn hoofd dat onrustig heen en weer rolt. Het vertrokken gezicht met fijndruppelig zweet toont angst.
Medelijden voelt ze niet, ze biedt de stervende geen enkele steun ondanks zijn moeizame overgang.
Ze was nooit wraakgierig. Nu heeft ze leedvermaak.
-Het is jouw beurt, denkt ze, nu leer je wat lijden is.
Onaangedaan houdt ze haar ogen gericht op de krampende vingers die houvast zoeken aan het leven.
– Ha, sta jij ook eens met lege handen meneer de directeur, wat een vreemde ervaring moet dat zijn.

Ze denkt aan de jaren waarin ze alleen stond met haar verdriet om Lenny, hun gehandicapte dochtertje.
Zo graag had ze het kind thuis gehouden, zelf verzorgd en groot gebracht.
Hij wilde er niet van weten. Toen het kind zes jaar was had hij het naar een tehuis gestuurd. ‘Het is echt beter voor haar, daar heb je zelf geen tijd voor…
‘Met goede hulp gaat het best, ze kan naar een aangepaste school, Lenny is niet onwijs….’
Ze verloor.  Haar boosheid en dreigement weg te lopen werden weggewuifd -‘hoe onderhoud je dan het kind?’- het gemis vergoed met beloftes van bezoek en vakanties.
Het ergste was de zalvende toon: ‘Zie je niet dat we geen tijd hebben? Recepties, diners, directiebijeenkomsten, personeelsavonden, noem maar op, hoe had je dat willen doen? Ik gun je een beter leven, geloof me.’
Hij was zijn bedrijf, zij, als knappe vrouw, het bewijs van zijn succes.
Geen liefde, geen begrip, geen begeerte anders dan een snelnummertje, zijn idee van een geslaagd huwelijk. Daar paste geen lastig kind in.
De beloftes werden niet ingelost.

Ze staart naar haar stervende echtgenoot.
‘Waarom, vraagt ze, zou ik het niet gered hebben in mijn eentje? Nu is het te laat, jij gaat straks dood en Lina is vergroeid met met het tehuis. Ik ben alleen.’
Hij zoekt haar. ‘Ik…ik wilde je niet kwetsen…’
Ach, alsnog spijt, toch geroerd pakt ze een van zijn handen die nu heel stil liggen. ‘Sst, het is goed.’
Zijn adem vertraagt. ‘..maar een onwijs kind, bij de gasten…’  Hij rilt. .
Ze laat zijn hand vallen, neemt een kussen.  Zijn ogen gaan nog eenmaal wijd open voordat ze hem bedekt.
‘Jammer dan.’

© Bertie

O ja? Wie zegt dat?

Het heeft zo moeten wezen is de gevleugelde uitdrukking van een paar kennissen. Meestal bij nare gebeurtenissen.
Daar heeft god vast een bedoeling mee, de variant van een vrome moeder.
Niks nieuws onder de zon is een luchtiger benadering.
Zoiets kun je niet ontlopen, hoorde je ook wel.
Dat is het (nood-)lot, een pessimistischer visie.
Het is voorbestemd doet weer denken aan religie.
In de science fiction kwam ik dit thema ook tegen, het raakt aan het idee van parallelle werelden of een cirkelbestaan. Over deze onderwerpen zijn boeiende verhalen geschreven – als je van dit genre houdt.

In het dagelijkse leven echter vond ik het -als jonge vrouw- onaangename uitspraken.
De moed opgeven, onderdanig zijn, te gauw aannemen wat de dokter zegt, de pastoor, grootje. Te gemakkelijk. Alsof Nostradamus en profeten je het persoonlijk hadden voorspeld.
Bijgeloof.
Ondanks mijn laksheid zou ik niet zonder meer een tegenslag accepteren, dacht ik, kom op zeg.

Het leven leerde me buigen. Een beetje dan toch.
Het is niet anders,’ zei een oude vrouw steevast. Ik nam het van haar over.

