Vakantie op zijn (namaak-)Frans in twee delen

Slot.

Helaas, de aardigheid was er gauw af.
Plakkerig ontwaken in een tweepersoons slaapzak met de verkeerde onderbroek rond je enkel, was verrukkelijk toen we achttien waren. Twintig jaar en een paar kilo’s later werd het krap en genant. Schutterig kropen we ’s morgens op handen en voeten overeind.
Enfin, dat was nog op te lossen met humor.
Hand-in-hand van de zonsondergang genieten bleek een saaie bezigheid, de uiensoep was nauwelijks eetbaar, extra bouillonblokken hielpen niet veel.
Ook dat was te accepteren, we konden altijd nog naar het eethuis.
Aanvankelijk lachten we de tegenvallers weg maar hoe lang kun je ze verdragen?

De maanzieke hond was een ramp, geen van onze schoenen kreeg hem stil.
Na een week klom de warmte naar een hoogtepunt en ontaardde in een hittegolf zonder weerga.
De boer was chagrijnig en schold op de droogte.
Lin klaagde over het zweet dat haar wangen deed uitzakken wat haar inderdaad niet stond.
De hond bleef nachtblaffen.
Van humor was geen sprake meer. Van l’amour nog minder.
‘Mijn god,’ bad ik in stilte, ‘hoe overleven we dit?’

De doorbraak kwam op de negende dag.
Onuitgeslapen en razend stapte ik naar de boerderij waar ik op de hond wees. ‘Kun je dat kreng niet ophangen? Anders doe ik het.’ Het beest werd dol, blijkbaar verstond hij me.
Dat was teveel voor de geplaagde boer.
Hij werd gek en greep de riek, ik de autosleutels, Lin in één graai de tent met inhoud en met de dolle hond achter ons aan raceten we richting Bergen op Zoom.
Daar regende het.
==
© Bertie.

Advertenties

Vakantie op zijn (namaak-)Frans in twee delen

Het was bloedheet en de stemming stond op een laag pitje, geïrriteerd als we waren door jeuk van muggenbulten en zweet op de onmogelijkste plekken. Lin smeerde doorlopend met citroencrème. In haar hang naar retroromantiek besmeerde ze mij ook, dicht tegen
me aan kroelend. Die lol was er gauw af.

‘Nog één keer samen in een tentje,’ had ze bedacht,’ tussen koeien en paardenbloemen..’ – en dazen en vlaaien, mompelde ik er achteraan.
‘Hè toe nou Pol. Naar Frankrijk. Vers stokbrood en wijn en uiensoep. Zonnebloemen, amou-our,’ koerde ze.
‘Lin, dat zijn we ontgroeid. Ik wil geen vakantie vieren met taaie korsten gedoopt in rooie azijn. Laten we de caravan nemen naar een geriefelijke camping met werkende toiletten en stromend water.’
We pleitten een poosje, ieder voor het eigen idee. Tot een compromis.
In de regel is dat geen vlees en geen vis.
Niettemin zou het een geslaagde vakantie zijn geweest wanneer dat ellendige vliegentuig er niet was. De hittegolf en die vreselijke hond. Een echt bed had misschien ook geholpen.

Een boerencamping in Zeeland benaderde het dichtst de koeien en paardenbloemen. Lees: taaie graspieken die prikten.
Ook kochten we een sheltertje, zo’n handig ding met een knus luifeltje waaronder we het glas konden heffen. Lin had een ‘leuk solexje’ op het oog, dat kon ik nog net voorkomen. Met een brommer het weiland op, het idee.
Er was stromend water. Een heuse wc. In een dorp verderop stonden een eetcafé en kruidenierswinkel waar we stokbrood en Franse rode wijn konden kopen.
Het zag er niet eens zo slecht uit.
We maakten een begin met l’amour teneinde een vroegere verliefdheid terug te vinden en verdomd, de eerste paar dagen lukte het bijna.
==
© Bertie
Morgen deel 2.

