Mist 21. Slot.

Daar keek ik van op maar toen ik zag hoe stroef zijn gezicht stond,  begreep ik dat er veel emoties meespeelden.
‘Over de kinderen?’ vroeg ik aarzelend.
Verdriet schemerde in zijn ogen, het deed me pijn en ik stond op om hen te omarmen. Ik voorvoelde problemen, wilde hem troosten. Streelde zijn gezicht, hals, zijn rug.
‘Het is zo moeilijk Bertje, daarom stelde ik het uit en weer en weer. Het was de ultieme slechtheid van Roman die me verbijsterde,  bijna mijn rouw overschaduwde.’  Hij zweeg. Ik wachtte.
‘Je moet weten dat Camilla zwanger was van een tweeling.  Mìjn tweeling. Dat hoorde ik pas toen ze al weg was, Roman liet het me al te graag weten en nog gretiger toen ze doodgeboren werden. Hij zou haar gezondere kinderen schenken, meldde hij….’
Verder kwam hij niet, mijn voorgevoel bleek juist.
Afschuwelijke geluiden vulden plotseling de keuken. Huilende baby’s, waanzinnig gelach, weeklagende vrouwenstemmen. Ik viel op mijn knieën, mijn hoofd op zijn schoot waar hij zijn ijskoude handen over mijn oren legde. Ineenkrimpend huiverde ik van angst voor de dikke mist, die vervloekte mist.  P trok me rechtop, zijn hoofd geheven prevelde hij sussend mijn naam. Lijkbleek staarde hij,  maakte vreemde tekens, het geluid zwol aan in een laatste crescendo,  nog meer tekens maakte hij, onophoudelijk tot de kakofonie afnam. Langzaam wegstierf met een helse uitschieter, op een paar doorzeurende tonen na.
Ademloos, dicht tegen elkaar als één harteklop, keken we toe hoe de laatste dampen wervelden, de grijsheid verflauwde onder zachte mineuren. Een kleine hoge noot zuchtte, als een verontschuldiging. Toen was het stil.
‘Het is voorbij’.
‘Ja.’

Ik voelde de verandering in P.  Zijn levendigheid, de blijdschap waarmee hij me kuste, het gemak waarmee hij het eten negeerde. Het ontroerde me, ons spel was oneindig zoet.

‘Ga je mee fietsen? Naar het bos?’
Onderweg spraken we niet, elkaars nabijheid was voldoende.
Alles klopte. De vlinders in mijn buik, het weeëe gevoel wanneer hij naar me keek, zijn onpeilbare tederheid,
Voor het eerst begreep ik wat het betekende van iemand te houden.

Mist 20

‘P, snap je dan niet dat het op mij levensecht overkwam? Ik beschouw jou als een kenner van bosbewoners, dus nam ik dit letterlijk.’
Berouwvol nam hij me in zijn armen. ‘Arme meid. De kwestie is dat aanvallers angstaanjagende beelden bedenken waarvoor we vluchten of ons overgeven. Ze zijn realistisch en vaak luguber, tegen beter weten in maken ze ons bang.’
Ik huiverde.  Hij verontschuldigde zich nogmaals en dacht na. ‘Toch verbaasde die  weerwolf me, ik had niet gedacht dat er nog zoveel energie aanwezig zou zijn. Maar,’ klaarde hij op, ‘het feit dat ik de beelden al sneller weet te verjagen is een goed teken. En ook dat ze ons minder lijken te achtervolgen.’
Al met al klonken zijn verklaringen niet slecht.
Fantastisch, dat wel, als een magisch sprookje, gesitueerd in de eenentwingste eeuw. Interessant maar toch: een sprookje.  Met vreemde verschijnselen.
Was ik zo verliefd dat ik alles geloofde?
Slachtoffer van een verborgen camera in een film met morbide trucages? P was knap genoeg om voor filmster door te gaan.
Dit geloofde ik niet, was tante Petri niet zelf komen aanzetten met P of zou zij in het complot zitten?  Een belachelijk idee, ik werd zoetjesaan psychotisch.
P kneep in mijn arm  ‘Hallo, ben je er nog? Denk je na over de eigenschap die jij ook bezit?’
‘Maar,’ vroeg ik me af, ‘waarom merk ik daar zelf niets van?  Is dat niet vreemd?’
‘Lang niet alle paranormalen zijn zich van hun gave bewust. Als ik niet verliefd op jou was had ik het je ook niet verteld.’
Zozo. Kon hij niet van me houden zonder die poespas?
Voordat ik opnieuw zou piekeren wijdde ik me aan het eten.
– Liefde is blind-  luidt het adagium, zeer zeker maakt het ook hongerig.
We aten als wolven, een vergelijk dat me grappig voorkwam. Met een ggggrrrr stortte ik me op een broodje en hapte met ontblote tanden. Hij kon er niet mee lachen.
‘Ik kan je beter de rest vertellen,’ zei hij gauw,  bang dat ik hem niet ernstig meer zou nemen.

