Cirroca en Cumulonus·vervolgverhaal

In de wolken. slot

onweercloud-front-4624895__340
Hij dacht. En hij wikte. Na een paar miezerige buitjes tussendoor die hem  geen voldoening schonken zocht hij Cirroca weer op en liet zich haar plannen uitleggen. Dat deed ze met verliefde verve, tot hij er tenslotte mee instemde

Met vurige ijver verzamelde ze bevriende schaapjes tot een kudde die ze netjes groepeerde en instrueerde tot een bijzonder  decor, ze vergaarde zelfs een paar leden van de familie Stratus voor een sluierachtig effect. Blozend leidde ze de troep naar Cumulonus.
Hij stak er fraai bij af en zo zweefden ze statig door het luchtruim als een hemel tableau vivant. Cirroca in een holte onder zijn blinkende kuif, speurend naar een geschikt land. Ze vond er een en maakte Cumulonus attent op de plek, hij keek en zag een – inderdaad- ideaal stuk groen.
Verheugd blies hij zich op tot reusachtige proporties, haast purper van kracht werd hij groter en groter, deelde zich, liet de delen elkaar weer ontmoeten en bracht daarbij immense lichten voort, heetwitte stralen bliksemden over het land gevolgd door zware paukenslagen en roffelende xylofonen.
Het leek een spokige dans begeleid door een geestenorkest.
Juichend dirigeerde Cirroca het corps de ballet dat vederlicht en op veilige afstand rondom de aanbedene wervelde.
Dit was haar hoogtepunt in de liefde, een apotheose van het samenzijn met Cumulonus.
onweerflash-2701903__340
===

Cirroca·vervolgverhaal

In de wolken. 2

wolkenberg
Zijn collega’s echter hadden hun twijfels, niet zozeer over de vaardigheden -een groot oppervlak bewerken behoorde sinds lang tot de mogelijkheden – het was de onwil om samen te werken. Stuk voor stuk waren het eigenzinnige dikkoppen met enorme ego’s, ze wilden zelf de leiding nemen.
Cumulonus deed de ronde, vergeefs aankloppend bij deze en gene en bij iedere afwijzing verdonkerde hij hetgeen hem nog attractiever maakte in de ogen van kleine Cirroca die hem op een afstandje volgde. Zij zou graag een samenwerking met hem aangaan zij het van heel andere aard. Ze zweefde voor hem langs, ving elke zonnestraal teneinde hem haar mooiste kant te laten zien, bereid zelfs haar eigen ideaal op te geven.
Hij zag haar niet.
Uiteindelijk besloot ze, wanhopig geworden, hem een voorstel te doen, moedig schaapje als ze was.
‘Cumulonus,’ sprak ze hem aan,’als je wilt zal ik wel met je meedoen. Ik kan me in jou verstoppen en helpen met verspreiden van je ballast, zoeken naar een goede locatie door de coördinaten te berekenen…’ ze kromp een beetje toen hij zich verstoord naar haar wendde ‘… en alle vriendinnen vragen samen een scherm te vormen’ murmelde ze er achteraan. ‘Een donzig wit kleed Cumulonus, en ik zal het voor je weven.’
Hij hoorde haar aan. Onwillekeurig openden Cirroca’s woorden een nieuw perspectief, nog niet helemaal omlijnd maar doordenkend zag hij vaag een afbeelding van zichzelf, doelbewust jagend tegen een achtergrond van wervelende witheid die zijn eigen zwartheid gunstig zou benadrukken. Enig narcisme was hem niet vreemd.
‘Misschien kleine meid, misschien, laat me nadenken’ gromde hij.
==

