Het zal zo wel motte..

… was het gevleugelde zinnetje van een bejaarde vrouw voor wie ik werkte.
Ze was aardig en kien en had gevoel voor humor.
Om politiek, belasting en gemeentelijk besluiten echter kon ze niet altijd lachen. Die zaken vond ze lastig te begrijpen zoals de meesten van ons.
Bij het lezen van de krant vroeg ze vaak: ‘Begrijp je dat nou Bets?’ (zo noemde ze me).  Ze las alles, niet alleen de koppen maar de artikelen waren haar niet altijd duidelijk genoeg.
‘Beatrix gaat met pensioen, waar heeft zij die grote uitkering voor nodig? Ze hoeft toch niet meer zo deftig op te treden?’
Dat wist ik ook niet.
‘Heb je gezien hoeveel stallen er weer gebouwd worden? En de stank moet verminderen!’ Tja…
‘Bets, de gehandicapte kindjes van ons dorp krijgen gratis pony-rijles. Waarom? Die ouders zijn niks armer dan wij.’ Ook daar had ik geen antwoord op, ik zat met dezelfde vragen als zij.
Na enig nadenken zei ze het, ‘het zal wel zo motte.’
Ze bedoelde het niet grappig, het was haar standaardgezegde. Accepteren in het leven is nodig, zij deed het op deze manier. Het had iets gelatens.
Het klonk heel wat sympathieker dan het hatelijke chagrijn van sommig kankerpitten, excusez le mot.
Op een dag was ze geëmotioneerder dan anders: ‘Buurman wil dood. Snap je dat nou?’
Ja, maar dat ging ik niet uitleggen. De man was oud en eenzaam en op.
Ze zuchtte, deze keer echt aangeslagen. Ze begreep zijn wens niet.
‘Het zal zo wel motte.’

Fris dagje

Het lag op de grond en was vloeibaar.
Inderdaad, dat was ik.
Minstens eenmaal per jaar overkomt het me bij een warme dag, heb ik dat al verteld?
Dan smelt ik.
Vanmorgen liep ik naar het vijvertje om het verhitte hoofd te drenken. Ik haalde het niet, net voor de rand zeeg ik ineen en verwaterde.
Toen bleef ik maar liggen, te warm om me te heropbouwen.
Het was een mooie plek. In de schaduw van een hosta, tussen kleefkruid en een druivenrank, rondom wuifden of woven een paar irissen.
De vogels die in de vijver zwommen keken verrast op. Ze beschouwden me als een veilig pierenbadje voor hun kinderen die meteen op mijn buik sprongen.
Netjes stelde ik me voor,  ‘Hatweeo, aangenaam.’
Ze zeiden niets terug, konden natuurlijk nog niet praten.
Ik lag lekker.
Af en toe blubde ik wat, blies bellen voor de kleintjes, dutte weg en werd weer wakker. Knipoogde naar een waterluis.
Een uur geleden ben ik weer in mezelf gekropen. De vogels keken sip, ik troostte ze met een verkruimeld mariabiskwietje. Hadden zij ook een geslaagde dag.
Een smelttrip, zonder papaver of paddenstoel, helder van geest blijvend en zonder last van hinderlijke naweeën.
Ik kan het iedereen aanbevelen.

 

Weerpraatje

Er waren tijden dat we, voor zover dit mogelijk was, de boel de boel lieten of een snipperdag opnamen om naar buiten te gaan op mooie dagen.
Strand, zwembad, slootkant, teil, terras, whatever want het was:
mooi weer, daar gaan we van profiteren
eindelijk droog
de eerste zomerdag
een zalige zon
morgen regent het
enzovoorts.
Er kwamen wel zomers voor met langdurige droogtes en zon maar ze waren niet standaard.
Nu begint het daar op te lijken.
Elk voorjaar biedt nu meerdere  zomerse dagen, je ziet vaker palmboompjes in tuinen, warme jassen hangen antiek te worden en wanneer kochten we nog winterlaarsjes?
Nu is het:  koel vandaag dus
met de kinderen op pad
garage/kelder/vliering opruimen
fietsen

een dagje genieten
morgen is het weer warm enzovoorts.
Het is mogelijk dat ik me dit verbeeld, beïnvloed door de klimaatnieuwtjes. Ik denk het niet.
Misschien kan Trump het uitleggen.☻

Tuintje

(Bijna)alle bloemen en planten in het achtertuintje zijn me lief maar enkelen min ik meer.

Deze bekervaren  is er zo een. Het mooist als solitair op zwarte grond. Onze grond is niet diepzwart, daarom heb ik de varen  laten inhalen door zoveel campanula’s dat hij straks op een blauw kleed lijkt te staan. Een plant waar je van alles in ziet; van bovenaf heeft hij het patroon van een spinnenweb, van opzij de vorm een bijeengebonden boeket. En dan die getande bladeren, zo fijn krijg je ze nooit geborduurd.

