Maan slot

Vanuit de slaap belandde ik in een wonderlijk bewustzijn. Aards en wanig tegelijk alsof de verdovende middelen een vleug lsd bevatten.
Mijn hang naar volle maan verscheen uitvergroot, belicht van alle kanten.
De verlangens waren niets vergeleken bij het indringende besef: ik moet er naar toe.
Mijn geest transporteren.
Mijn lichaam overlaten aan oma en de anderen.


De maan is mijn onderkomen.
Ik wentel me in zijn licht, omarm zijn materie.
Ik adem niet, verlang niet, lijd niet.
Ik ben.
Ik ben het mannetje in de maan.
==

Maan 5


Ik ben er nog.
Met duizend draden aan machines gekoppeld lig ik op de IC.
Een verpleegkundige controleert de apparatuur.
De arts leest mijn status.
Mijn huishoudster staart, zorgelijk.
Oma is onderweg.
Ze bekijken het maar, ik slaap nog even.
==

Maan 4

Onrust jaagt me.
Vannacht…
Staand voor het grootste raam zal ik hem zien, breed en vol van glanzend licht, bomen groeten, mijn hart slaat over, en nog eens, staat bijna stil. Ik bezwijm bij het vooruitzicht.
Straks.
Wat kan ik doen, ik wil niet, mijn hart is te zwak, maar ik moet,
de drang is te sterk.

De huishoudster waarschuwt ik raap U niet meer op – ze rilt – straks vind ik een lijk en daar kan míjn hart niet tegen.
‘Neem een hamer,’ smeek ik haar, ‘sla me bewusteloos voor de nacht begint.’
Ze weigert en vertrekt.
Ik huil.
==

Maan 3

Weer wakker.  Pffff,  dat heb ik ontlopen.
Maar nu komt de andere kwestie weer boven, de watertandende hang naar volle maan.
Zou de psych gelijk hebben dat ik slechts een waandenkbeeld in stand houd? En daarvan droom?
Of mijn oma die gelooft in een geheime liefde? Ze beweert dat iemand op mij jaagt, net zo lang tot ze mijn signalen opvangt en me dan tot de hare maakt (háár woorden).
Vreemd vooruitzicht, bijgelovige oudewijvenpraat.
Anderzijds is het kwijlen bij volle maan net zo goed raar.
Ik denk er weer aan, nog één dag en…
…leg mijn tabletten klaar.
==

Maan 2

Ik dwaal door vreemde straten, vereenzaamd en verongelijkt.
Waar? Waarnaartoe? Geen idee. Droom ik? Ook dat weet ik niet.
Moedeloosheid overvalt me met tranen van onmacht.
Waarom?
Eensklaps begint het in me te wringen, iets herkenbaars bereikt me.
Een geur of is het herinnering?
Wat nadert me? Langzaam, langzaam, het sluipt,  ik roep en roep.
==

Maan 1

Nog drie dagen tot volle maan.
Verlangend staar ik naar buiten. Zwarte  takken in witte lichtbanen wisselen af met schaduwen. Die sfeer, o god, langzaam loopt mijn mond vol.
Met een ruk sluit ik het gordijn en keer me af.
Dit moet niet.
Ik dwing me de tabletten te nemen. Naar bed, ik moet  ontspannen, slapen, sla…ap..
==

Vakantie op zijn (namaak-)Frans in twee delen

Slot.

Helaas, de aardigheid was er gauw af.
Plakkerig ontwaken in een tweepersoons slaapzak met de verkeerde onderbroek rond je enkel, was verrukkelijk toen we achttien waren. Twintig jaar en een paar kilo’s later werd het krap en genant. Schutterig kropen we ’s morgens op handen en voeten overeind.
Enfin, dat was nog op te lossen met humor.
Hand-in-hand van de zonsondergang genieten bleek een saaie bezigheid, de uiensoep was nauwelijks eetbaar, extra bouillonblokken hielpen niet veel.
Ook dat was te accepteren, we konden altijd nog naar het eethuis.
Aanvankelijk lachten we de tegenvallers weg maar hoe lang kun je ze verdragen?

De maanzieke hond was een ramp, geen van onze schoenen kreeg hem stil.
Na een week klom de warmte naar een hoogtepunt en ontaardde in een hittegolf zonder weerga.
De boer was chagrijnig en schold op de droogte.
Lin klaagde over het zweet dat haar wangen deed uitzakken wat haar inderdaad niet stond.
De hond bleef nachtblaffen.
Van humor was geen sprake meer. Van l’amour nog minder.
‘Mijn god,’ bad ik in stilte, ‘hoe overleven we dit?’

De doorbraak kwam op de negende dag.
Onuitgeslapen en razend stapte ik naar de boerderij waar ik op de hond wees. ‘Kun je dat kreng niet ophangen? Anders doe ik het.’ Het beest werd dol, blijkbaar verstond hij me.
Dat was teveel voor de geplaagde boer.
Hij werd gek en greep de riek, ik de autosleutels, Lin in één graai de tent met inhoud en met de dolle hond achter ons aan raceten we richting Bergen op Zoom.
Daar regende het.
==
© Bertie.

