Schapen scheren…


…het is er de tijd voor.
Als kinderen keken we elk jaar.  Het was geen muzikaal evenement, het gebeurde gewoon bij een buurboer. Langs de straat was een weitje waarin de beesten ont-manteld werden.
Wat we er zo mooi aan vonden weet ik nog steeds niet, eigenlijk was het een beetje zielig maar, zei mijn vader, de scheerder stond bekend om zijn handigheid en de schapen waren blij van hun vacht af te zijn. Dat troostte.
Op de feestelijke scheersessis van nu gaat het ongeveer hetzelfde maar dan met muziek en publiek, braderietje en dergelijke.
Daar hielden we niet zo van.

Een jaar of 7 geleden fietsten echtgenoot en ik een stille route door het achterland tot we ineens een bekend geluid hoorden: gegier en gemekker, iemand was schapen aan het scheren.
Nieuwsgierig stapten we af, een praatje met een boer was altijd gezellig.
Daar kwamen we deze keer rap van terug, ziende hoe de man te keer ging met de stomme dieren. Lomp werden ze heen en weer gegooid, het scheerapparaat leek een wapen. Hij keek op, zei niets, gooide een nieuw slachtoffer onder zijn knie.
Nu zijn we wel wat gewend op het platteland, we waren echt geen kleinzerige en jammerende buitenstaanders. We weten dat schapen geen kleinemeisjespoppen zijn.
Maar dit.  De geschorenen waren stuk voor stuk flink bezeerd.
‘Alles bloedt,’ riep echtgenoot. Hij wist dat het er, buiten het zicht, niet altijd zo zachtjes aan toe ging maar ergerde zich evengoed. ‘Dit is niet nodig.’
De man ging stug door.
Wij zijn opgestapt.

Vanaf die tijd juich ik het feestelijke scheren toe.
In het openbaar is tenminste toezicht, alle kijkers leven met de schapen mee.

Advertenties

Lange tanden

Een man zit aan zijn ontbijt.
Hij eet dikbelegde boterhammen. Met gemak bijt hij door de lagen, zelfs lijkt het of hij zijn tanden als spiesen gebruikt voor kaas en worst. Hij heeft een messcherp gebit en houdt van eten waarin hij moet bijten.
Hij eet letterlijk met lange tanden.
Tegenover hem zit een vrouw.
Ze ontbijten samen, ze doet althans een poging.
Tevergeefs, ze kan het geluid van zijn snijdende tanden niet negeren. Het is heel zachtjes, iets tussen gerasp en sjsjsj, meer een gevoel, als een bot mes in rauwe rosbief. Het is bijna een obsessie voor haar en ze verafschuwt het.
Ook zij eet met lange tanden.
Ze piekert.
Ze wil een einde maken aan hun verhouding en zoekt een geldige reden.
Kan ze met goed fatsoen zeggen dat zijn manier van eten haar afstoot? Dat zijn geknaag haar doet denken aan spitsmuizen, bevers en ratten?  Ze met vrijpartijen bang is dat hij zijn tanden ook in haar lichaam zet? Haar sidderen niet van lust is maar angst voor zijn scherpe gebit?
Is dat niet te pijnlijk?
Toch maar de geijkte smoes: de liefde is op, het was fijn zolang het duurde en tot nooit. Dag schat, het was een mooie tijd?
Ze besluit tot de smoes.
Na het ontbijt licht ze hem in. Veel woorden gebruikt ze, teveel, ze stottert nerveus.
Hij luistert en denkt.
Dan zegt hij ‘Laat maar, het is mijn manier van eten, ik weet het. Je bent niet de eerste.’
Beschaamd knikt ze. ‘Sorry…’
‘Wil je wachten tot vanavond? Alsjeblieft, die ene dag nog.’
Ze knikt weer. ‘Goed.’

De rest van de dag gebruikt ze voor het pakken van kleren en spullen die ze mee wil nemen. Ze maakt uit spijt- en schuldgevoel – hij kan er tenslotte niets aan doen – een superdiner klaar met extra harde groente en vlees.
En wacht.
Dan is hij er. Hij komt binnen met een vreemd gezicht.
‘Wat,’ begint ze.
Hij spert zijn mond wijd open en wijst.
Ze ziet de lege holte, nog bloederig.
‘Foor jou,’ mummelt hij.

© Bertie

Reclameplantjes en herinnering.


Van een vriendin kreeg ik een paar reclamezakjes met grond en kruidenzaden, ik geloof dat de Jumbo ze uitgeeft. Veel hoop had ik er niet op.
En kijk, na veertien dagen zijn het heuse planten geworden, bijna groot genoeg om in de volle grond te zetten. Misschien ga ik ze nog opeten ook.

