Uit Trouw

Voor wie interesse heeft:

Babysterfte, Groenlands ijskap, en meer.
Een paar interessante artikelen in de nieuwsbrief 3 december, van  Trouw

Advertenties

Vissen

Echtgenoot was geen visser, te rusteloos.
Een kennis haalde hem over.
Op diens aanraden kocht hij een hengel, leefnet, doosjes met dobbers, andere rommel die ik niet wilde zien (angels…) bietste mijn beste emmer en een stapel brood en ging het proberen.
Hij nam zoon (vier of vijf jaar) mee. Leerzaam, dacht hij.
Het werd een korte les.
Binnen anderhalf uur waren ze terug met een lege emmer en het leefnet nog in de verpakking,
‘Ik had geen aas meer,’ zei hij en wees naar zoon, ‘hij heeft alles opgegeten,’ ‘Ik verveelde me dood,’ zei de jongen, ‘ik had honger en je kon er niets kopen.’
Ehh, hoe, wat, ik snapte het niet.
‘Een paar balletjes brood waren als aas bedoeld,’ legde man uit ‘de rest wou ik in het water strooien, als lokvoer. Maar het was al op.’
‘Had je geen wurmen?’
Glazig keek hij me aan.
Toen wist ik het weer, hij zou nooit, echt nóóit, een worm oppakken.
Dat begreep ik wèl.
==

Meisje van toen

In een van de grotere plaatsen fietste me een vrouw tegemoet. Een oudere vrouw.
Ze minderde vaart, keek me twijfelend aan, reed dan door met een minachtende blik.
Verbaasd bleef ik staan. Wat misdeed ik? Kende ze me? Kende ik haar?
Terugdenkend probeerde ik haar te plaatsen.
Zwart haar, bleek gezicht. Donkere blik.
Langzaam doemden de contouren op van een meisje. Vaag bekend, lang geleden.
Ineens had ik het.
Een van de mooiste meisjes van het dorp, misschien wel het allermooiste.
Ik kende haar van uiterlijk, van kerk of danszalen. Haar gezicht zei me niet veel, eerder was het de bleke, zedige uitstraling die ik mooi vond, als van een icoon.
Het begon me op te vallen dat ze soms boos in mijn richting staarde, als ik vragend terugkeek draaide ze zich om.
Na een paar jaar verhuisde ze en ik vergat haar.
Tot nu toe.
Na zoveel jaren staarde ze me nog steeds -of opnieuw- boos aan.
En ik weet nog steeds niet waarom.
Een vreemde gewaarwording.
==

Kort lontje

Vanmorgen weer geen krant. De zoveelste keer en toen, nog wat na-ijlend van verkoudheid, werd ik overdreven kwaad. Woest blafte ik tegen de klachtenlijn, die zei niets terug wat me nog kwaaier maakte voordat ik op een stoel neerviel..

Het wordt tijd dat ik mijn lontje opnieuw laat verlengen.
Maar ik durf het niet meer te vragen.
Een paar jaar geleden kreeg ik al eens een nieuwe, dit zou de derde worden.Toen ik Petrus vanmiddag appte antwoordde hij dat ‘…een normaal mens zijn hele leven met één lont deed. En dat verzoek betr. je geheugen was ook al zoiets brutaals…’
Hij keek er zo minachtend bij dat er een barst in het scherm kwam. Meteen vloog ik op en wees: ‘Ziet U dat? Was dat nou nodig?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Zeur niet vrouw, je hebt zelf ook barstjes en meer dan een.’
Tja. Nou. Beschaamd bood ik excuses. Meteen was de barst weg.
‘En val me niet meer lastig,’ kwam er achteraan.
Eigenlijk heeft Petrus harder een verlenging nodig dan ik.
Nu zoek ik een andere ingang naar god, hij zal toch wel een achterdeur hebben?
In twijfel brieste ik, zachtjes nu.
Misschien moet ik meer geduld hebben, oefenen in verdraagzaamheid. Maar dat duurt zo lang, ik heb geen zin om heropgevoed te worden laat staan door mezelf.
Intussen gekalmeerd greep ik naar de de krant die er niet was. Berustend pakte ik de andere.
Hm. gele hesjes, nog steeds de pietenkwestie, Marrakesh-pact, staking Parijs en meer.
Waar maak ìk me dan nog druk om.
Petrus kan barsten.
==