Papavers. Zo markant, die kleur, de vorm.

Niet voor de opium en morfine, ik zou niet weten hoe ik dat eruit moest halen. Uit nieuwsgierigheid nam ik het platgedrukte bolletje van een uitgebloeide bloem mee naar bed en legde het onder mijn hoofdkussen, ik hoopte op een bijzondere droomtrip.

De trip bleef uit. In plaats daarvan was er het uitgestreken gezicht van echtgenoot.
Hij is nu uitgebloeid. De bloem, bedoel ik.

Het fotootje van de lobelia is slecht maar geeft de juiste kleur aan, de reden waarom ik ze elk jaar koop. In de schemering lijkt hij licht te geven. Goed voor een dooie hoek .

In een drukbezette tuin sta je altijd voor verrassingen.

Nette doden

Na een telefoontje over nicht’s  overlijden kwam een onaangename herinnering boven.
Wandelend op een kerkhof zochten we naar het graf van een neef die een maand tevoren gestorven was. Neef leidde een losbollerig leven en stierf jong, meer kwaad viel er niet te vertellen maar het was genoeg, bleek even later.
Er kwam ons een bekend mannetje tegemoet dat om een praatje verlegen zat.
Hij vertelde van zijn vrouw wier steen zo schoon was en dat ze er zo netjes bij lag en hoe goed ze was geweest en meer van dat.
We vroegen of hij wist waar onze neef lag.
Hij viel stil.
‘Bedoel je die van R?’ vroeg hij toen. ‘Ja.’
‘Die zal toch niet op dit veld liggen?’ Verontwaardigd. ‘Zulke horen hier niet.’
Huh? Ik stond paf, werd ook erg kwaad.
Op een kerkhof maak je geen scène dus keerde ik me van hem af. Echtgenoot vroeg nog ‘Waar dan wel?’
Het ventje antwoordde vinnig ‘Plaats genoeg maar niet hier.’
Niet bij de nette doden.
Om te kotsen.

Bovenstaande is nog maar een kleine tien jaar geleden.
Er zijn waarschijnlijk nog steeds mensen die dergelijke opvattingen huldigen.
Stompzinnig volk voor wie ik geen verontschuldiging kan aanvoeren al zijn ze nog zo netjes, kerks of wat dan ook.

Van niet-inenten tot verval. Een spinsel.

Entropie=
‘de eindtoestand die bereikt wordt in de ontaarding van de materie en
energie in het universum.’

De meest begrijpelijke omschrijving die ik kon vinden maar voor wie het moeilijker mag: lees  entropie    Aanvullende vragen  in de-tweede-hoofdwet
Wat vanzelf vergaat kan nooit meer vanzelf teruggaan naar de originele staat. Gooi je hebben en houden in een  onbewoond gebied en kijk er tien jaar niet naar om.  Het is voor een groot deel verroest, gezandstraald, kapot, verminkt, vergaan en de natuur kan het niet meer repareren.

Hoe kom ik hier op? Door de gedachtegang van een dementerende architect in een roman. Het begrip entropie overviel hem, te bouwen voor de ondergang vond hij beangstigend. Hij begreep het niet meer.
Bij een praatje over inenten herinnerde ik het me door de volgende vraag en antwoord:
‘laat de natuur zijn gang gaan’ 
‘nee, laat de dokter zijn werk doen’.
Nou begrijp ik wel dat de tegenstandster niet bedoelt dat de wereld een zootje moet worden, maar al piekerend zag ik het voor me.
Een vergelijking met entropie,  een wereld waar ziektes ongehinderd de kop opsteken en de mens afbreken.
Die raakt verzwakt en kan niet meer geheeld worden, vegeteert langzaam tot de dood.
Vergezocht, ik weet het.  Toch dacht ik het.
Het zal de warmte zijn.
Zodra je langer dan een half uur in beweging bent voel je je al gebroken.

Droog

De zon is half weg, schemer lonkt.
Wolken naderen. Ze zoeken een geschikte locatie om te lossen, ze strekken de handen uit om de droogte te peilen, zie je hun vingers boven daken en bomen?

Het wordt nu langzaam donker. Koppig blijf ik buiten, wachtend op regen, dikke plensbuien met grote druppels en kleinere voor de lis en wisteria.
Het gesleep met gieter en sproeiers ben ik spuugzat maar ’n beetje spuug is niet toereikend voor de  bloemen.
Aaarrrg, de wolken gaan voorbij.
Zucht.
Misschien dat er vannacht nog eentje langskomt, een die water over heeft en compassie met-of-voor de tuintjes in onze buurt.
En anders dondert ‘ie maar op.