Later als ik groot ben…

…hoef ik nooit meer school, niet naar pa en moe te luisteren, kan ik eten wat ik lekker vind en ga ik werken en rijk worden en neem ik een man en 1 kind en gaan we op vakantie met de auto en alle dagen naar zee en hoef ik nooit meer boodschappen te doen en we kopen een heel groot huis en een horloge en krijg ik krullen en dikke benen en een extra luie stoel…
…waar ik nu in zit met een bord eten wat ik lekker vind.
Met de krullen kwam het ook goed.
==

 

Kat uit, muis in

Kat is nu al anderhalve week weg. Niemand weet waar hij zit.
Misschien op een warme plek bij iemands kachel, daar duimen we voor.
Hij kan ook platgereden zijn en aan de kant gelegd.
Gedood zijn door een vogel- of natuurliefhebber. In het bos in een strik vastzitten, opgehangen en godweetwat, kattenhaters kunnen wreder zijn dan de kat zelf.
We hopen er het beste van.
De eigenaren hebben een reservekat, die houden ze nu binnen. Begrijpelijk maar voor mij begrotelijk. Ik zit met een muis.
Na de begrafenis van de vorige hoor ik opnieuw geritsel, net als een van de buren die eveneens katloos is. Met wat pech wordt het een compleet ritseldorp en wonen we binnenkort in Wijk Muizenberg.
Ik wil ze kwijt.
Eerder had ik bij de Boerenbond naar een diervriendlijke antimuismiddel  gevraagd en men raadde snelwerkend vergif aan.‘Meteen dood mevrouw, ze voelen er niets van.’

Pfff, het lijkje dat in de kamer lag had op diverse plekken gebloed en lag er droevig bij. Ik vond het er weinig vriendelijk uitzien.
Op google raadde men een paar kruidensoorten aan die ze op de vlucht zouden jagen.
Ik had kruidnagels in voorraad, die heb ik langs de plint gestrooid. Tegelijk met een handvol zwarte peperkorrels en hier en daar een doorgesneden knofteen. Dit moet het gespuis op afstand houden.
Bij nader inzien haalde ik de knoflook weer weg, nu ruikt het heerlijk.
Alsof er een stoofpot staat te pruttelen.
Jammie…
Maar wat, zei ik pruttelen? Dat moet weer geritsel zijn. Of verbeeld ik het me?
Verdorie, avond weer verpest.
Ik vloek, denk na.
Zet dan resoluut mijn oren uit.
===

Nostalgie?

Daar heb ik niet vaak last van.
Een enkele keer schrijf ik een stukje over wat me raakte en dan is het weer over.
Over dit geschiedenisboek bijvoorbeeld, van de brugklas, een van de weinige boeken die ik kon redden. Keten der Geslachten.
Tweedehands (we waren niet rijk),  veelvuldig gebruikt (lange hoofdstukken overschrijven als strafwerk), daarna stukgelezen door mijn moeder die het ‘machtig interessant’ vond. Ik ook, veel later pas.
Er werd  geschiedenis in beschreven vanaf de prehistorie tot einde Middeleeuwen.
Wat je niet allemaal moest weten.
De rivieren Euphraat en Tigris waartussen de Hof van Eden zou zijn geweest.
De invloed van Romeinse heersers en grote generaals. Oorlogen. Goden aan wie alle zedeloosheid werd toegeschreven die de mensen zelf niet durfden te begaan. Of wel, soms.
De verfoelijke kruistochten en de barre tijden in Europa.
Achteraf kun je haast niet geloven dat de mensen nog plezier hadden in hun leven.
Aandoenlijk vind ik nog steeds dat elfjarige handschrift bij het rijtje goden,  met de aantekening ‘heel goed leren‘. Ik was het kwijt, maakte een nieuwe foto en bekijk het opnieuw met aandacht..
Dit is nostalgie die ik kan behappen. Ik geniet er van.
Vroeger was af en toe best mooi.
==