Mist 19

Zwijgend legden we de laatste meters af, stalden de fietsen en gingen tante Petri’s woning binnen.
Ik wees hem naar de bank en posteerde me voor hem. ‘Leg uit.’
‘Ach prinses, je zou altijd boos moeten zijn,’ probeerde hij nog maar ging vlug over op een redelijker toon.  ‘Ik, eh, doordat je ‘leesbaar’ bent heb ik je stiekem beïnvloed, een heel klein beetje maar hoor, dat zei ik toch al?’
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Je zag er zo prachtig uit toen ik je vond,  als een sprookjesmeisje en ik fantaseerde je tot een echte, en eh, onwillekeurig ging  ik te ver, soms doe ik het nog, dan ga jij adellijk spreken, heel sexy en zo…   ‘ Bedremmeld keek hij naar de grond. ‘Ik weet dat het kinderachtig is maar af en toe kan ik het niet laten, heel eventjes maar en jij reageert prompt.’ Smekend keek hij me aan. ‘Dan laat ik het meteen los’.
Hij voelde zich duidelijk lamlendig. Ik ook. Wat een bespottelijke vertoning, je vriendin aanzetten tot prinsesselijk gedrag en dan nog een uit de middeleeuwen ook. Waren die Roemenen zo achterlijk of alleen die uit de wouden?
Net wilde ik hatelijkheden spuien toen ik me bedacht.  Was het wel zo erg, een man die je als een prinses zag? Complimenteuzer kon je het niet bedenken en die woorden,  ‘storten wij ter neder’, dat is lachen. Kom daar eens om bij de Oranjes. Ik grinnikte. Hoopvol deed P mee.
‘Laten we wederom ons stalen ros bestijgen,’gierde ik. ‘En opletten dat het gewone volk ons niet hoort.’
Nu lachte hij volop mee.

Bijna alles was nu verklaard. Bijna.
De rest kreeg ik er ook wel uit, eerst eten. In tante Petri’s keuken en koelkast zou voldoende aanwezig zijn.
Genoeglijk inspecteerden we samen de voorraad. Avonturen maken hongerig blijkbaar.
‘Bertje, ik ben zo blij dat we het eens zijn,’ begon hij uit zichzelf. ‘Samen kunnen we ze aan, de kwaadaardigen, nee, ik lach je niet meer uit. Wat hebben we nu allemaal?’
Ik lachte. ‘Wat eten we niet? We hebben aldoor honger. Tonijn, kaas, broodje bloedworst?’  Hij slikte het.
Dat deed me aan iets denken. ‘Die bloeddorstige weerwolf, bestaat die echt?
‘Nee joh, dat planten ze in iemands geest om schrik aan te jagen. Grenzen beschermen. Zo ook met het akelige geluid.’
‘Maar… jij geloofde dat het een echte was, die pijn had.’
P keek verbijsterd. ‘Geen wonder dat je de bossen niet meer in durft. Wat spijt me dat Bertje, ik was niet duidelijk genoeg..’

 

