De eindeloosheid van pessimisme


Achter de wolken schijnt de zon. Meestal tachtig km verderop.
Na regen komt zonneschijn. En daarna nog meer regen.
Ieder huisje heeft zijn kruisje. De mijne heeft ze allemaal.
Jong geleerd, oud gedaan. Nog ouder vergeet je alles weer.
Honger maakt rauwe bonen zoet. Maar smerig dat ze zijn.
Blaffende honden bijten niet. Tot ze blafpauze nemen.
Vele handen maken licht werk. Moet je net een slome als hulp hebben.
Eigen haard is goud waard. Behalve als je brandhout op is.
Een goed begin is het halve werk.  Tenzij je eerst je enkel verstuikt.
Van een kale kip kun je niet plukken. En natuurlijk te mager voor de soep.
Kleren maken de man. En dan geen smaak hebben.
Spreken is zilver, zwijgen is goud. Kun je de buit ook niet vinden.
Enzovoorts
enzovoorts…
=

De weg kwijt


We hadden een Tomtom en een Garmin.
Ik zette ze naast elkaar en reed naar het noorden, benieuwd of ze precies gelijk werkten.
Vergeet het maar.
Dat spul was toen al zo geavanceerd, het deed niet onder voor mensen. Eer dat we het dorp uit waren hadden ze ruzie.
‘bij de volgende straat linksaf’
‘welnee, U moet rechtdoor’
‘links’
‘rechtdoor
Ik gaf ze beiden een tik.
Even later.
‘na drie kilometer de A73 op’
‘drie-en-een-half’
Ik zweeg. De kemphanen ook, verbolgen.
Na een paar kilometer kwam een pompstation in zicht en ik tankte, bij het wegrijden adviseerde de een:
‘Neem bij de volgende oprit de rechter rijbaan’.
Prompt kwam het antwoord
‘Tssss, en dat noemt zich navigitor…’
Ik zette ze uit, stelletje saggerijnen.
Op eigen houtje kwam ik in de beoogde plaats waar ik de juiste straat zocht. Ik zette Tom T. en Garmin weer aan.
Meteen begonnen ze gelijktijdig te kwekken, in keurig accentloos Nederlands.
‘Tweede straat, niet waar, welles, je weet er niets van, rot op…’
Toen ik uitgelachen was vond ik zelf de juiste weg.
==

Zwavel


Mijn moeder had zo haar eigen ideeën.
Waar ze het volgende vandaan haalde weten we niet.

Om een wit wollen vest mooi te houden hing ze het kledingstuk in de buiten-w.c., stak een soort stokje(steen?klont?) aan dat een dikke gelige rook verspreidde, deed de deur goed dicht en liet het daar een tijdje hangen, ik weet niet meer hoe lang.
Het was zwavel  en stonk verschrikkelijk.
Na een poos deed ze de deur open, de rook vervloog en het kledingstuk  ging nog even aan de waslijn, denkelijk om de geur kwijt te raken.
Feit is dat het vest mooi wit bleef.
Maar de relatie met zwavel? Ik kan er niets over vinden, wel andere toepassingen als het uitroken van wespennesten en meer. Voer voor chemici?
Zie    https://nl.wikipedia.org/wiki/Zwavel

Om deze herinnering te checken (ik was tenslotte nog klein) vroeg ik het aan een paar oudere zussen. Zij wisten het nog.
Iemand meende dat het iets van vroeger was.
De link naar het withouden van wol is ook hun onduidelijk,  ze moet in een vorig leven alchemist zijn geweest.
Of zou voor een heks zijn aangezien.
=

Droomhobby

Wat stormde het weer, ik durfde het dak niet op net nu ik er zin in had een paar andere dakzitters te ontmoeten.
Alleen zwaaien,  praten doen we niet, we zwijgen uit principe. Bovendien zijn de afstanden te groot.
Een brave vriend heeft zijn stek op de kerktoren en staart hemels nog hoger, de meest keurige vriendin zit op het  gemeentehuis, ze is verrukt van gemeentelijke voorschriften, in gedachten leidt ze een groep datatypistes.
In de verte zitten naburige kennissen op hun eigen kerken en gebouwen. Ook zij zwijgen.
Naar de molen kijken we liever niet sinds daar iemand op het hoogste punt van een wiek zat en ingedut was toen de molenaar de gang erin zette. Te beschamend, een achteloze klimmer.

Het is een fijne hobby.
De enige ladder om hogerop te komen.
Maar dat zeggen we natuurlijk niet hardop.
En nu waait het ook nog.
===

Zomaar een paar tandjes

Er liep een kunstgebit in de winkelstraat.
Hij was zo vrolijk, lachte zo blij naar iedereen dat alle mensen groetten en zwaaiden, enkele  namen hun pet voor hem af.
Hij wandelde naar de drogist en bekeek daar alle tandpasta’s, de borstels en het flosdraad, hij kreeg een gratis proefpakket.
Daarna naar de groenteboer, die gaf hem een paar worteltjes.
De bakker liep hem achterna met bolletjes volkorenbrood, de slager met een stevig bot.
Toen hij genoeg gegeten had lachte hij nogmaals naar iedereen en huppelde naar huis.
Men praat nog steeds vol lof over hem,
dat blije kunstgebit.
==

Beter dan valentijn


Er lag een envelop op de mat, klein formaat.
Je kon zien dat er iets stevigs in zat, de afzender was een onbekende postcode.
Verbaasd draaide ik het om en om, hield het tegen het licht, probeerde te raden. Valentijnsdag leeft hier immers niet.
Grapje? Toch zeker niet van die vervelende vent uit de winkel??
Hm, eerst maar eens openmaken.
En vond een felicitatiekaartje en een boekenbon, gewonnen met een cryptogram.
==

Van helpdesk en Frankrijk

Aan de lijn van een helpdesk zweette ik duizend druppels. Na een paar pogingen gaf ik het op en zei later terug te bellen want ik verstond het niet. ‘Het’, ik hoorde niet of er een mannelijk of vrouwelijk wezen sprak.
Men riep nog wat, ik zei sorry en hing op.
Een halve dag later rekende ik op een nieuwe shift dus kans op een betere prater.
Ik had goed gegokt.

Iets anders ging het tijdens een van de laatste vakanties.
Een moeizaam gesprek, ditmaal met een echt mens.
Een vrouw zat bij ons en vertelde me honderd uit. Niet alleen razendsnel, ook nog in het Frans. In een duister dialect.
Madame, bracht ik uit toen ze een slokje nam, excusez-moi, vous parlez trop vite…
Ah, bon, zei ze en klopte me op de arm. Ik verstond iets van ‘comprend’.
Ze deed haar best.
Haalde diep adem en rebbelde enige minuten, opnieuw in sneltrenvaart. Stopte een paar seconden en ratelde verder. Weer een pauze om te zien of ik het begreep. Encore et encore en ga zo maar door.
Dit was haar manier van langzamer spreken. Ratel-stop-ratel-stop.
Ik knikte wat, verstond af en toe een woord, iemand naast mij vertaalde zodat ik ook ‘ah bon’ kon zeggen.
’s Avonds zaten we aan de Franse wijn, vanzelfsprekend.
Dat laatste letterlijk, de Franse woorden vloeiden soepel uit mijn mond.
Naturellement.
=

Bitterkoekjespudding

Bladerend in een oud kookboek kwam ik dit toetje tegen uit mijn kindertijd. Van een simpel recept.
Natuurlijk proef je het meteen weer, je ziet de puddingvorm (een vis), mag de pan weer uitlikken, ruikt de vanille..
Het water liep me in de mond.
Ik aarzelde maar even en begon er aan.
Custard. Suiker. Vanillesuiker. Melk.
Jammer dat ik niet de originele bitterkoekjes kon vinden, die met amandel – bestaan ze nog?- maar vooruit. Bakkers gebruikten ook witte bonen voor amandelspijs dus is nep-bitter goed genoeg.
Verlekkerd roerend en kloppend bracht ik de pudding tot stand, suikerde hem af en zette hem koel.
Vanavond kon ik hem proeven.
Het was hemels.  Die geur, de smaak. De bitterkoekjes.
Dat een mens  blij kan worden van zo iets eenvoudigs. Het zal jeugdsentiment zijn.


ps
Hoe Moe de vanillesmaak kreeg is me niet duidelijk, ze deed iets met stokjes.
==

Alleen thuis

Het is avond en stil.
Ik lees met halve aandacht.
Ik let op vreemde geluiden, zet de televisie zachter.
Sssssh. Wat was dat? Nog een keer, wegstervend, pfff, een film.
De volumeknop gaat dicht.
Verder lezen, waar was ik nou weer?  Ik vind de pagina niet meteen, schrik op door voetstappen. Trillend sta ik recht, luister, hoor ze voorbij gaan.
Diep zuchtend drentel ik door de kamer, zie een spook in de spiegel en schrik. Lijkwit, de ogen groot van angst.
Beter om naar bed te gaan?  In slaap vallen door vermoeide leesogen?
Het is pas elf uur, ben ik straks  te vroeg wakker.
Hoor ik de buren? Ik hoop het, een veilig gevoel.  Hoewel, die zijn toch op vakantie? Maar…
Wat is dat geruis dan? Ik kijk rond, herken opgelucht het suizen van leidingen. Ik merk dat ik beef van angstige spanning.
Gekras bij het raam doet me nogmaals verstijven. Voorzichtig kierend staar ik een kat in zijn ogen die luguber gloeien of is het de maan? Beweegt daar een gordijn?
Resoluut zet ik de tv uit en ga naar boven. Kijk onder bed, in kasten, achter gordijnen, durf dan pas naar de wc en wastafel.
Moe van de spanning slaap ik snel in.

Bang zijn is niet te harden.
==