Herfststorm in drie hoofdstukken. Slot.

Toen grepen we in.
Een ramp overleven en met een aftandse haas afgescheept worden? Nee…
We keken  elkaar aan en begrepen.
Brachten het waterkanon in stelling en schoten Willem met al zijn dieren de fietsenstalling uit, de donkerte in, Sjaak en de leeuw joegen we er achteraan. Haas en kalkoen stopten we in een zak, daar zou de kookschool wel weg mee weten.
De scholieren namen de buit in hun armen, vertroetelden en voerden wortels en maïs. ‘Eerst bijvoeren,’ zeiden ze, ‘dan zijn ze met kerstmis eetbaar.’ Daar hadden beide dieren vrede mee.
Dankbaar waren de leerlingen ook, ze hadden niet veel op met loslopend vee en schreeuwende broers, ze bakten als dank verse aardappelen met champignons,  maakten verantwoorde mayonaise  met tijm en peterselie, ze plukten zelfs tomaten en sla, en dat midden in de nacht.
Gretig doken we op de maaltijd, hongerig als we waren door de stormachtige gebeurtenissen.
Na de koffie bekeken we ons huis waar de ravage ons zo afstootte dat we meteen om een voordelige woning mailden die onmiddellijk werd geleverd.
We zetten hem op een mooie plek.
In de opkomende zon en een schoongewaaide lucht rustten we uit op ons spiksplinternieuwe terras met uitzicht op de populinde waarvan de takken al aardig uitliepen.
We waren moe. Een nacht als deze, besloten we, willen we nooit meer meemaken.
En sliepen in.

Advertenties

Herfststorm, verslag in drie hoofdstukken. 2

We verbleekten.
‘Zou je niet gaan zoeken, misschien ligt hij wel dood onder de takken. En waarom gebruikte je onze bomen?’
‘Ach, what’s in a tree. De leeuw ligt volgevreten in zijn mand maar m’n broer zal wel in de buurt zijn.’ Hij keek vaag om zich heen. ‘Sjaak, waar ben je?’
Prompt reageerde het beestenspul, angstig, ze kenden Sjaak en diens leeuw. Ze worstelden met de takken en elkaar, kwamen los en vlogen over alle barricades naar buiten.
‘Hela!’ Willem protesteerde, ‘terugkeren jullie, tis melkenstijd…’ maar het vee luisterde niet.
‘…extra hooi’ gooide hij er achteraan en toen, venijnig: ‘..of ik bel het abattoir.’ Dat hielp. Ze kwamen terug, de hond wierp een lasso om hun nekken en hield de wacht.
Wij speurden ondertussen naar Sjaak.
Eindelijk, na de vlucht van de allerlaatste hamster, zagen we hem; zijn voeten staken onder de tafel uit. Hij sliep.
Willem schopte hem,’verdomme,’ vloekte hij, ‘heb je niks beters te doen? We barsten van het werk.’
Sjaak schrok. ‘Au, bedankt. Het is jouw farm, ga je gang.’ Hij sliep verder.
Kwaad keerde Willem zich naar zijn vee dat hij voor nood zolang in het fietsenhok van de kookschool parkeerde waar de heerlijkste geuren hen ten deel vielen daar de examenklas op een bijzonder nachtgerecht oefende. Verrukt rook het dierage  de gepofte maïs en de veldsla, geïnspireerd fabriceerden zij intussen hun weidemelk en graneneieren.
‘Ahhh,’ genoot ook buur Willem, ‘laat die luiaards maar snurken.’
Prompt schoten Sjaak en zijn leeuw wakker. Beledigd doken ze gezamenlijk de plaatselijke wildernis in.
Luid snuivend en vol mannelijke passie jaagden ze en kwamen te voorschijn met een tegenstribbelende kalkoen (Luister, tis nog lang geen Kerstmis…) en een slome haas die weliswaar Pasen had overleefd maar er niet malser op was geworden. Fier legden ze de buit aan onze voeten.