Mammoet 2

Sensatie!
De media schreeuwden het uit:
‘ONLANGS GEVONDEN MAMMOET VERTOONT BEWEGING!’
Een unicum.
Griezelspanning beving de mensen, een reuzenolifant zo groot als een huis!
Regeringen vergaderden, geleerden claimden zeggenschap, de mammoet was van iedereen.

Van het sterkste metaal werd een hek rondom hem geplaatst.
Nu was het zaak het dier langzamerhand bij te brengen. Na ontelbare buisjes bloed, speeksel en andere zaken te hebben afgenomen brachten ze hem beetje voor beetje bij kennis.
De spanning steeg.
Tot hij op zeker moment zijn kop oprichtte en zich omrolde tot hij half overeind hing.
Nu pas zag men de werkelijk omvang, vermoedde de kracht.
Met angstig ontzag staarde men naar de enorme hoeveelheid mammoet maar na het eten van wat gras liet hij zich weer zakken en sliep in.
Opluchting alom, het bleek een lobbes. Zoiets als een oude circusolifant.
Nu hoefde alleen de oppas te worden geregeld.
Men zette een paar gewapende mannen neer, alles was onder contrôle.

De nacht viel, de mammoet sliep, de bewakers verveelden zich. Een van hen stelde een grap voor.
‘Zullen we hem eens kietelen? Dat vinden olifanten leuk, doen we in Artis ook altijd.’
Ze vonden ergens een lange tak en reikten door de tralies.De mammoet sloeg met zijn slurf. Nogmaals reikte de tak.
Wat huisde er in mammoets geheugen? Een wazig beeld van vijandige wezens die takken gooiden was genoeg om de herinnering te verhelderen.
Brullend kwam hij overeind en stapte naar de hekken waar de grappenmakers verlamd van schrik stonden.
Hij sloeg zijn slurf om de takkenman en trok hem de kooi in, en passant een paar tralies ombuigend. Hij gooide de man op de grond en trapte.
Iemand drukte op knoppen. Een professor gilde: ‘dood hem niet, houd hem in leven…’
Voor niets.
Zware knallen weerklonken.
En zo stierf het mammoetdom alsnog uit,
600.000 jaar later.
==

Mammoet 1

Moederziel alleen bevond hij zich op de Siberische steppe  waar hij lusteloos ronddwaalde.
Hij miste soortgenoten.
Hij miste een vrouwtje en bovenal miste hij voedsel.
Het was niet veel wat hij vond. Bossen rukten op en ontnamen hem het grootste deel van zijn maaltijden.
Een enkele keer zag hij vreemde wezens die op  achterpoten liepen.
Ze maakte weinig indruk, voor hem was het klein grut.
Hij voelde zich slap.
Een laatste bundel gras, een restje korstmos. Langzamerhand verloor hij zijn levenslust.
Nog éénmaal werd zijn aandacht afgeleid door beweging, hij keek en ontwaarde een van de wezens die takken naar hem gooide.
Hij was te zeer verzwakt om kwaad te worden, hief enkel zijn kop en brulde waardoor het wezen zich uit de voeten maakte.
Daarna gaf hij het op, bleef staan en sloot de ogen.
Hij voelde zich wegzakken in de bodem. Traag, trager.
En sliep in.
=

Spionnenpaar, deel 2 en slot.

Het personeel, dat op hun beurt de spionnen bespioneerde, hoorde vreemde geluiden en kwam poolshoogte nemen.
Dat stond het losgeslagen paar niet aan.
‘Opzouten,’ schreeuwden ze aards ‘we willen gewóón worden, als iedereen.’
Geschrokken verzamelden de bedienden zich in de wijnkelder. Zij belden het noodnummer van hun ruimtebaas, tevens proefden ze nieuwsgierig van een paar flessen zodat ze de misdaad precies konden uitleggen. Éven leken er een paar voor de aardse bijl te gaan maar de politiecapsule was al in aantocht.