Bij het verzorgen dacht ik terug aan de dingen die ik zelf uitprobeerde in de achtertuin. Toen ik nog heel erg jong  was, en onnozel erbij.
Vers wilde ik, wortels, radijs, sperciebonen, verschillende bedjes maakte ik en keek driemaal daags dag of er al iets te eten viel. Want het ging me niet alleen om vers, vooral ook om klein. Ik houd niet van vingerdikke slabonen en reuzenradijzen, ook tuinbonen zijn jong en klein het lekkerst.
Maar ja, dat wachten…
Ongeduldig had ik na een paar weken een stuk of tien luciferdunne boontjes en worteltjes geplukt en gekookt.
Echtgenoot keek in de pan, hij kwam niet meer bij van het lachen.
Exit de verse-groenten-fase.

Toen kwam het geldboompje.
Steevast vroeg ik er een met mijn verjaardag tot iemand mijn gezeur beu was en me een potplant gaf met centen, dubbeltjes, guldens, alles vastgeplakt met sellotape.
Ontroerd nam ik hem in ontvangst.
Helaas, ondanks water en mest ging hij dood. Het geld bleef over.
Nou ja, je kunt niet àlles hebben.

Dus houd ik me nu bezig met dingen die wèl groeien.

Slecht horen – slecht praten.

Er werden nieuwe meters geïnstalleerd, voor gas en stroom.
De monteur kon elk moment komen, daarom hield ik alvast de gehoorapparaatjes bij de hand. Vaak zijn ze niet nodig maar met onbekenden is het afwachten hoe ze spreken.
Mummelaars zijn echt lastig, je hoort ze wel maar verstaat er geen barst van, daar heb je geen doofheid voor nodig.
Ook een andersoortig dialect kan moeilijk zijn, vooral als er op mitrailleursnelheid gerateld wordt.
Enfin.
De monteur belde aan, ik liet hem binnen en wachtte met spanning op zijn woorden.
‘Goedemorgen,’ riep ik jolig, luid en duidelijk. Als voorbeeld.
Het hielp niet.
‘gmgn’ murmelde hij, schudde mijn hand en wees naar de meterkast. Inwendig huilde ik.
‘Sorry meneer, even mijn oren aanzetten.’
Hij knikte en begon met zijn werk.
Ik stond er sukkelig bij, weet nooit goed wat ik moet doen bij een kluswerker.
Een gezellig praatje kan in dat geval de oplossing zijn, helaas ging het deze keer te moeizaam.
Ik zei dat ik hem niet goed verstond.
Dat werd begrepen. Hij murmelde luider.
Door wanhoop gedreven vroeg ik om uitleg over de nieuwe meters, daar trapt iedere vakman in en ook hij gaf een gedetailleerd verslag. Ik stond erbij, knikte lukraak en zette een pienter gezicht op. Hoopte ik.
Zo kwamen we de tijd door. Murmelend en ‘jaja’ zeggend. Hier en daar verkeerd, aan zijn blikken te zien.
Na afloop bood ik koffie aan.
Die sloeg hij af.
Voelde zich waarschijnlijk net zo belazerd als ik.

Zoveel energie en dat met die warmte

Alles in de tuin groeit zo hard, ik ben al buiten adem als ik het spul groter zie worden. Knoppen en ranken komen me tegemoet en wuiven bij het passeren. Dan hijg ik een knikje terug.
Maar mooi is het.
De campanula is in opmars voor de jaarlijkse verblauwing.
Een grote klaproos sterft af, hij moest zo nodig de eerste zijn.
Een druiventak reikt zo ver mogelijk, hij zwaait met lange halen.
In de varen kan ik straks wonen.
Uit de kunstgrasmat komt niets, je zou iets cultureels verwachten, een schilderskwast desnoods maar het laat slechts dunne halmen door.
Van het theekopje valt niets te zeggen. Het hangt.
Wat met de overige planten? Die groeien me zowat boven het hoofd, nog een geluk dat de stoep niet leeft, stel je voor dat de tegels knoppen kregen, hoe zou je die moeten verzorgen?

Net was er een onweers-hoosbui die de laatste blaadjes van de klaproos vernielde, ocharme, maar ja, dat is des klaproos’. De rest is er juist van opgefrist en schiet nu nog sneller omhoog, ik zag zojuist twee klimoptakken een wedstrijdje houden: wie zich het eerst om de waslijn krulde. Enig, het enthousiasme van dat jonge spul.
De spiegels doen niet aan groot worden en waarom zouden ze ook, ze zijn mooi genoeg.
Ze staren eindeloos in het vijvertje, wachtend op, nee, niet op narcissen.
Dat vinden ze te geijkt, te ijdeltuiten.
Trouwens, Godot laat zich ook niet zien.