Mist 18

‘Ik kan het haast niet geloven. En toen?’
‘Toen? Niks. Er viel niet te onderhandelen of te rechten. Ik zon op wraak, wist niet hoe, uiteindelijk besloot ik te vertrekken. Voorgoed en zo ver mogelijk weg van kwade invloeden, rekenend op hun tanende macht, wachtend op een snel verval van hun verderfelijkheid. Wacht even…’
Met een stap stond hij midden in de keuken, de ogen omhoog bliksemend.  Onwillekeurig keek ik mee en schrok me wezenloos. Het was een gewone jongeman die omlaag staarde, de uitstralende haat daarentegen was immens.
Gebed in een giftige mist hing hij tegen het plafond, een vleug triomf op het gezicht tot P het afweergebaar maakte waarop het beeld verdween.
Na de gebeurtenissen in het bos dacht ik gehard te zijn; en nu dit.
IJskoud was ik en rilde. ‘P, was dat die Roman?’
Hij knikte, leek meer  kwaad te zijn dan bezorgd. Een gunstig teken?
‘Stukje fietsen? Ik moet lucht hebben.’ Hij leek vrijer.
‘Door het dorp, je krijgt me de bossen niet in voorlopig.’
We stapten op.
In het winkelcentrum, rondom de kerk, langs de straten, overal heerste een normale sfeer. Het was onvoorstelbaar dat er tegelijkertijd een onderstroom van telepathie door de plaats zou vloeien.
Te dicht naast elkaar rijdend haakten de sturen ineen. Zenuwachtig lachend  riep ik: ‘Zo storten we ter neder’ en schrok meteen, waar haalde ik dat toch vandaan?
‘Naar tante Petri’s huis,’ dirigeerde ik, ‘kun je me eindelijk iets uitleggen over de deftige onzin want dat begrijp ik nog steeds niet.’ Driftig stompte ik zijn arm.
Geloof het of niet, hij werd vuurrood.

Mist 17

‘Hmmm, lekker,’ murmelde ik waarna ik hem  zachtjes van me afduwde.

Hoeveel hij ook verteld had, ik wilde àlles weten, voor minder deed ik het niet.
‘Waarom ga je niet door, je mag me niet afschepen met vaagheden, de feiten lopen allemaal door elkaar.’
‘Maar het is toch toch duidelijk?’ Hij was verbaasd.
‘Voor jou ja. Voorlopig weet ik dat je bent ontsnapt aan een criminele groep machthebbers met bijzondere eigenschappen, zij achtervolgen iedereen die hun macht kan breken en straffen gruwelijk. Na een aanvaring met het neefje van de baas  wilde jij ook weg ondanks het risico van gevangenneming. Hij had je vriendin afgepikt, terwijl jij toch al op haar uitgekeken was.’
Met opzet gebruikte ik een kleinerende samenvatting in de hoop hem te prikkelen zijn geschiedenis op een minder hortende manier onder woorden te brengen.
‘Ik begrijp het.’  Hoewel gekwetst accepteerde hij het.
‘Laat me eerst nog een keer controleren.’ Ik knikte. Hij keek in zichzelf en knikte ook, blijkbaar was de situatie in orde en hij vervolgde.
‘Roman,’ vertelde hij, ‘was gewend zijn zin te krijgen maar nu lukte het hem niet meteen. Pas na onze passie kreeg hij een kans; Camilla en ik, we verveelden elkaar en daardoor gaf ze gehoor aan zijn hofmakerijen.  Hij beloofde haar hemel en roze wolken, huizen en alles wat erbij hoort, zoete wijnen en pulserende liefde.  Je begrijpt dat ze al snel in zijn ban raakte.  Welk meisje zou daar niet voor vallen?’ besloot hij met een minstens zo vurige kus.’
Zijn zachte mond deed me zuchten. Even vroeg ik me af of liefde alleen niet genoeg was.
Nee. Ik wilde graag alles weten zonder dramatische franje.
‘P,  lieve afleidingssmoesjes laat je achterwege.’ En nu speelde ik het hard. ‘Het kan me geen reet schelen of je ja dan nee belaagd wordt door welke idiote geest ook. Je vertelt verder. NU.’
‘Toe nou Bertje,’ begon hij klaaglijk, beheerste zich dan.

‘Goed. Toen Camilla overstag ging voelde ik me opgelucht en vrij.Het duurde enige weken voor ik begreep dat er niets mis was.’
‘Het ging te gladjes?’
‘Ja. Iets vreemds aan Romans manier van doen. Het strookte niet met zijn jaloerse karakter om geduldig zijn beurt af te wachten en dat bleek al spoedig. In de tijd dat Camilla en ik ons vermaakten had hij mijn huis gekocht met alles wat erbij hoorde. Nee, wacht nou even,’ weerde hij me af. ‘ik erfde indertijd het huis en landerijen inclusief personeel en gaf het beheer in handen van een zaakwaarnemer. Vertrouwd volk, dacht ik. Waarvan ongeveer de helft gehersenspoeld bleek door de graaf. Het laat zich raden dat het voor neef Roman een koud kunstje was overdracht en akten te regelen. Ik kreeg een officiële oproep om afstandspapieren te tekenen -een formaliteit ..’Hij boog zijn hoofd, beschaamd en nog steeds verbijsterd.
‘Alles was ik kwijt en waarvoor? Hij had haar toch wel gekregen. Ik was dakloos.’
Sprakeloos zat ik, dat kon toch niet in deze eeuw.
Roemeense wouden, weerwolven, allá,  helderziendheid, dictators, het was al beroerd genoeg maar stiekem een huis onder iemands kont vandaan kopen, dat mocht niet.
Niet in de EU.