De grauwe-rattenvanger van Smallonië

Er was eens een land.
Het was een klein land. Ook de bewoners waren klein, niet zozeer in maat als wel in denken. Dat zat in de volksaard en stoorde niemand.
Ze hadden voldoende te eten en te drinken; ontspanning was in ruime mate voorhanden. En gevoel voor dieren. Een sociaal gezicht.
Zelfs de goden werden met eerbied behandeld.
Zorgen werden op een typisch kleinlandse manier gladgestreken door ze met veel bombarie op een rijtje te zetten en af te turven.
Smallonië, kortom, was een welvarend rijkje.
Tot de grauwe ratten uit hun holen kwamen. Eerst aarzelend maar allengs vrijer bewogen ze zich tussen de burgers.
Aanvankelijk hield men hen voor een tijdelijke plaag,  haalde de schouders op en zei: ‘Ze sterven vanzelf weer uit’, zelfs lachte men als een enkel beestje strijdvaardig zijn grauwe vuistje schudde.
Maar de plaag won aan kracht.  Sommige grauwen drongen zich op in winkels en parken en vakantieoorden, juist de plekken die men het liefst voor zichzelf hield.
Het lukte de regering niet de grauwe ratten te verjagen; een partij stelde voor om ze op een moderne, humane wijze in reservaten onder te brengen.
Aldus geschiedde.
Er werden grote stenen holen gebouwd  waar ze werden voorzien van noodzakelijk levensonderhoud en onder scherp toezicht werden geplaatst.
Het hielp niet; er waren niet voldoende bewaarders om ze in toom te houden.  En het kostte nog geld ook.
Het dreigde een ramp te worden. In spoeddebatten zocht de overheid naarstig naar een betere oplossing.
Op een mooie zomerdag diende deze zich aan, een jonge violist meldde zich.
‘Luister’, zei hij, ‘ik kan jullie helpen; tegen betaling lok ik ze mee met mijn muziek en breng ze weg, ver weg’.
Het bestuur had er grote oren naar en ze kwamen een prijs overeen.  ‘Maar pas op’, waarschuwde hij,  “als ik mijn loon niet ontvang  krijgen jullie spijt!”
‘Geen probleem, meneer, alles komt in orde!’
‘Goed dan, ik begin NU!’
Hij begaf zich naar het centrum van Smallonië en speelde een paar wijsjes op zijn viool, wonderlijke, melodieuze liedjes. Enkele grauwe ratten bleven staan en luisterden. Al gauw volgden grotere groepen.
De violist begon te lopen, spelend met de muziek die sprookjesachtig mooi was en als een magneet  de grauwe ratten meetrok.
De stoet werd langer, er kwamen ontelbare volgelingen, dansend en lachend op de uitvalsweg.
De bewoners durfden er haast niet in te geloven, pas toen de allerlaatste figuurtjes over de horizon verdwenen waren zuchtten ze opgelucht.
‘Die zijn we kwijt, godlof.  En de violist erbij. Hoeven we hem ook niets te geven’, redeneerden ze in hun kleinheid.
Maar tegen de avond kwam de man weerom en eiste zijn loon.
‘Ja zeg, zeiden de burgers, ‘denk je dat we je voor een enkel liedje een hoop poen betalen? Voel es aan je hoofd’.
De violist keek ze aan. ‘Ik heb jullie gewaarschuwd’ en verdween. Nagejouwd door de mensen.
Ze werden zwaar gestraft voor hun gierigheid,  bleek later:
De grauwe-rattenvanger had al hun herinneringen gejat en meegenomen.
En nooit heeft iemand ze teruggevonden.

Figuur

Dertien of veertien was ik toen ik langs een grote winkel liep en in de etalage een stripfiguurtje mee zag wandelen, grote voeten en zo. Nieuwsgierig liep ik er naar toe en zag mezelf als lijzige lucifer met een lang gezicht. Bevestiging van puberale complexen en een schok voor mijn gemoedsrust.
Veel eten leek me de beste remedie.
Zoetjesaan zag ik het lucifertje groeien, zowel van voor naar achter als van links naar rechts. Het werd een zandloper die  heel wat acceptabeler was. Zag er wel goed uit, eigenlijk.
Toen werd het een saucijs – en al hielden we van braadworst, ik wilde er liever niet op lijken.
Gelukkig was er een oplossing, gemakkelijk door de eenvoud: gewoon het touwtje weghalen. Simple comme ça.
Wanneer ik nu langs etalages loop beweegt een ander figuur mee, heel wat flinker dan de wijlen lucifer.
Het lijkt nergens op.