Het leerzame echtpaar intussen maakte grote vorderingen met het normaliseringsproces.
Hij hing liederlijk op de bank met zijn voeten halverwege de salontafel, een slakom met chips op zijn buik en de kat dwars over zijn knieën. Een pijpje pils bungelde in zijn vingers, de ab in zijn andere hand.
‘Er is geen bal op de tv,’ mopperde hij deskundig.
Zij zat rechtop in een damesfauteuiltje te giechelen en probeerde teut te worden met een fles sherry. Ze aaide de verwaande Afghaan die geërgerd zuchtte. Hij wou maar dat ze goeie kant op streek en die stinksigaret neerlegde, straks verbrandde zijn staart nog, dat stomme ruimtewijf.
Buitenaardsen, het was niks met die lui en het zou ook nooit wat worden.

Plotseling werden de deuren opengegooid. Er waren zwaailichten, het floot, bliepte en tuuttuutte.
‘Hallooo,’ riep zij scheelkijkend naar de zilveren pakken. ‘Gezellig, kommerin.’
‘Gaan we nou al trug?’ vroeg hij, ‘nou wut eindelijk dóór hebben?’
Ze kregen geen ander antwoord dan een hoofdschuddend ingrijpen.
Vastgeriemd op ruimtebrancards lalde het stel de capsule in.
‘En we gane met se alle naar de maan…’ 
-==

Spionnenpaar deel 1

Er was eens een echtpaar. Een heel uitzonderlijk paar.
Hij was een vlotte vent en maakte een solide indruk. Hij oogde krachtig van bot en had een gevoelig uiterlijk.
Hij deed iets vaags in een bureau en was intelligent en geestig.
Kortom, hij was àf.
Zij was een knappe meid met een huid als roompap. Haar slanke lichaam bewoog zich op volmaakte benen, haar haar had de kleur van hoog-zomergraan en golfde precies zo.  Ze was iets onduidelijks in het ziekenhuiswezen waar haar uiterlijk alleen al de patiënten genas.
Ook zij was àf.

Dit voorbeeldige echtpaar woonde al enige maanden in een huis dat, voorzien van bediendes, paste bij hun uiterlijk.
Zij hadden een taak.
Zij moesten de aarde bestuderen en hadden daartoe een aangepaste uitmonstering gekregen.
Tot op een dag…

‘Schat,’ zei hij aan het ontbijt, ‘ik verveel me.’
‘Ik ook, ‘ was haar antwoord.  ‘Vind je niet dat we ons beter  moeten aanpassen? De mensen om me heen zijn geen van allen zo fatsoenlijk en saai als wij.’
Hij knikte. ‘Dat was mij ook opgevallen. Ik ben finaal uitgekeken op dit spionnenbaantje. We nemen stiekem ontslag.’
Ze dacht na. ‘Zullen we eerst leren ons te gedragen als echte mensen? Om te weten hoe te lachen?’  Om te beginnen haalde ze hard en gorgelend haar neus op.
Hij keek haar uilig aan en vroeg: ‘Is dat grappig?’
‘Weet ik niet, maar ik hoor en zie de hele dag hun lijfelijke functies en ze vervelen zich geen moment.’
Hij bekeek haar wat kritischer.
‘Misschien moeten we wat lelijker worden. Zo onecht als wij erbij lopen zie je alleen in hun films.’
‘Bedoel je dit?’ Ze trok anderhalve tand uit haar bovengebit. Hij staarde haar verbouwereerd aan en schoot in een aardse lach.
‘Nee, dan dit.’  Hij rukte een dot haar uit zijn achterhoofd en plakte het met appelstroop onder zijn neus, ‘een aardse snor, ha, eh, ha’.
Ze raakten door het dolle. Ze verschoven hun oren tot ze klapperden en knoopten hun kleren scheef dicht, draaiden  broekritsen naar achteren, ze smeerden mayonnaise op hun hoofd ter blondering.
Ze lachten zich suf.

