dood·vervolgverhaal

Kerkhofleven. 3

Het geraamte kijkt toe hoe Maat onhandig in diens graf kruipt, zwaait met de halve ellepijp en voor immer verdwijnt.
– Nou, tabee dan maar.
Een antwoord is niet nodig.
Besluiteloos staat hij stil, zal hij nog even kijken bij die hatelijke cactus om te zien of het echt familie van de oude Wies is? Herinneringen zweven door zijn schedeldak, vaag omrand maar onmiskenbaar een jonge vrouw met aangetaste neus, nonstop kwebbelend, mager. Wies ten voeten uit.

Hij leest opnieuw de geboorte- en overlijdensdatum. Vreemd. Het valt hem nu pas op dat er geen achternaam en doopnamen  staan noch de gebruikelijke regel ