23 januari ☼

In de zon, nauwelijks wind.
Jas half open, zonnebril bij de hand, koud maar ‘lekker’ koud, vaag vogelgeluid, halfblauwe lucht.
Het lukte een paar dunne bloemetjes te knippen.
Voor minivaasjes, net genoeg om de winter uit te dagen:
en nu jij! Ik ben benieuwd.
Waarschijnlijk luistert hij niet, dat doet hij nooit als ik wat zeg, ik vraag me af of hij oren heeft.
Of met het klimaat samenwerkt. Wie weet is hij het beu dat lastige aardse hoofd koel te houden en aan pensioen toe.
In dat geval wens ik hem voldoende rust en een royale uitkering toe.
Neem ìk genoegen met de zon.
==

Vanmiddag bij de oogarts…

…zijn er zoveel druppels ingegoten dat ik nog steeds slecht zicht heb.
Morgen zal het bloggen  beter gaan. Hoop ik.
Tot dan.
=

Vanmorgen was het mistig

Alweer.
Gisternacht ook al. En vorig jaar en in 2018, 2017, 2016, tot in mijn vroegste jeugd.
Naar men zegt kwam het altijd al voor.
Het moet knap lastig zijn geweest toen er nog geen straten waren en men bij elk stap over een kei of graspol kon struikelen. Reken maar dat er heel wat gebroken benen waren en natuurlijk geen gips voorhanden.
In boeken en films is mist een dankbaar verschijnsel.
Er zijn enge verhalen over gevaarlijke wellustelingen die met zachte zolen jonge vrouwen benaderen. Eerst met onzedelijke wensen en daarna met moordlust als de vrouwen niet meewerken aan de ijselijke genoegens. Buitengewoon spannend, jammer als ze gered worden door een of andere brave Tinus.
Persoonlijk heb ik het niet op mist. Na een paar verdwaalsessies waarvan een in de auto, een op de fiets en de laatste in eigen achtertuin blijf ik al binnen bij het eerste nevelsliertje.
Het zou maar een vergismist zijn zoals die Londen, 1952. Achteraf bleek dat een ongezonde smog te zijn die vijf doden opleverde.
Ik verwacht zoiets niet in ons gebiedje, toch weet je het maar nooit. Met die zwarte gaten en een vreemde planeet die op springen staat. De aanloop naar carnaval. Al het bier dat je blik zo mistig maakt.

Ik zie dat het opklaart.
Kan ik veilig naar de wasmachine. Die staat in de schuur, toch nog gauw een kleine tien meter, voor ik er erg in had zou ik in de vijver zitten, bij de bullebak op schoot.
Vreselijk idee.
==

.

Matigen?

Tja, het klimaat sparen. Eco-doen, co²,  soberder leven. Dat juich ik van harte toe.
Maar ik vind het wel een beetje zielig voor mijn generatie en ouder. Als arbeiderskind van eind ’40 – 50 leden we geen honger, het was niet vreselijk slecht, maar royaal was het leven allerminst.

Volgens mij hebben we voldoende water uitgespaard voor de rest van ons leven.
Er was een douche die stond voor één stortbadje per week, we mopperden dat we beter weer in de teil konden gaan. Radio mocht aan maar overtollige lampen moesten uit.
Een auto was er niet. Kolen werden mondjesmaat besteld want Pa stak zelf turf.
We hadden een geit voor de melk (armeluiskoe noemde men dat) en met de kerst werd een van de eigen konijnen geslacht. Daarnaast een kip voor de soep.
Eigen groente en fruit, dat laatste bevatte zelfs gratis vers vlees, niet altijd maar toch.
Eindeloos was de lijst van soberheid, van kleding tot vervoer, van eten tot lichaamsonderhoud tot goedkope vakanties in Castricum, ik denk dat we in latere jaren niet voor niets zo gretig van het betere leven genoten

We hebben al zo verstandig geleefd, daar begin ik niet meer aan.
Echt niet.
Ik maak alles op.
==

Huisvrouwen

Er kwamen plannen bij me op toen ik de zon zag.
Zal ik gaan huishouden, ramen open gooien, vloeren doen?
Je begrijpt de oude mop: even gaan liggen, dan gaat zoiets snel over.
Toch was ik half en half serieus.
Op mooie dagen denk ik nog steeds aan enkele van de vroegere kennissen. Zij wasten  gordijnen, lapten ramen, zetten de laarzen in het sop, schrobten de schuur, maaiden het gras, poetsten of hun leven er vanaf hing,  want ‘met het zonnetje erbij werkt het beter.’
Ze hadden vast en zeker gelijk.
Ik dacht daar anders over. Liever genoot ik van de fiets in de buitenlucht en poetste als het nodig was, daar had de zon niks mee te maken.