Vakantie op zijn (namaak-)Frans in twee delen

Het was bloedheet en de stemming stond op een laag pitje, geïrriteerd als we waren door jeuk van muggenbulten en zweet op de onmogelijkste plekken. Lin smeerde doorlopend met citroencrème. In haar hang naar retroromantiek besmeerde ze mij ook, dicht tegen
me aan kroelend. Die lol was er gauw af.

‘Nog één keer samen in een tentje,’ had ze bedacht,’ tussen koeien en paardenbloemen..’ – en dazen en vlaaien, mompelde ik er achteraan.
‘Hè toe nou Pol. Naar Frankrijk. Vers stokbrood en wijn en uiensoep. Zonnebloemen, amou-our,’ koerde ze.
‘Lin, dat zijn we ontgroeid. Ik wil geen vakantie vieren met taaie korsten gedoopt in rooie azijn. Laten we de caravan nemen naar een geriefelijke camping met werkende toiletten en stromend water.’
We pleitten een poosje, ieder voor het eigen idee. Tot een compromis.
In de regel is dat geen vlees en geen vis.
Niettemin zou het een geslaagde vakantie zijn geweest wanneer dat ellendige vliegentuig er niet was. De hittegolf en die vreselijke hond. Een echt bed had misschien ook geholpen.

Een boerencamping in Zeeland benaderde het dichtst de koeien en paardenbloemen. Lees: taaie graspieken die prikten.
Ook kochten we een sheltertje, zo’n handig ding met een knus luifeltje waaronder we het glas konden heffen. Lin had een ‘leuk solexje’ op het oog, dat kon ik nog net voorkomen. Met een brommer het weiland op, het idee.
Er was stromend water. Een heuse wc. In een dorp verderop stonden een eetcafé en kruidenierswinkel waar we stokbrood en Franse rode wijn konden kopen.
Het zag er niet eens zo slecht uit.
We maakten een begin met l’amour teneinde een vroegere verliefdheid terug te vinden en verdomd, de eerste paar dagen lukte het bijna.
==
© Bertie
Morgen deel 2.

Mammoet 2

Sensatie!
De media schreeuwden het uit:
‘ONLANGS GEVONDEN MAMMOET VERTOONT BEWEGING!’
Een unicum.
Griezelspanning beving de mensen, een reuzenolifant zo groot als een huis!
Regeringen vergaderden, geleerden claimden zeggenschap, de mammoet was van iedereen.

Van het sterkste metaal werd een hek rondom hem geplaatst.
Nu was het zaak het dier langzamerhand bij te brengen. Na ontelbare buisjes bloed, speeksel en andere zaken te hebben afgenomen brachten ze hem beetje voor beetje bij kennis.
De spanning steeg.
Tot hij op zeker moment zijn kop oprichtte en zich omrolde tot hij half overeind hing.
Nu pas zag men de werkelijk omvang, vermoedde de kracht.
Met angstig ontzag staarde men naar de enorme hoeveelheid mammoet maar na het eten van wat gras liet hij zich weer zakken en sliep in.
Opluchting alom, het bleek een lobbes. Zoiets als een oude circusolifant.
Nu hoefde alleen de oppas te worden geregeld.
Men zette een paar gewapende mannen neer, alles was onder contrôle.

De nacht viel, de mammoet sliep, de bewakers verveelden zich. Een van hen stelde een grap voor.
‘Zullen we hem eens kietelen? Dat vinden olifanten leuk, doen we in Artis ook altijd.’
Ze vonden ergens een lange tak en reikten door de tralies.De mammoet sloeg met zijn slurf. Nogmaals reikte de tak.
Wat huisde er in mammoets geheugen? Een wazig beeld van vijandige wezens die takken gooiden was genoeg om de herinnering te verhelderen.
Brullend kwam hij overeind en stapte naar de hekken waar de grappenmakers verlamd van schrik stonden.
Hij sloeg zijn slurf om de takkenman en trok hem de kooi in, en passant een paar tralies ombuigend. Hij gooide de man op de grond en trapte.
Iemand drukte op knoppen. Een professor gilde: ‘dood hem niet, houd hem in leven…’
Voor niets.
Zware knallen weerklonken.
En zo stierf het mammoetdom alsnog uit,
600.000 jaar later.
==

Mammoet 1

Moederziel alleen bevond hij zich op de Siberische steppe  waar hij lusteloos ronddwaalde.
Hij miste soortgenoten.
Hij miste een vrouwtje en bovenal miste hij voedsel.
Het was niet veel wat hij vond. Bossen rukten op en ontnamen hem het grootste deel van zijn maaltijden.
Een enkele keer zag hij vreemde wezens die op  achterpoten liepen.
Ze maakte weinig indruk, voor hem was het klein grut.
Hij voelde zich slap.
Een laatste bundel gras, een restje korstmos. Langzamerhand verloor hij zijn levenslust.
Nog éénmaal werd zijn aandacht afgeleid door beweging, hij keek en ontwaarde een van de wezens die takken naar hem gooide.
Hij was te zeer verzwakt om kwaad te worden, hief enkel zijn kop en brulde waardoor het wezen zich uit de voeten maakte.
Daarna gaf hij het op, bleef staan en sloot de ogen.
Hij voelde zich wegzakken in de bodem. Traag, trager.
En sliep in.
=