De waarheid was dat we het allang wisten…


..dat Sinterklaas niet bestond.
Sterker: ik kan me niet eens herinneren dàt ik ooit in hem geloofde. De keren dat we ’s morgens een mand met cadeautjes vonden lagen achter ons, we dachten er nooit meer aan.
De waarheid kon immers niet verborgen blijven.
Moe die het druk had met boodschappen op de gekste tijden. Haar afwezige blik de laatste dagen. De groten die ook al geheimzinnig deden met hun geknutsel.
De duidelijkste aanwijzing was dat we aldoor de kamer werden uitgestuurd: ‘ga maar buiten spelen.’ Dan begrepen we dat ze met de cadeautjes bezig waren.
Mijn twee jaar oudere broer en ik liepen dagenlang rond met geheimzinnige gezichten; deden alsof we nog geloofden want dat hield de spanning er in. Het werd min of meer van je verwacht omdat er nog een klein broertje rondliep.
We zongen zogenaamd angstig mee terwijl we gisten van wie die zwarte glacé was die door de deuropening met pepernoten gooide.  En genoten van  de grote zussen die flirtend ‘dank je wel Piet, lieverd’ riepen.  (Zij wisten welke buurjongen het was). Een  vertoning die erbij hoorde.
De laatste middag vóór pakjesavond was niet door te komen; dan stond in het portaaltje de grote teil of de wasketel klaar, boordevol met pakjes. Een tafelkleed erover om het geheim in stand te houden..
Moe was op de valreep met een paar laatste surprises bezig, tobbend over een zinnig vers.
We stierven bijna van nieuwsgierige zenuwen.
Wat zou er voor ons bij zijn?
En, niet onbelangrijk, zouden we TWEE chocoladeletters krijgen?

Het was elk jaar een van de mooiste en spannendste periodes.
Nooit heb ik me verdrietig of belazerd gevoeld dat Sinterklaas niet bestond.
Integendeel, ik keek met ongeduld uit naar de tijd dat ik zelf mee mocht doen met surprises, grappen en versjes.
Ik zal toch niet de enige geweest zijn?
==

Aangebrand

Gebakken aardappelen.
Geroosterd brood en tosti’s op de kachelplaat.
Gebakken uien met tomaten.
Vlees, alle soorten.
Stuk voor stuk zo lekker dat we eventuele verbrande korstjes voor lief namen, sterker, we aten ze er met graagte bij.
Over het algemeen kookte mijn moeder heel smakelijk maar in de drukte kon ze het niet altijd voorkomen: te hard gebakken of aangebrand.
Indertijd werd er niets weggegooid, ‘een extra korstje is best lekker’, heette het.
Alleen als het te erg was sneed moeder de zwartigheid er af en zette de rest op tafel.  En dat was pas ècht smerig, veel liever aten we de korsten zelf dan vlees of gekookte aardappelen met dat doordringende rooksmaakje.
Later hoor je dat deze perikelen in veel gezinnen voorkwamen, ook dat kinderen er geen problemen mee hadden en lustig door aten van hun geblakerde hap.

Bij het ouder worden -en moeder het kalmer aan kon doen- verbeterden de kookmanieren, de smaak ging automatisch daarin mee.
Je leerde dat het hoogst ongezond was.
Het is algemeen bekend maar wil iemand het nog eens lezen: zwart-aangebrand-voedsel-is-ongezond

Nu vraag ik me wel eens af of het geen gevolgen heeft, of er ergens in ons lijf niet een giftig stofje zit te wachten om los te gaan. Zich misschien al verdeeld heeft in enkele organen. Bij elk pijntje…. enfin.
Dan houd ik me de leeftijden voor van (groot-)ouders, ooms en tantes  die veelal redelijk oud geworden zijn.
Dat idee smaakt beter.
==

Verscholen bloem

Waarschijnlijk groeien er in elke tuin nog bloemen.
Hier ook, het houdt de boel fleurig.
Maar die ene oost indische kers baart me zorgen.
Hij houdt zich verscholen. Dat is niet goed, niet des bloems.
Ik probeer hem te lokken met mooie praatjes.
Hij weigert.
Net een koppige mens. Of een bange?
Straks gaat hij dood zonder te hebben geleefd.