Cirroca·vervolgverhaal

In de wolken. 1

Cirroca 1 001 - kopie
Donkere wolken verzamelden zich in een lege pek van het luchtruim.
Degenen die al aanwezig waren loerden met een schuin oog naar de nieuwkomers, stiekem controlerend of die niet zwarter waren dan zijzelf, krimpend jaloers op de allerdonkersten.
Deze behoorden tot de kanjers. Zij waren de Wolken aller Wolken en streden voortdurend om de eer wie het meeste water bevatte, de krachtigste bliksem produceerde of de knallendste donder liet horen. Wanneer de stentors onder hen hun machtige stem lieten rollen hielden de jonge wolkjes zich ademloosop de achtergrond en bedachten inwendig allerlei manieren om de aandacht te trekken van de grootheden.
Af en toe lukte dat, dan koos zo’n kanjer een schaapje uit om hem te vergezellen op verre tochten, soms verzamelde hij  hele clusters waarachter hij zich verschool om uit te rusten of om de aarde door een kiertje te beloeren op zoek naar een goede stortplaats.
Cirroca was een van die kleintjes, een donzig wattenpluksel met een krulletjeskrans die zilverig oplichtte in de zon. Zij was nog erg jong maar droomde al vroeg van een duistere loopbaan als Superstar die, laag aan het firmament staand, met dreigende zwartheid de mensheid zou imponeren. Zij leerde haar kern te behouden ondanks herhaaldelijk veranderende vormen, zodat ze tijdens het groeien een duistere inhoud zou krijgen. Ze wilde minstens eenmaal de triomf proeven van wat haar het summum leek van zaligheid:  zich volledig leegstorten op de aarde, hetzij door water, hetzij door onweer.
Begrijpelijk dat ze verliefd was op Cumulonus, een indrukwekkende donderaar, buitengewoon aantrekkelijk in zijn sombere hoedanigheid en die op zoek was naar geschikte medewolken met wie hij een samenwerkingsverband wilde aangaan. Ook hij had een droom, hij wilde in één klap een heel land bedonderen.
==

bloembak·vervolgverhaal

Bloembakstory 3

bloemen wild-flowers-571940__340 - kopie
Wederom wekte de zon alle bloembakbewoners.
‘Oeaaaahhh,  ik droomde zo kwaadaardig dat ik er wakker van werd.’ het lobeliaatje rilde er van. ‘Een eng beest kroop tussen mijn blaadjes door…’
Distel verbeet een grijns. ‘Was het geen pedopad?’
‘Allez stekel, zo kannie wel weer.’  Hoofdzonnebloem riep hem tot de orde en sprak verder.
‘Er liggen inderdaad botjes maar ze zijn klein en vooral oud, dat is niets bijzonders, mol of muis. Iets anders is de waarschuwing die we kregen: er schijnt een bloemenhater rond te lopen, een ziekelijk figuur voor wie we moeten oppassen. Diverse parken zijn al aangevallen, hun perken onherstelbaar verminkt.’
Plots scheurde een knerpend ‘RRRRRRRRRR’ de stilte aan flarden. Geschrokken richtten de stelen zich op en zagen in het aangrenzende gazon…..
‘…een grasmaaier,’ schreeuwde Amarant. ‘Duiken!’
RRRRR en een schelle stem riep. ‘Hahaaaa, dat stomme bloembakvolkje, ik snijd ze allemaal de koppen af.’
Een paar nieuwsgierige klaprozen keken voorzichtig. ‘Een verknipte kikker,’ fluisterden ze en alle bloemen gaven het door.
‘Het is een gifkikker. Hij knipt gras en straks ons ook. Pas op!’
De kikker was behoorlijk vals en joeg met grote snelheid de maaier naar de bloemen. Trillend wachtten ze op de beul en toen…
RRRRchrrr–Knal! Pang! Rook, wieltjes en schroefjes vlogen de lucht in, de geschifte kikker erachteraan. What happened??
Versuft van schrik lagen de bewoners daar, voorzichtig hieven ze hun kroonblaadjes.
‘Hééj jongens, dat was goed hè?’ Een groepje kiezelige stenen stak hun duim op naar de bloemen die ‘Reuze bedankt’ riepen, nog maar half van de schrik bekomen.