Mist 16

‘Jou merkte ik op in mijn geest. Tegelijkertijd ontdekte ik een vrouw in de echte wereld, ze was verdwaald in de bossen rondom ons dorp.’ ‘Tante Petri?’ ‘Ja. Hoewel zij geen bijzondere signalen uitzond las ik voldoende  om te zien dat ze uit dezelfde omgeving kwam als jij. Sterker, zodra ze mij zag dacht ze aan jou.
‘Dat verzin je…’
‘Nee, in haar gedachten zag ze ons herhaaldelijk samen.’
Verstomd zag ik dat hij dit gewoon vond, niets in zijn blik wees op arrogantie.
‘Ik zorgde dat ik haar ontmoette en hielp haar op de juiste weg. De rest weet je.’
‘Nou ja, dat je met tante Petri kennismaakte en zij je uitnodigde voor een vakantie en, ja, ze leek ons graag te koppelen. Van jou weet ik nog steeds niets.’
Hij schoof een leunstoel bij en trok me op zijn schoot.
‘Eens,’ begon hij, ‘had ik een vriendin, een heel mooi meisje. Ze heette Camilla, als een echte jageres. We hadden een wondermooie tijd, toen raakte de liefde op, zo gaat dat soms. Intussen speelde Roman’s jaloezie op de achtergrond, een man die alles wil hebben wat hij begeert. Hij is een neef van de eigenaar van het dorp, graaf Vlad, wat je…..wat is er?’ ‘Graaf hoe? ‘proestte ik.
‘Ja, ik ken de verhalen. Dit is anders. Hij heet echt zo en is een van de meest kwaadaardige heersers, bijgestaan door een duivelse kliek. Een raad van, in jullie taal, keiharde klootzakken. Zíj willen de gemeenschap in stand houden, ze willen de macht houden, het verziekt ze totaal.’  Dit wist ik al.
‘Het is een aflopende zaak. Kwestie van evolutie, ook de meest afgelegen groepen ontwikkelen zich uiteindelijk en daarmee gaan primitieve gaven verloren. Onmiskenbaar.’
‘Ze proberen dit tegen gaan?’
‘Ja. Met alle middelen die ze nog hebben, afstand doen van macht is hun schrikbeeld. Ik heb je verteld hoe wreed ze zich manifesteren.’  ‘Maar jij kunt je verdedigen.’
‘O Bertje, je bent de onschuld zelf’.’
‘Ik zag het toch? P?’
Hij begroef zijn hoofd onder mijn trui.