Schrijven, maar geen boek

Een hobby.
Hoe andere amateurs het hadden weet ik niet, ik moest het echt leren.
Met gemak pende ik bladzijdes vol maar goed schrijfwerk was het allerminst.
Onwaarschijnlijke verzinsels, een soort mini-autobiografie over mijn gedachten, ik genoot van de woorden, leesbaar of niet.
Hoe langer de verhalen werden, hoe sneller ik ze wilde beëindigen door een ‘leuk’  plot te schrijven. Ze leken allemaal op een hardloopwedstrijd. Bovendien had ik intussen een typemachine, dat ging lekker vlug.
Bij het ouder worden en meer lezende ging het iets beter en daarmee beging ik een nieuwe fout: mooi schrijven.
Zogenaamd poëtische zinswendigen (op sinterklaasrijmiveau), ‘literaire’ constructies die van warrigheid aan elkaar hingen, onnodige interessante woorden.
Een schrijfclub wees me een beter pad. Daar leerde ik de betekenis van goede aanwijzingen en warempel, ik schopte het tot plaatsing in een paar verhalenbundels.
De aanhouder wint, heet het.

Niet helemaal, mijn echte droom kon ik niet waarmaken.
Een boek schrijven, een heel boek met een goed plot en een mooi verhaal eromheen. Een serieuze roman, het liefst fictief, met eigen inzichten erin verwerkt over allerlei onderwerpen.
Een gewaardeerde auteur te worden, bij een gerenommeerde uitgeverij. Het visioen alleen al was de wens waard.
Natuurlijk probeerde ik het. Gaf losse verhaaltjes alvast dezelfde hoofdpersoon, maakte schema’s, liet hoofdpersonen opdoemen, onlangs vond ik een schrift terug met een begin van maar liefst zes hoofdstukken.
Uiteindelijk heb ik het toe- en opgegeven: dit kan ik niet. Liever lees ik andermans boeken.
Bovendien zijn er andere kwaliteiten, ik kan heel goed aardappelen schillen en friet snijden.
Dat werd zeer gewaardeerd in het gezin, meer dan een gedroomd boek.

Goedemorgen

 – Zwalkend door het schemerduister van een ongekende tijd
was ik suf en zonder notie gelijk een hersenloze geit.-
Ik ben blij dat ik weer bij zinnen ben. Ongeveer.
Nooit eerder meegemaakt dat een gewone verkoudheid  zo vervelend kon zijn.
Het gehijg en gesnotter, de ijlte in het hoofd, de geur die om je heen hangt,
Nu is het weer blogtijd.
Ik ga niet de afgelopen week nalopen maar gewoon verder met vandaag. Eerst nog wat op adem komen.
Nogmaals bedankt voor de beterschapwensen.

Het….

– Het hangt op de bank en het lacht. Rare geluiden knorren uit de keel, ze overstemmen het gehijg.
Plots vliegt het overeind, een hoestbui verscheurt de droom.
– Het staat in de keuken en niest. Hartgrondig, dat het middenrif pijn doet en de tissues drie maten te klein zijn.
– Het zit aan de laptop en traant. Bril op, bril af, het zicht blijft wazig.

U begrijpt: ik ben verkouden en niet zo’n beetje.
Gisteravond kreeg ik plots een kuchje, zo’n licht dingetje met een piep, vanmorgen was ik al bijna een patiënt en nu helemaal.
De thee met honing komt me de neus uit. In andere vorm.
De toco-tholin helpt een beetje voor de keel en de honingdrop maakt alleen maar misselijk. Het moet gewoon uitzieken, ik verwacht niet dat het lang gaat duren. Ik jammer gauw maar mankeer zelden iets ernstigs.
Dus wacht ik.
Af en toe zit ik te ijlen boven de toetsen.Dat voel ik natuurlijk niet maar mocht U het merken, weet dan dat ik het niet zelf ben.
Of juist wel, dat begrijp ik niet zo goed want ziet U, ik ben zo verkouden dat……. enfin.
=