De rest van de dag gebruikten ze om te herstellen van de enerverende dagen en een verdiend feestje te organiseren voor de kiezels.
Wat een meemaaksels, bijna onthoofd, enge dromen, traumatisch gewoon.
En nèt kwamen ze ’n beetje bij bloed toen er een vreemd figuur op de rand sprong. Het droeg een geruite puntmuts en  zwaaide met een loep.
‘Aangenaam, ik ben kabouter Holmes. Vertel het maar, waar zijn de vingerafdrukken?’
Het bloembakvolkje staarde hem minachtend aan en hij droop af.
Vingerafdrukken. Dom figuur.
==

vervolgverhaal

Bloembakstory 2

bloemen wild-flowers-571940__340 - kopie
De volgende dag stond het bloemenvolkje ogenschijnlijk rustig te zonnen. Zodra echter het daglicht temperde verspreidden zich opnieuw angstige geruchten.
Een van de Koeienogen, die er in de halfschemer nogal eng uitzag met zijn verdorde kroonpieken, maakte er een spelletje van en grimaste tegen de kleintjes die angstig hun  blaadjes sloten.
Een bloem met weinig gevoel.
Er waren ook vreemde praatjes te horen.
Die werden  opgevangen door het slimme Kattekruid. ‘Natuurlijk, de herfst is weer bezig, hij beraamt een terroristische aanslag op de instromers. Laten we goed zoeken of er geen bom ligt te smeulen tussen de Afrikaantjes!’
Het werd onheilspellend stil, op het ritselen van Trilgras na. Dit lag gevoelig.
‘Maar, maar’ klonk het benauwd van een Kruipertje, altijd al een laffig plantje ‘als we nu eens net doen alsof er niets aan de hand is en teruggaan in de tijd… ‘ aller kelken wendden zich naar de jammerkont.
Niemand antwoordde.
‘Ik bedoel maar…’
De rest keek elkaar aan. Ze  wisten het ook niet en maakten zich op voor slaaptijd.
‘ – we zullen zien – ik wil een nachtwacht – ik niet – waar is de bommenmeter – stel je niet aan – haal liever water -‘
Onrustig roezemoesden ze de nacht in.
==

vervolgverhaal

Bloembakstory

bloemen wild-flowers-571940__340 - kopie
Het volkje in de bloembak bloeide mooier dan ooit.
Klimop, winde, bodembedekkers, tientallen soorten schoonheden rekten hun stelen om zo veel mogelijk zon te vangen.
Ze bezetten elke centimeter, ze waren met velen.
Allen leefden gezamenlijk, als een onnozele natuurvorm die geen ander doel had dan voortbestaan.
Maar het was schijn.
De wisteria was waakzaam in het duister, zijn takken fluisterden in de nacht. Vaagneuriënde melodiën die niettemin begrepen werden in de garden by night.
Sinds kort heerste er ongerustheid.
Alle, echt àlle bloemen bespeurden onheil. Ze staken de kopjes bij elkaar en murmelden, ijselijke geruchten verspreidden zich door de grond. Ze maakten elkaar bang met akelige veronderstellingen.
‘Er liggen botten in onze bloembak,’ zeiden een paar wijsneuzige windjes,’opa vertelde het gisteren..’
‘Echt waar?? Ze zullen toch niet van een kat zijn?’ rilden de lathyrustieners.
‘Of van het Groene Monster, hahaaaa, moord achter de bollen ‘ pestten een paar opgeschoten lummels. Natuurlijk die van de scharnier, de opscheppers.
‘O my god,’ piepten de kleine muurbloempjes, ‘..een dode onder ons, oh my Flora…’
Het was een zorgelijke tijd voor de bloembakbewoners.
Er was iets loos, dat voelden ze aan hun wortels; maar wat?
=
Wordt vervolgd

dood·vervolgverhaal

Kerkhofleven. 3

Het geraamte kijkt toe hoe Maat onhandig in diens graf kruipt, zwaait met de halve ellepijp en voor immer verdwijnt.
– Nou, tabee dan maar.
Een antwoord is niet nodig.
Besluiteloos staat hij stil, zal hij nog even kijken bij die hatelijke cactus om te zien of het echt familie van de oude Wies is? Herinneringen zweven door zijn schedeldak, vaag omrand maar onmiskenbaar een jonge vrouw met aangetaste neus, nonstop kwebbelend, mager. Wies ten voeten uit.

Hij leest opnieuw de geboorte- en overlijdensdatum. Vreemd. Het valt hem nu pas op dat er geen achternaam en doopnamen  staan noch de gebruikelijke regel ‘echtgenote (of dochter) van…’ Ook RIP ontbreekt.
Wies K.
Hij leest weer het versje waaruit meer leedvermaak dan verdriet spreekt,
‘….veelteveel geblowd en nu is ze dood.’
Kan iemand overlijden aan joints? Ook dat is vreemd.
Is er, en nu siddert hij van onverwachtse opwinding, sprake van een misdaad?
Iemand wilde van haar af.
Ze had een dealer belazerd.
Gerookt in de kerk.
Hash verkocht aan de prinsessen.
Onthecht, reeds met één been in de eeuwigheid staand, raakt hij alsnog gespannen, emoties komen op.
En dat is het allervreemdst.
==
© Bertie Bertjens

dood·vervolgverhaal

Kerkhofleven. 1

-Ouaaahhhh, gaapt het geraamte met klikkende kaken. Dat was een lange dut.
Hij wurmt zich omhoog en kruipt het gras op. Mopperend.
– Hebben de mollen mijn gang weer volgeknoeid, laat ze een andere weg nemen.
Zijn botten afkloppend onderneemt hij een wandeling langs de graven. Hm, een paar nieuwe, enkele urnen, hier en daar nog wat bloemen, hij moet diep geslapen hebben.  Minstens een half jaar, schat hij.
Wat staat daar nou op die zerk? Een cactus, nee toch, even kijken of de dode al aanspreekbaar is.
– Klopklop, trommelen de benige vingers op de steen.
En nog een keer.
Alleen een diepe kreun wordt hoorbaar. Die moet nog wennen.
Hij leest het opschrift:
Wies K. had het verkloot
veel teveel geblowd
en nu is ze dood.
Amen.
Hm. Een rancuneuze trap na, vandaar die stekelplant.
De naam komt hem bekend voor, misschien een nazaat van de Wies van vroeger, dat was me een lekkere meid en altijd in voor een snuifje.  Als hij nog vlees had zou hij zich verlekkeren bij de herinnering maar skelettisch genot, tja, nou, dat brengt hoogstens een rammeltje teweeg.
Hij wandelt naar het woongraf van een oude vriend.
===
© Bertie Bertjens.
vervolgverhaal