Morgen de rest.

Jolita, de koe die zich verveelde 9 + 10(slot)

Hm, dacht Jolita, dat leek te kloppen; behalve het dorstige meisje hadden ze geen mens gezien behalve de automobilisten op de snelweg. Op deze manier duurde het wel erg lang voor ze iets uit het leven kon halen.
De avonturen die ze vanaf gisteren meemaakten waren niet precies wat ze zich had voorgesteld al moest ze toegeven dat ze zich niet verveeld had. Niet elke koe kreeg de kans om een uitstapje te maken met een liefdesverdrietige stresskip noch ontmoette ze een wildmelkster om van een ontvoerd olifantje en een UFO maar te zwijgen.
Niet verveelde…  het drong ineens tot haar door!
‘Zeg Claer,’ zei ze, ‘besef je wel dat we een heel bijzondere trip maken?’
Enigszins bitter keek Claer haar aan. ‘Meen je dat nou? Dan zou ik wel eens willen weten wat jij een badtrip noemt. Bijzonder, poe. Een vrijer die me te dik vindt en in de steek laat, een ettertje in olifantsvel, een onecht meertje…’
Ze rilde.
‘Ik weet niks van badtrips maar… hola, wat nou weer?’
Klikklikklik konk het boven hun koppen, tegelijkertijd zagen ze een flits tussen de wolken.
‘Nondeju… een eurosatelliet.’ Geërgerd balde Jolita een hoef naar de lucht. ‘Hebben we niet genoeg aan mijn baas?’ loeide ze kwaad.
‘De smeerlappen, ons ’n beetje in de gaten houden, boeh! Ik ga weer naar huis als het zo moet. Wat is dit voor vrijheid? Zo vinnik er niks meer an…’
Ze pruttelde maar door tot Claer ingreep.
‘Nou is’t genoeg,’ berispte ze, ‘hou op met je gezeur. Laten we liever omkeren, ik heb vreselijk veel trek in verse mais.’
Ze sjokten terug richting snelweg.
‘Hallóó dames, zin in een avontuurtje?’
Omkijkend zagen ze een paar likkebaardende zwerfhonden.
Ze haalden hun schouders op.
Het hoefde niet meer.
Ze wilden hun melk en ei kwijt en durfden niet te rekenen op een volgend hongerig meisje.
Ze wilden thuis zijn en opscheppen over hun reis.
Ze haastten zich
==

Jolita, slot.

Hoe meer ze zich haastten hoe meer haast ze kregen.
Klepperdeklop deden Jolita’s hoeven; miepmiep-zoiiiinggg flitste Claer; stofwolken staartten achter hen aan en voor ze het wisten stonden ze bij de snelweg.
Jolita dacht er niet aan bang te zijn voor het verkeer en laveerde gracieus  tussen de jagende auto’s, een pad banend voor Claer die in diepe gedachten was.
Zodra ze aan de overkant stonden hief ze een vleugel op: stop!
‘War is er aan de hand? Toch niet weer nieuwe meemaaksels?’ Verontrust herkauwde Jolitas een bosje gras.
‘Joliet,’ sprak Claer plechtig, ‘kijk naar mij.’
‘Doe ik al. Èn?’
‘Wat zie je?’
‘Nou, gewoon, ik zie jou.’
‘Anders niks?’
‘Uhh, nee. Sorry hoor.’
‘Heb je last van jaloezie, Joliet? Eerlijk zeggen.’
Verbluft staarde Jolita haar vriendin aan. ‘Waarom zou ik?’
‘Nou, let op: IK BEN AFGEVALLEN!!’
‘Hè? Krijg nou wat… je hebt gelijk, dat ik dat niet eerder heb gezien. Gefeliciteerd meid!’ Ze gaf Claer een warme knuffel waarbij ze tersluiks het schriele kippeborstje bekeek.
‘Luister,’ vroeg ze voorzichtig, ‘zijn er bij jullie geen andere kerels dan die 2Macho? Een gezellige middelbare of zo?’
‘Bejje belazerd?’ steigerde Claer, ‘ik wil 2M en als ik hem niet kan krijgen duik ik het klooster in.’
‘Tuttut’ kalmeerde Jolita, ze was Claers gestress ’n beetje beu. ‘Laten we alsjeblieft doorlopen.’
Pissig kraaloogde Claer terug; zij was het onbegrip van haar vriendin minstens evenveel beu.
Ze kwamen aan het hek. Het naderende afscheid verzachtte hun stemming. Geroerd draaiden ze de koppen naar elkaar, hier was het immers begonnen.
‘Het ga je goed.’ Nog éénmaal schudden ze poot en vleugel.
Jolita klom over het hek zonder haar uier te schaven; ze liep regelrecht naar tante Rirante voor een verslag.
Claer scharrelde heen en weer; wachtend op het welkomstgekraai van 2Macho zocht ze alvast een mooie worm voor hem.
Het leven hernam zich.
=