Mist 15

Je zou denken dat verliefdheid alle ernst achter zich liet. Zelfs de sloomste vrijers waren tijdelijk niet ontvankelijk voor enig realisme, maar hij was anders.
‘P,’ vroeg ik resoluut, ‘nu wil ik een paar antwoorden, straight.’
Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ik wacht.’
‘Zijn alle mensen uit je vorige woonplaats zoals jij?  Zo weinig, eh, beheerst? Is het je temperament? Speelt je achtergrond mee? Verlies van je geliefde en nazaten?’ De overdreven woordkeus viel me zelf op.  ‘Of,’ viel me in, ‘had je een hoogstaande functie?’
P zei niets.
‘En dan nog wat, waarom preek ik weer als een barones in een lachfilm? Ben ik ook onder invloed, als jouw ‘zusje’? ‘
Hij dacht na.
‘Ik noemde jou mijn zusje omdat er signalen waren. Vraag me niet naar de werking feit is dat we vaak iets merken van verwante zielen. We noemen ze broers en zussen, verder negeren we ze; paranormale geesten komen zo vaak voor. Totdat ik, verbitterd en  wraakzuchtig, naar wegen zocht om onder de kwaadaardige druk uit te komen en luisterde naar een teken van zo iemand. Een jonge vrouw, naïef, onwetend van haar gave, ergens in het westen.’
‘Maar…’ Ontzet keek ik op. ‘Wat merkte je dan?’
Hij glimlachte. ‘Beelden van een man, geblondeerd? een ijsberg, een schip…’
‘Duizenden vrouwen zwijmelden bij DiCaprio’s Titanic,’ verweerde ik me terwijl ik met afgewend gezicht aan vijftig grijze tinten dacht.
‘Natuurlijk. Net als bij het lezen van E.L.James.’ Ik bloosde. ‘Toch herkende ik je enigheid, als onwetende kun je je niet afschermen.’
‘Iedere geest is uniek en jij kan ze allemaal lezen? Zomaar? Ik weet niet of ik dat op prijs stel. Wat had je gewild, dat ik jouw geesten zou bezweren?’
‘Hoor eens Bertje, daar hoef je niet zwaar aan te tillen.We zijn het gewend en zien het als een normale ontmoeting, er komen geen karakteranalyses door. En nog wat, ik ben blij dat ik je gevonden heb om een heel andere reden.’ Hij nam mijn handen en stopte abrupt. ‘Later meer, er is een donkerte, ergens.’ ‘Een luchtig ontbijtje?’ Met een veelbetekenende knipoog trok hij me mee.
Ik begreep het. Geen informatie verstrekken. Nietszeggende onderwerpen.
Na tosti’s en koffie leek voor hem de lucht te verhelderen.
Hij keek rond, ‘ik waag het erop.’
Ik luisterde.

Mist 14

De vrijpartij ten spijt maakten mijn hersens overuren.
Ik kon de situatie nauwelijks bevatten. Op zijn minst was het merkwaardig de voorgaande gebeurtenissen voorbij te zien trekken. Mocht iemand me een dergelijk verhaal opdissen, ik zou hem verdenken van een onvolwassen hang naar sensatieboeken.
Liep Oost-Europa wel of niet achter op het westen? Was de invloed van de wouden en steppen inderdaad zo groot dat  bepaalde eigenschappen werden geactiveerd bij de oorspronkelijke bewoners, eigenschappen die wij paranormaal noemen? En de overige Balkanlanden dan? En Rusland? Of was er sprake van uitgekookte illusionisten die  toevallig hun draai in Roemenië hadden gevonden?  Met psychologische trucjes en zogenaamd geheimzinnige kastelen?
Nu de sfeer loom en mild was besloot ik het nogmaals te vragen.
‘P, kun je erover praten? Ze hebben je nu toch al gelokaliseerd. Ik kan je toch  helpen?’
Hij glimlachte, zag dat het me ernst was en lachte voluit.
Voorzichtig lachte ik mee. ‘Ik méén het. Als jij me dat gebaartje leert en die bijpassende woorden, kunnen we ze toch samen afweren? Dat is dubbele kracht.’
Hij stopte met lachen. ‘Weet je wat het is met jou, waarom ik lach?’
‘Dat ik een groentje ben dat mee wil spelen? Ja hoor heel grappig,’ gebelgd gaf ik antwoord, ‘maar zelfs een deskundige staat sterker met wat hulp. Desnoods de mijne.’
Hij plaagde. ‘Vergelijk het met een kleuter die zijn moeder beschermt met een waterpistool…’
‘Klets niet zo antiek. Je bent niet alleen wispelturig, je weet ook te beledigen.’
Hij lachte niet meer, keek zorgelijk naar mijn gezicht.
‘Het spijt me, Bertje. Deze plagerij, niet meer dan verliefd gedrag, heb ik nodig om mijn angst te verwerken en me op te laden voor een nieuwe confrontatie. Ik wil je niet verliezen, ik heb je nog maar pas.’
En weer werd ik getroffen door zijn ernst.