Herfststorm, verslag in drie hoofdstukken. 1

Ongelooflijke dingen maakten we mee.
Het stormde.
Deuren klepperden,  de schoorsteen schudde op het dak. Ruiten rinkelden als tamboerijnen, het was opwindend en we deden wedjes welke boom het eerst zou omvallen, de lindeboom aan de voorkant of de populier op het achtererf.
Ons lachen verging toen er gekraak weerklonk en schurend gekners. Zware dingen denderden op ons neer, lampen doofden en plotseling was het stil. De storm was zo geschrokken van zijn eigen kracht dat hij in zijn schulp kroop.
Maar toen.
Vanuit het donker kwamen vragende geluiden tevoorschijn; piep? kwaak? tok? boe? Allengs moediger en weldra klonk het beestenkoor keihard. Het mekkerde en hinnikte, siste en krijste, en nog veel meer dierentalen hoorden we. Het was een vreselijke herrie. Geschrokken kreunden we mee.
Na een paar bange minuten verscheen er licht door alle obstakels, het was de hond die zover gedomesticeerd was dat hij eigenvoetig de noodaccu had gevonden.
We keken rond en zagen onze weddenschappen gewonnen en verloren. Zowel de lindeboom als de populier waren omgewaaid en lagen in de kamer, met de halfkale takken in elkaar verweven; je kon zo al zien dat deze kruising een geslaagd resultaat zou opleveren maar we dachten daar niet zo gauw aan.
We hesen ons omhoog,  verbijsterd zagen we tientallen dieren hetzelfde doen. Dom keken ze terug.
‘Hoe, wat…,’ stamelden we toen we achter drie varkens en een bibberende geit de pet van Willem Kleimans herkenden, een buurboer. ‘Effe wachten,’ riep hij terug en vocht zich los uit een kluwen populindetakken.
‘M’n boerderij ligt plat,’ begon hij, ‘ook de stallen; de beesten werden bang zodat ik ze aan de bomen vastbond. Het pluimvee aan de populier en de rest aan de linde maar er kwam een vos en toen vluchtten alle kippen omhoog; toen het andere vee dat hoorde klom het ook, uit solidariteit. Ik kon ze niet meer tegenhouden.’
‘Jaja, waar is die vos dan?’ spotten wij want wie gelooft er nou zoiets.
‘Die is opgevreten door de huisleeuw van m’n broer Sjaak.  Die moet hier ook ergens zitten…’
‘Wàt?’

Morgenavond hoofdstuk 2

Sportdag van de spinnen. Vierde en laatste deel.

Ze weven grapteksten tussen de takken.
‘ET in Spinnenland’, ‘The Martians are coming’. Kinderen doen mee: ‘Gremlinspider voor Sinterklaas.’
De mens, zich niet bewust van de commotie boven zijn hoofd, drentelt ongeduldig heen en weer; hij vraagt zich af wanneer er een ruimteboodschap komt en gaat zelf op onderzoek uit.
Hij speurt in alle richtingen en bukt onder struiken, tuurt herhaaldelijk de hemel af maar niets verwijst naar een UFO, helemaal niets valt er te ontdekken.
Mijn god, hij heeft zich vergist.
Wat nu.
Hij kan het het beste als een grap afdoen. Niet dat Lies het als zodanig zal zien. ‘Geen bewijs = roze olifanten’ zal ze snebbelen, haar gebrek aan fantasie is grenzeloos. Wat een vooruitzicht. Kon hij zijn berichten maar terugdraaien.
Hij kijkt naar de spuitbus in zijn hand; na een steelse blik over zijn schouder draait hij het bovenstuk los en neemt een snelle slok, ahhh, dat doet goed. Met verlicht lood in zijn schoenen loopt hij naar zijn auto en rijdt naar huis.
Opgelucht zien de spinnen de jammerlijke afgang van de mens. Ze bungelen uit de takken en spannen de spieren om het sportveld te restaureren maar een van hen roept.
‘Hela, wacht. Het is tijd, Araneae aller landen: verzáááámelen!’
Een wild gejoel volgt, ze rennen door elkaar, huppelen en springen, ze vergeten het sportgedoe en klitten rond de spreker.
‘Luister. Over een half uur is de zomer voorbij, hoogste tijd om serieus te worden. Ieder kent zijn werkgebied en denk eraan: gedraag je netjes, handel als een gentlespider of wees ladylike.
Over drie maanden geef ik het eindsignaal en zien we elkaar op het uitrustveld waar…’  hier veroorlooft de spreker zich een draadje humor ‘… hopelijk mens noch UFO ons zal vinden. Laten we nu gaan, Ariadne zij met ons”.
En zo luiden ze de herfst in.

Sportdag van de spinnen. Deel 3

“Hmmm, ik weet toch zeker dat ik hier ergens stemmen hoorde,’ mompelt de mens terwijl hij rondkijkt. Aarzelend zet hij nog een paar stappen, geen weet hebbend van de geweven ingang, en deinst terug. ‘Gàtverdàmme.’ Hij veegt over zijn gezicht, grote flarden omkransen hem, zijn schouders,  buik en rug zitten vol. Het is een grote poort.
Met afschuw bekijkt hij de glinsterende draden die plakkerig aan zijn handen en kleren zitten; ‘het lijkt wel een web van honderd spinnen tegelijk’ en de verscholenen houden hun adem in bij zoveel inzicht.
Eindelijk is de mens webvrij en loopt langzaam verder, speurend naar het geluid dat hij hoorde. Hij loopt over het grasveld en lomp in zijn onnozelheid schopt hij alle hardloopbanen in de war. Hij trapt ook de wedstrijdweeftenten plat. Hij herkent niets van de faciliteiten die bij een spinnensportdag horen, zelfs niet het platform van waaraf gebungejumpd en geplatbommetjed werd en het schunnige kraampje van de lustige weeuwen ziet hij slechts als een ragknoedel.
Ademloos spieden de spinnen vanuit de bomen en bedenken alvast nieuwe afwerende spinsels.–
Hij krijgt het warm, na een rondje over het veld knielt hij neer bij de sportvijver om zijn gezicht te verkoelen. Hij buigt voorover en net als hij water wil opscheppen ziet hij de grote weefdraden die kriskras over en door het oppervlak gespannen zijn. Hij deinst achteruit. Hij kijkt nog eens rond, denkt, fronst. Dan belt hij zijn vrouw.
‘Hi Lies, waar ik nou in beland ben, dit heb je nog nooit gezien. Nee, als ik het verraad kom je niet. Nou vooruit dan. Een grasveldje met overal spinnenwebben. Letterlijk o-v-e-r-a-l. Zelfs een poel hier zit er vol mee. En geen spin te bekennen…wàt, NEE mens, ze zijn NIET roze… hè?… dan niet’. Akelig wijf, mompelt hij er beledigd achteraan.
Hij stopt het mobielttje weg en bekijkt nogmaals de restanten van de spinnen. Wederom ziet hij geen beweging, zelfs geen verdwaald vliegje. Besluiteloos blijft hij staan. Hij hoort het geluid niet meer, waarschijnlijk is er een logische oorzaak.
Deze niet-oplossing is weinig acceptabel en onvoldaan maakt hij nog een rondje. Het maakt hem niets wijzer.
“Het was een rare stem”, prevelt hij voor zich heen, “zoiets als in een oude ruimtefilm.’
Dan blijft hij doodstil staan.
‘UFO. Natuurlijk, een Ufo, dat moet ik Lies vertellen.’ Hij belt en belt maar ze is er niet. ‘Schat’, spreekt hij opgewonden de voicemail in, ‘geloof me nou, ik zit echt niet aan de whisky. Luister, er is een Ufo geland, ik wacht op contact…..’
De spinnen vallen zowat uit hun schuilplaats van het lachen.

Morgen laatste deel.
Bertjens.

Sportdag van de spinnen. Deel 2

Sommige wedstrijdjes leveren problemen op; een Hardloper heeft stiekem teveel poten aan de grond, er raken ledematen in elkaar verstrengeld, bij de Wevers is kinnesinne over draaddiktes. Met Waterlopen is het vooral druk voor de reddingzwemmers, veel jonkies schatten de oppervlaktespanning niet goed in en gaan kopje onder hetgeen leedvermakelijk gejouw uitlokt van de Platbommers. Dan is het knokken waarna een glas Bavariachnibier de vrede hertekent.
Het is, kortom, een fantastische dag, een typisch maar genoeglijk sportevenement.

Halverweg de middag echter is er een vervelend intermezzo: er wordt een mens gesignaleerd.
De automatische uitkijktoren, die alleen maar aangestekkerd is omdat het in de reglementen staat, laat om kwart voor drie een aarzelend signaal trillen. Enkele alerte spinnen kijken op maar de meesten schenken er geen aandacht aan. Er gebeurt immers nooit wat bijzonders.
Na vijf minuten volgt opnieuw een signaal, dringender. Nu staken alle deelnemers hun strijd en begeven zich naar de ingang, benieuwd naar en hopend op sensatie.
Ze drommen met trappelende poten om de toren die een antieke robot-manier van communiceren heeft:
–Menss komt—heeft -blieb-full..eh..flitsssspuit—vorm defenssie alsjsjstublieft—Tarantula’s vooraan–grchchchmenssssss komt—prrrrut  Dit herhaalt hij enige malen tot hij zijn blikken geest geeft.
De spinnen spugen vol minachting op dit staaltje ouderwetse rotzooi. Ze trekken hun eigen plan en begeven zich in wriemelende draf naar het geboomte waar ze veilig in de takken hangen als er inderdaad een mens komt met een, eh, spuitbus.

Morgen verder.

Sportdag van de spinnen. Deel 1.