Op naar de toekomst.
. 

© Bertjens.

 

Jolita, de koe die zich verveelde 8

‘Oooooh’ gilde Ivorientje opgewonden ‘misschien is het van de UFO die Monkey heeft gekidnapt. Laat hem maar komen dan schieten we hem neer, de rotzak, geef-me’n-gun-powpow… ‘ Stoer aapte ze grote kinderen na.
Claer fronste haar geëpileerde wenkbrauwen. ‘Wat een taal,’ zei ze misprijzend, ‘dat is zeker Afrikaans?’ kwam er hatelijk achteraan.
Jolita wilde sussen maar Ivorine was zelf mans genoeg. ‘Ha, ìk hoef nog niet naar een vrijer te hengelen’ spotte ze wijsneuzig. ‘W-w-wat..’ vloog Claer op.
Weer wilde Jolita wat zeggen, deze keer werd het haar belet door een geluid in de lucht.
Verrast keken ze op en schrokken van een schaduw, groot, imposant door de vreemdheid.
‘Hij is het, zien jullie het? Hij is het hij is het.’ Ivorines stem sloeg over van opwinding.
Er klonk een onaardse stem.
‘SLURFWEZEN WORDT VERWACHT’ schalde het, ‘WIJ BRENGEN U NAAR SLURFENLAND.’
‘Horen jullie dat? Hij zei U tegen mij!’
Op slag vergat Ivorine haar moordplannen en in haar ego-eerbied zag ze niet de vlizotrap die vanuit een donkere opening werd uitgeschoven tot Jolita haar erheen duwde en op de onderste sport zette.
‘Nou Ivoortje, dat was een korte vriendschap maar ik zal je nooit vergeten. Let goed op bij trompetles en gedraag je netjes. Doe je de groeten aan je moeder?’
Aangedaan stapte Jolita achteruit.
Claer voelde de stress van het afscheid; trillend zwaaide ze met een kanten boldootdoekje (ze was veel ouder dan ze wilde weten). ‘Dag lieveke mijn hartedieveke’ tokte ze krakend, oprecht blij van het bijdehante krengetje verlost te zijn.
Eén trompetsignaaltje weerklonk ten afscheid, toen werd de trap opgehaald en verdween de UFO.
Jolita stootte Claer aan. ‘De plas is weg, geloof je nu dat het een waterzoeklicht was?’
Inderdaad, het landschap was als voorheen, een grassige en saaie berm.
‘Wat doen we?’ vroeg Claer. ‘Heb jij nog zin om verder te gaan? Ik heb niet veel vertrouwen in wat komen gaat.’
‘Nou al terug? We hebben nog geen vreemde mensen leren kennen, laten we ze gaan zoeken.’
‘Jolita, dit is het platteland, die vind je hier niet.’