Mist 13

P zei niets meer, zijn zwijgen was beklemmend genoeg. Ik zou niet graag in de schoenen van zijn vijanden staan, vooropgesteld dat deze überhaupt schoenen droegen. Was Roman wel een persoon? Een abstractie? Hoe moest ik me een ‘gedachte’ voorstellen? Of bedoelde P datgene wat hij het Kwaad noemde?
Herhaaldelijk verzonk ik in gepeins, de laatste dag had ik meer gepiekerd dan in mijn hele vorige leven. In mijn..   Er flitste wat in mijn hoofd, hoe kwam ik daar bij? ‘P,’vroeg ik geschrokken, ‘wat gebeurt er? Hoe komen mijn gedachten zo eigenaardig? P?’ Ik drong aan.
Hij keek me met zoveel warmte aan dat mijn schrik direct verdween, meteen nam een vinniger gevoel de plaats in. ‘Wie was trouwens die vorige geliefde?’
Ai.
Dat had ik beter niet kunnen vragen.
Hij vertoonde een woede zo snel opvlammend dat ik achteruit deinsde. Zijn ogen bliksemden bijna letterlijk.
Mijn god, gebeurde dit echt?
‘Bertje, terg me niet met jaloezie. Daar heb ik geen tijd voor, zij heeft niets te maken met wat jij voor mij betekent. Haar verdwijning was vooral vreselijk doordat het mijn kinderen meesleurde, je hebt geen idee van de pijn.’
Hij deed zichtbaar moeite zich te beheersen.
Andermaal kreeg ik medelijden – hoe vaak al?- en betreurde de vraag.  Toch voelde ik me in de hoek gezet en probeerde dat duidelijk te maken.
‘Luister P, ik houd van je, weet je nog? Je reageert zo heftig dat ik het straks niet meer durf te zeggen, laat staan een vraag stellen. Is dat wat je wilt?’
Hij sloeg de armen om me heen. ‘Het spijt me Bertje,’ berouwvol, ‘ik ben te impulsief.’ Primitief verbeterde ik in stilte. ‘Ik wil je niet kwetsen, nooit. Het is wanhoop om alles, dacht ik ze te hebben afgeschud, halen ze me alsnog in. Niet kwaad zijn, toe…’
Vleiend streken zijn lippen langs mijn gezicht, precies de goede manier om me mild te stemmen.
We gingen terug naar bed

 

Mist 12

‘Waaaahhh,’ P gaapte uitgebreid in mijn haar waardoor ik meteen wakker werd.
‘Is dit nou love at first bite? Wat denk je? Vertel me. Eerst een kus. Waar?’
We plaagde en vrijden nog wat voor we opstonden.  P was levendig en fit, zelf was ik juist onrustig ondanks de sexy nacht.
Het was zeven uur, het rottige tijdstip dat je beter de gordijnen dicht kon hebben, vooral op een kille herfstochtend. De kleur van de dag is beroerd, half licht of half donker hetgeen je het woord hazegrauwen doet begrijpen. Gevoegd bij P’s problemen voelde ik onvrede.
Van de douche knapte ik wat op.  Opgeruimder stond ik net voor de spiegel toen ik hem hoorde roepen, hij noemde mijn naam en vreemde woorden die me niets zeiden. Terstond waren de raadsels er weer. Ik vloog naar de slaapkamer, daar stond hij voor het raam, woedend nu, ‘pas op Roman,’schreeuwde hij, ‘Bertje is míjn…’
Er was niemand buiten, niets dan duistere mist.
P zag wel iets. Of iemand.  Was het de Roman tegen wie ik hem al tweemaal hoorde spreken?
Ik wist het niet en wachtte, minder bang nu er geen griezels te zien en te ruiken waren.
Na een paar seconden veranderde zijn houding en gezichtsuitdrukking, verzachtend naar mij toe.
‘Geloof je me nog?’ Ik knikte. ” Zag je het?’  Nee, schudde ik. Verbaasd herhaalde hij ‘Helemaal niets? Echt niet?’
‘Echt niet, alleen mist en dat het lang donker blijft vandaag.
Hij wees naar het raam ‘kijk dan nog eens.’
Op mijn beurt verwonderde ik me, de nacht was opgetrokken, de lucht was helder.
‘Maar,’ ik stokte, ‘hoe kan dat, waar zijn de schemer en mist gebleven?’
‘Dat was Roman, iemand die zich bij voorkeur in nevelen hult. Daarin houdt hij zich schuil en denkt me voor de gek te houden, ha, hij weet nog niet hoe sterk in intussen ben.’
Hij dacht even na, besloot toen een volgende tip op te lichten. ‘Roman heeft me éénmaal mijn geliefde afgenomen en tweemaal mijn kind,’  smart werd zichtbaar, ‘ik laat hem niet jou ook nog weghalen.’
Verdriet veranderde via woede in haat, nooit eerder kende ik iemand met een gezicht zo vervuld van expressie.