De eerste èchte warme avond

Verderop in de straat is een feestje.
Elders een drukke babbelvisite.
Bij de een ruft de barbeknoei, de ander stookt de vuurpot heet, geurig alsof er een mens in de pan zit.
Het zijn van die dingen die we zelf ook deden toen we een jonger gezin hadden (behalve de vuurpot), de laatste jaren bakken we liever iets in de keuken en brengen de schaal naar buiten.
Maar dat is natuurlijk niet de juiste manier om de stemming erin te houden.
Enfin, het went wel. Dat doet het elk jaar.
De overige aanwonenden zitten rustig, ze zeggen wat, ze bellen wat, ze internetten wat. Drinken een glas. Ook ik.
Een verrukkelijk koel biertje in een beslagen glas.
Zum Wohl.

Net meisje

Geen geuren, geen kleuren,
geen kantjes of randjes
aan shirt en beha
waarom ‘oh-la-la’?
Niet nodig, dat vond ze
ze hield niet van hondse
en snuivende hijgers
zij prefereerde dóór-tastende zwijgers.

Jammer voor haar,
niet één frutselaar
die wilde haar hand
ze bleef onderaan in ieders bestand
wie wil er dan ook
zo’n braverig spook.
Een keurige meid?
Een rampzaligheid.

Materxx. Deel 2

Update
Dit verhaal ligt voorlopig stil.
Er zijn nog een paar afleveringen maar ik kan geen bevredigende opening vinden naar een definitief vervolg.
Later, misschien.
Bertie.


Vermoeid was ze door haar bezorgdheid, niet alleen over het aankomend plaatsgebrek, vooral ook over de tijdinvulling van haar ochters
Het waren mooie tweelingen met intelligente gezichten, ze had redelijk hoge verwachtingen van Iksa (xxa) en Iksbee (xxb) – zoals ze voorlopig genoemd werden-  waarbij ze niet dacht aan hun interpretatie van wetenschappelijk ruimteonderzoek.
Met niet aflatend enthousiasme zochten ze naar vreemde bouwsels en opvallende natuurwonderen die ze mee naar huis konden nemen, ze beschouwden het als hebbedingen. En nu was de verzamelruimte vol.
Materxx had gehoopt dat de kinderen haar waarschuwing over ruimteroof ter harte zouden nemen, in plaats daarvan stuurden ze een breinsein met het verzoek om extra plek, ze kwamen met nieuwe vondsten. Alweer.

Naast het plannen van een dringend gesprek moest ze nu uitkijken naar meer grond. Weer een asteroïde aanhaken? Nog maar een maantje erbij? Konden ze niet beter wat oud spul weggooien?
Ze zuchtte, bedenkend dat ze al een groot cluster van ruimtegronden bezaten, hun woonplek was een almaar uitdijend lichaam. Ze moesten op de velden letten, men kon niet ongestraft met ruimtewetten sjoemelen.
Dit was niet haar enige zorg.
Het idee dat ze oude en andere planeten uitholden maakte haar onrustig.
En de geruchten die de ronde deden.

© Bertie

Een soort migraine..

…waarvan ik nog nooit had gehoord.
Toen ik het voor het eerst meemaakte (ongeveer 25 jr geleden) wist ik niet wat me overkwam.
Het was een vrij heftige aanval, zonder hoofdpijn maar het zicht was ellendig. Alsof je een tekst in stukken knipt en de delen verschuift. Vlekkerig en met flitsen.
In plaats van hoofdpijn was er een unheimisch gevoel, zweverig en naar. Beetje beangstigend. Misschien een tia?
Ik ga dood, was mijn gedachte, ik ga alvast op de bank liggen.
Dat hielp. Het zakte na een paar uur en ik ging verder met de dag.

Ik dubte. Echtgenoot inlichten? Die zou me subiet naar de eerste hulp brengen en onderzoeken eisen. Gedoe.
Dus zei ik niets.
Na een paar aanvallen ging het over, mijn angst verdween en ik vergat het.
Later bleek ik glaucoom te hebben, de herinering kwam terug en ik vroeg de oogarts of het daarmee te maken had.
Ze kende het verschijnsel en noemde het oogmigraine, het had niets met glaucoom of staar te maken.
Iets voor een neuroloog?
Dat wist ze niet. Of wilde het niet zeggen.
Toen ik het thuis alsnog vermeldde maakte ik er een kleinigheidje van, het was toch al voorbij.
Hoe dan ook, ik was het opnieuw vergeten tot ik vanmiddag een mini-aanvalletje kreeg. Niets ernstigs, na een halfuurtje achterover hangen was het weg.
Een mens loopt soms rare dingen op.