Ergens ligt een uitgestrekte lap grond waarop alle spinnen ter wereld een gezamenlijke sportdag houden.
Het is een gemoedelijk samenzijn en lijkt op een braderie.
Ieder jaar worden hier op feestelijke wijze wedstrijdjes gespeeld. In weefkunst bijvoorbeeld, onderverdeeld in diverse disciplines zoals Trechter-, Hangmat- en Wielwebben.
Of in hardlopen met acht of minder poten (naar keuze), zelfs in hinkelen en platbommetje waarbij de poten stervormig uitgespreid staan. Waterlopen en bungeejumpen aan een zelfgetrokken draad of webtrampolinespringen.
Cliffhangen. Vliegen vangen.
Patserige typen zijn er ook. Ze vergelijken elkaars harige poten, houden wedstrijden om de helderste rugkruisen.
Een beetje achteraf staat een luguber tentje met het opschrift:
WIE DURFT? VRIJ EN EET!
Hier trainen de duistere weeuwtjes die door hun gulzigheid immer oefenmateriaal tekort komen en daarom de waarheid op een giftige manier verdraaien. Ze hebben het nooit erg druk ondanks de verleidelijke poses waarmee ze op hun zelfgesponnen dekentjes voor het open raam zitten te heupwiegen.

Zo is er voor ieder spinnenras een onderdeel waarin ze hun trainingsresultaten mogen showen.

Morgen verder.

Mist 21. Slot.

Daar keek ik van op maar toen ik zag hoe stroef zijn gezicht stond,  begreep ik dat er veel emoties meespeelden.
‘Over de kinderen?’ vroeg ik aarzelend.
Verdriet schemerde in zijn ogen, het deed me pijn en ik stond op om hen te omarmen. Ik voorvoelde problemen, wilde hem troosten. Streelde zijn gezicht, hals, zijn rug.
‘Het is zo moeilijk Bertje, daarom stelde ik het uit en weer en weer. Het was de ultieme slechtheid van Roman die me verbijsterde,  bijna mijn rouw overschaduwde.’  Hij zweeg. Ik wachtte.
‘Je moet weten dat Camilla zwanger was van een tweeling.  Mìjn tweeling. Dat hoorde ik pas toen ze al weg was, Roman liet het me al te graag weten en nog gretiger toen ze doodgeboren werden. Hij zou haar gezondere kinderen schenken, meldde hij….’
Verder kwam hij niet, mijn voorgevoel bleek juist.
Afschuwelijke geluiden vulden plotseling de keuken. Huilende baby’s, waanzinnig gelach, weeklagende vrouwenstemmen. Ik viel op mijn knieën, mijn hoofd op zijn schoot waar hij zijn ijskoude handen over mijn oren legde. Ineenkrimpend huiverde ik van angst voor de dikke mist, die vervloekte mist.  P trok me rechtop, zijn hoofd geheven prevelde hij sussend mijn naam. Lijkbleek staarde hij,  maakte vreemde tekens, het geluid zwol aan in een laatste crescendo,  nog meer tekens maakte hij, onophoudelijk tot de kakofonie afnam. Langzaam wegstierf met een helse uitschieter, op een paar doorzeurende tonen na.
Ademloos, dicht tegen elkaar als één harteklop, keken we toe hoe de laatste dampen wervelden, de grijsheid verflauwde onder zachte mineuren. Een kleine hoge noot zuchtte, als een verontschuldiging. Toen was het stil.
‘Het is voorbij’.
‘Ja.’

Ik voelde de verandering in P.  Zijn levendigheid, de blijdschap waarmee hij me kuste, het gemak waarmee hij het eten negeerde. Het ontroerde me, ons spel was oneindig zoet.

‘Ga je mee fietsen? Naar het bos?’
Onderweg spraken we niet, elkaars nabijheid was voldoende.
Alles klopte. De vlinders in mijn buik, het weeëe gevoel wanneer hij naar me keek, zijn onpeilbare tederheid,
Voor het eerst begreep ik wat het betekende van iemand te houden.