Soms voelde ik me dan schuldig, de blikken van een paar ‘echte’ huisvrouwen  waren dodelijk.
Of jaloers.
Gelukkig  groeide ik daar overheen.
Maar nog steeds komt het bij me op als het mooi weer is: eigenlijk zou ik de ramen moeten doen of zo.
Heel eventjes.
Ik raak het nooit helemaal kwijt.
Rotwijven.
=

Over schrijven

Er was een verhaal waaraan ik bezig was.
Een verzonnen plotje over familieverhoudingen met enkele eigen belevenissen erin verwerkt. Die heb ik geschrapt, ze zijn te herkenbaar en de hiaten opgevuld met andere dingen tot ik een afgerond stuk had.
Maar ook hier zaten weer ongemakkelijke situaties in.
Opnieuw probeerde ik het te herschrijven maar toen had het geen ziel meer.

Beroepsauteurs liggen nogal eens in de clinch met lezers die zich menen te herkennen en processen aanspannen. Daar hoef ik natuurlijk niet bang voor te zijn maar ik kan me de problematiek van schrijvers wel voorstellen. In het klein maakte ik zelf iets dergelijks mee, de reden dat ik zelden over een gezinslid blog behalve in algemeenheden.

Het verhaal is weggegooid.
Een ander probeersel eveneens, te controversieel. Ook daar heb ik onaangename ervaring mee in een vroegere weblog, had ik op een vriendelijker manier moeten schrijven.
Dat is  moeilijk voor me,  misschien zou ik het moeten proberen.
Hier ga ik eens lang over nadenken.
Ik begin meteen.
Tot morgen.
==

De stoel siste

Me lam schrikkend vloog ik op
ging voorzichtig weer zitten, langzaam, langzaam leu… ssssss
niet bewegend, dan zachtjes op één bil en… SSSSSSS, nijdig nu
ik ook, nu er hard tegenan, ik wil zitten!
Plof.
Onmiddellijk een ssssssreactie.

Zo ging dat een paar minuten door.
Dat het lucht was begreep ik maar raar was het wel. De stoel is minstens twintig jaar en ventileerde nooit eerder zijn ergernis.
Ik meende kwaadaardige ogen te zien en zette de stoel op kop. Veel werk met zo’n zwaar ding. Het onderzoek leverde niets op behalve een iets zachter ssss, meer een zzzz. Geen luchtgaten, geen verborgen rep- of ventielen, ook niet tussen en langs de kussens.
Daarna stuurde ik hem in alle houdingen en terug, van voet-  tot hoofdsteun.
Nog eenmaal een wegstervend sszzzz…
… en ik kon rustig zitten,
=

Goede voornemens?


Daar gaan we niet aan meedoen.
We hoeven ons er dus ook niet aan te houden, heel comfortabel.
Als we dat willen steken we  drie sigaretten tegelijk op met een piraatje erachteraan en schenken een dubbele martini in, versieren dit met een XXL berenhap en leggen de voeten op tafel, met laarzen en al.
Great!
Bij de eerste de beste onenigheid trekken we alle driftregisters open en schelden elkaar opluchtend de huid vol, wat heet,  we pakken er desnoods de kettingzagen bij!
Aan opstaan doen we niet, althans niet voor 13 uur. Ja zeg, ’n beetje de gezonde vroege vogel uithangen. Kom op.
Er is alleen één probleem.
Hoe moeten we deze dingen leren?
=
Dit vond ik terug, we bedachten het toen we nog héél erg jong waren.
Helaas, het is er nooit van gekomen. De kettingzagen waren te duur.
=

Weg

Ik moet iets bekennen.
Soms wil ik weg. Zomaar. Gewoon opstaan en de deur uit.
Het waarheen is geen vraag. Het waarom nog minder.
Ik doe het nooit.

Als tiener deed ik het wel eens, meestal na een ruzie die als smoes kon gelden. Witheet trok ik naar boven en propte een tas vol met ondergoed, schriften en restjes zakgeld en vertrok op de fiets. Die zagen me nooit meer terug, gromde ik.
Pa, moe, broer en zus grijnsden me na.
Helaas woonden we in een tieneronvriendelijke omgeving, dooie dorpen met hier en daar een café waar ik niet aanklopte omdat ik te weinig geld had en in de bermen durfde ik niet te slapen. Voor enge beesten was ik altijd al bang.
Uiteraard kwam ik terug, de deur was nooit op slot..

Nu heb ik geen ruzies nodig om weg te willen.
Ook word ik niet witheet genoeg om tassen vol te proppen, als ik weg ging zou ik alleen geld meenemen.
Waarom wil ik dat dan?
Dat weet ik niet, eerlijk niet.
Maar ik wil het.
=