Die man. Slot


Met een grafstem iemand de stuipen op het lijf jagen, een flauwe grap.
Ik ging naar huis en piekerde verder.
Af en toe schoot het beeld van de man me te binnen en onwillig bekroop me de gedachte dat hij beter goede raad had kunnen geven, hij leek zo zeker van een goede afloop. Ik kon wel wat vertrouwen gebruiken.
Tenslotte koos ik voor de huisarts en mijn aardigste collega. Zij hielpen me een besluit te nemen en door de moeilijke periode, daagden me uit te vechten tegen de pijn, de  nasleep, het moeizame genezingsproces. Dankbaar aanvaardde ik hun hulp die realistischer was dan de  woorden van een vreemdeling.
En toch.
Er was die verwarrende gewaarwording voor de operatie: in de chirurg herkende ik de man van de kade maar de beelden vervlogen in nevelen. Een narcosedroom.
De droom echter achterhaalde me, verschillende keren zag ik de man. Op de kamer, in de gangen, telkens vanuit een ooghoek, Het bevreemdde me en bracht me ertoe navraag te doen bij de verpleegkundigen die me verzekerden van de betrouwbaarheid van de arts. Bezorgd spraken ze van een delier.
Verward? ik was uiterst helder!
De geestelijke die me bezocht liet ik weten geen behoefte te hebben aan godsdienstige bijstand. Ik vertelde alleen van de man aan de kade.
Waarom? Geen idee, misschien hoopte ik op bescherming van hogere machten. De priester aarzelde, waarschijnlijk speelden schaduwen van de tumor me parten?
Hij gaf me de zegen en daarmee uit
=
Nu, twee maanden later, ben ik weer gezond op een lichte hoofdpijn na.
Me sterk voelend loop ik met stevige passen, begroet de wereld en wend me naar de rivier, het bankje op de kade.
Daar zit ik en bezie de hemel aanmerkelijk opgewekter. Hij is winterachtig nu, van een somber grijs.
De plek lijkt een déjà-vu maar het is het ritme van de rivier, zich aldoor herhalend, het veer, de aken, auto’s en fietsers. Zelfs de enige wandelaar op het pontje heeft iets bekends.
Een man, donker in kleding en uitstraling, hij schijnt haast te hebben.
Plotseling verschijnt hij in mijn blikveld, slechts een paar meter van me af en kijkt me aan. Indringend.
O, nee toch…

==
© Bertie/Bertjens

vervolgverhaal

Die man. I


Het was een rillerige najaarsdag. Kil van waterkou maar mooi van licht door de afwisselende sterkte,  en jagende wolken in een herfstige setting.
Dat springerige licht, speelde het me parten?
Waren het  novemberschaduwen?
Of mijn labiele gesteldheid, die misschien een afwijkende, bijna psychotische gedachtengang in werking zette?
Nog steeds ben ik niet zeker.
Die middag zat ik op een bankje op de kade, piekerend over de uitslag van het hersenonderzoek.
 – De chirurg legde het uit.
‘We kunnen niets met zekerheid zeggen, mevrouw. We willen de tumor aanpakken volgens plan…’
Uiteraard luisterde ik; versteend,  niet wetend wat te vragen.
Tumor? Aanpakken? Kleine kans op genezing…  nooit de hoop opgeven…
Hij vroeg me dus toestemming te geven voor een miniem kansje?
Goeie god

Ik keek voor me uit.
Het pontje voer heen en weer, rustgevend door de regelmaat, desondanks bleef de wanhoop. Kon ik het maar kwijt aan iemand; nooit eerder voelde ik de breekbaarheid van het alleenzijn; de trots op mijn zelfstandigheid kwam me nu schamel voor.
Niet eerder besefte ik de waarde van een vertrouwd persoon en in gedachten zocht ik naar zo iemand, wie dan ook, iemand die me kon raden.
Een man verscheen in mijn blikveld waardoor ik overwoog op te staan; een babbeltje was het laatste waar ik zin in had. Maar hij gedroeg zich zo kalm, zo alsof hij bij dit moment behoorde, dat ik aarzelde.
‘Waarom zo zorgelijk?’ was zijn openingszin, ‘U bent nog lang niet aan de beurt.’
Verrast draaide ik me naar hem toe, kende ik hem?
Hij hield mijn blik vast. ‘Vertrouwen hebben in eigen kracht …..’
Mijn verbazing nam toe. ‘Hoezo, ik bedoel, ik kèn U niet eens!.’
Hij lachte wat, ‘dat komt wel’ en verdween.
Zomaar, weg. Had ik even niet opgelet?
Irritatie overviel me; wat had zo’n wildvreemde vent  me lastig te vallen. Interessante orakels te verzinnen, pfff, zo goedkoop. Een bleke jonge vrouw in haar eentje, allicht wekte dat het meeleven van uitslovers.  Natuurlijk zag ik er zorgelijk en ziek uit, ik wàs ziek.
=
© Bertie/Bertjens