Mist 20

‘P, snap je dan niet dat het op mij levensecht overkwam? Ik beschouw jou als een kenner van bosbewoners, dus nam ik dit letterlijk.’
Berouwvol nam hij me in zijn armen. ‘Arme meid. De kwestie is dat aanvallers angstaanjagende beelden bedenken waarvoor we vluchten of ons overgeven. Ze zijn realistisch en vaak luguber, tegen beter weten in maken ze ons bang.’
Ik huiverde.  Hij verontschuldigde zich nogmaals en dacht na. ‘Toch verbaasde die  weerwolf me, ik had niet gedacht dat er nog zoveel energie aanwezig zou zijn. Maar,’ klaarde hij op, ‘het feit dat ik de beelden al sneller weet te verjagen is een goed teken. En ook dat ze ons minder lijken te achtervolgen.’
Al met al klonken zijn verklaringen niet slecht.
Fantastisch, dat wel, als een magisch sprookje, gesitueerd in de eenentwingste eeuw. Interessant maar toch: een sprookje.  Met vreemde verschijnselen.
Was ik zo verliefd dat ik alles geloofde?
Slachtoffer van een verborgen camera in een film met morbide trucages? P was knap genoeg om voor filmster door te gaan.
Dit geloofde ik niet, was tante Petri niet zelf komen aanzetten met P of zou zij in het complot zitten?  Een belachelijk idee, ik werd zoetjesaan psychotisch.
P kneep in mijn arm  ‘Hallo, ben je er nog? Denk je na over de eigenschap die jij ook bezit?’
‘Maar,’ vroeg ik me af, ‘waarom merk ik daar zelf niets van?  Is dat niet vreemd?’
‘Lang niet alle paranormalen zijn zich van hun gave bewust. Als ik niet verliefd op jou was had ik het je ook niet verteld.’
Zozo. Kon hij niet van me houden zonder die poespas?
Voordat ik opnieuw zou piekeren wijdde ik me aan het eten.
– Liefde is blind-  luidt het adagium, zeer zeker maakt het ook hongerig.
We aten als wolven, een vergelijk dat me grappig voorkwam. Met een ggggrrrr stortte ik me op een broodje en hapte met ontblote tanden. Hij kon er niet mee lachen.
‘Ik kan je beter de rest vertellen,’ zei hij gauw,  bang dat ik hem niet ernstig meer zou nemen.

Mist 19

Zwijgend legden we de laatste meters af, stalden de fietsen en gingen tante Petri’s woning binnen.
Ik wees hem naar de bank en posteerde me voor hem. ‘Leg uit.’
‘Ach prinses, je zou altijd boos moeten zijn,’ probeerde hij nog maar ging vlug over op een redelijker toon.  ‘Ik, eh, doordat je ‘leesbaar’ bent heb ik je stiekem beïnvloed, een heel klein beetje maar hoor, dat zei ik toch al?’
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Je zag er zo prachtig uit toen ik je vond,  als een sprookjesmeisje en ik fantaseerde je tot een echte, en eh, onwillekeurig ging  ik te ver, soms doe ik het nog, dan ga jij adellijk spreken, heel sexy en zo…   ‘ Bedremmeld keek hij naar de grond. ‘Ik weet dat het kinderachtig is maar af en toe kan ik het niet laten, heel eventjes maar en jij reageert prompt.’ Smekend keek hij me aan. ‘Dan laat ik het meteen los’.
Hij voelde zich duidelijk lamlendig. Ik ook. Wat een bespottelijke vertoning, je vriendin aanzetten tot prinsesselijk gedrag en dan nog een uit de middeleeuwen ook. Waren die Roemenen zo achterlijk of alleen die uit de wouden?
Net wilde ik hatelijkheden spuien toen ik me bedacht.  Was het wel zo erg, een man die je als een prinses zag? Complimenteuzer kon je het niet bedenken en die woorden,  ‘storten wij ter neder’, dat is lachen. Kom daar eens om bij de Oranjes. Ik grinnikte. Hoopvol deed P mee.
‘Laten we wederom ons stalen ros bestijgen,’gierde ik. ‘En opletten dat het gewone volk ons niet hoort.’
Nu lachte hij volop mee.

Bijna alles was nu verklaard. Bijna.
De rest kreeg ik er ook wel uit, eerst eten. In tante Petri’s keuken en koelkast zou voldoende aanwezig zijn.
Genoeglijk inspecteerden we samen de voorraad. Avonturen maken hongerig blijkbaar.
‘Bertje, ik ben zo blij dat we het eens zijn,’ begon hij uit zichzelf. ‘Samen kunnen we ze aan, de kwaadaardigen, nee, ik lach je niet meer uit. Wat hebben we nu allemaal?’
Ik lachte. ‘Wat eten we niet? We hebben aldoor honger. Tonijn, kaas, broodje bloedworst?’  Hij slikte het.
Dat deed me aan iets denken. ‘Die bloeddorstige weerwolf, bestaat die echt?
‘Nee joh, dat planten ze in iemands geest om schrik aan te jagen. Grenzen beschermen. Zo ook met het akelige geluid.’
‘Maar… jij geloofde dat het een echte was, die pijn had.’
P keek verbijsterd. ‘Geen wonder dat je de bossen niet meer in durft. Wat spijt me dat Bertje, ik was niet duidelijk genoeg..’