© Bertjens

Jolita, de koe die zich verveelde 7

Verrast hielden ze hun pas in.
Ivorine bleef halverwege een valse noot steken. ‘Hé,’ riep ze verheugd, ‘een zwembad, daar ga ik in spelen,’ ze holde naar de plas en liet zich er in vallen. Het viel vies tegen. ‘Ho, stop, brrr wat koud, ik wil eruit, mammieie…’
Ze probeerde tegen de oever op te krabbelen maar viel terug, ‘help dan toch..’
Claer knikte voldaan. ‘Laat haar maar even afkoelen, ik word gek van dat getoeter.’
‘Nou zeg,’ zei Jolita verontwaardigd, ‘zo’n klein meisje, jij bent er toch ook een geweest? Hup, trekken.’
Met tegenzin hielp Claer mee en samen trokken ze bibberend Ivorientje op het droge.
Jammerend zat het kind op het gras. ‘Ik wil naar hui-uis’ griende ze terwijl er snottebelletjes op de grond spatten.
‘Eerlijk gezegd valt het mij ook tegen,’ snibde Claer ‘straks zit ik weer met een nieuw ei en dan dat tetterbrok hier, daar word ik bloednerveus van. Oh, 2Macho,’ begon ze weer te rillen, ‘laat me je heerlijke kraaistem toch horen.’
Schor van verlangen probeerde ze hem te roepen maar haar kippestemmetje bracht het niet verder dan een krasserig kukeleku.
Bijna deed Ivorine de tweede stem maar ze hield zich in.
Jolita krabde zich achter de oren.
Er was inderdaad niets te vinden aan deze kant van de snelweg.
Maar wacht eens, ze hadden het water nog niet onderzocht.
‘Kom op,’ sprak ze bezwerend, ‘we gaan uitzoeken wat dit voor een geheimzinnige poel is. Oké?’
Met tegenzin kwamen de twee achter haar aan naar de oever, die steil was en met lang gras begroeid.
Het was geen sloot, geen beek of meer, slechts een plasje van hooguit drie of vier meter doorsnee.
Ze liepen er omheen maar er kwam geen einde aan. ‘Ik snap het niet, het lijkt wel of het meeloopt.’ Jolita stopte en keek om.
Claer en Ivorine stopten na een paar passen ook.
‘Het is een tovermeer, het is vast een sprookje,’ opgewonden hupte Ivorine op en neer.
‘Het is misschien een teken van 2Macho,’ hoopte Claer.
‘Hm, ik denk eerder dat het een waterzoeklicht is van een buitenaardse, het flakkert, kijk, nu is het blauw…’

© Bertjens

Jolita, de koe die zich verveelde 5 + 6

‘Eigenlijk wel, ik wacht tot ik iemand tegenkom die dorst heeft. Kun jij misschien…’
Claer spreidde haar vleugels: ‘Hiermee??’
‘Nee,’ erkende Jolita, ‘dat is te lastig. Maarre, zullen we eerst wat eten? Ik heb honger’
En zo genoten ze van hun eerste reis-ontbijt.
Het bermgras hapte heerlijk weg ondanks de benzinedampen. Claer smulde van allerlei afval, ze vond zowaar enkele smeuïge  wormpjes.
Samen eten schept intimiteit.
Ze bespraken Jolita’s vrijheidsdrang en Claers liefdesverdriet; ze babbelden over de toestand in de wereld en de Dierenpartij.
Tenslotte zongen ze eensgezind het zwerverslied; het was reuzeknus.
Plots wees Jolita naar rechts  ‘volgens mij komt er iemand deze kant op.’
Een meisje holde, zwaaiend met een kan, op hen toe.
‘Oh wat een geluk,’ riep ze al van verre, ‘een losgeslagen koe en een stresskipje. Heerlijk. Leg alsjeblieft gauw een ei schatje, dan help ik intussen je vriendin van haar melk af. Ik heb de kan al meegebracht.’
Opgewonden kakelend krabte Claer een kuiltje in de grond en ging haar best zitten doen.
Jolita, eveneens blij, maakte dolle sprongen zodat ze goed gekarnde waar zou leveren.
Enthousiast klapte het meisje in haar handen bij het zien van zoveel ijver.
‘Wat goed,’ jubelde ze; ze knielde neer en tapte. Verrukkelijk schuimend plonsde de melk in de kan.
Claer gilde opgetogen ‘Toktoktok alwéér een ei’ en fladderde trots een metertje op en terug.
De kan was vol; het meisje bedankte de dieren uitbundig.
‘Heerlijke vriendinnen zijn jullie, fantastisch, dank, dank.’
Ze schudden voorpoot, vleugel en hand ten afscheid.
‘Dit,’ verklaarde Jolita, ‘was een avontuurlijk begin.’
‘Zo is het’  beaamde Claer maar begon opeens weer te bibberen.
‘M-moet je eens kijken wat daar staat’ wees ze naar links, ‘een jonge olifant..’
‘Hè? Verdomd, je hebt gelijk!’
Jolita was niet bang uitgevallen en stapte op het diertje af.
‘Dag kindje, ben je verdwaald?’
‘Tettareitèiiuét’ klonk het vals, het was nog maar een klein ding.
====

Jolita, de koe die zich verveelde  6

‘Oh please,’ met een gepijnigde frons draaide Claer haar kop af, ‘is dat alles wat je moeder je geleerd heeft?’
‘Sorry hoor,’ antwoordde het jonge ding, ‘ik zit nog maar pas op trompetterles.’
En tegen Jolita: ‘Sommige van die ouwetjes kunnen nergens tegen…’
Claer stoof gepikt op. ‘Wàt zei je daar?’ Prompt viel ze weer in de stress en liet ze zich tegen Jolita vallen. ‘Al die kosten voor vochtinbrengende crêmepjes,’ huilde ze,’ooglidcorrecties, pootverziekende fitness, donzen lingerie, veren in de krul, en dan noemt zo’n snotslurf je oud, omg…’
Onhandig streelde Jolita de arme kip over haar kammetje.
‘Stil maar, zielepiet, hij bedoelde het vast niet gemeen, het is nog maar een kind,’ troostte ze.
Het olifantje keek beschaamd naar de grond. ‘Neem me niet kwalijk mevrouw, ik zal het nooit meer hardop zeggen.’
Claer, die niet de slimste was, nam hier genoegen mee.
‘En ik ben een meisje, ik heet Ivorine. Ik zat met m’n vriendje Monkey in de zandbak toen er een UFO aan kwam scheuren en ons oppikte. Zomaar. Monkey hielden ze en mij lieten ze hier los. Wat moet ik nou doen?’
Jolita dacht na, dit was wel heel apart.
Erg leuk om een nieuwe vriendin te hebben, een kind op sleeptouw was iets anders.
Maar een klein meisje alleen laten wilde ze ook niet; in wiens brute loverhanden zou ze misschien vallen?
‘Oké, blijf maar bij ons dan zoeken we naar je moeder. Daarna gaan we meteen door naar de wazige verten, anders komt er niets meer van. Waar woon je?’
‘Eh, ik weet het niet precies’ kwam het kleintjes, ‘Frieka of zo. Het is er lekker warm.’ Bedrukt keek ze voor zich uit, het was duidelijk dat het arme kind heimwee had.
‘Ik weet het, ik weet het,’ kakelde Claer, ‘Afrika natuurlijk. Daar heb ik een verre neef zitten, een hele deftige.’
‘Naar het zuiden dus. Zullen we aanlopen? Ik wil wel eens wat anders zien dan deze berm. Akkoord? Ivorien, je mag onderweg wel trompetwijsjes oefenen hoor.’
Ze schudden voorpoot, vleugel en slurf en begaven zich op weg, vastbesloten zich door niemand te laten ophouden.
Na een half uurtje kwamen ze bij een geheimzinnig watertje.
Het verscheen zomaar tussen de bosjes

© Bertjens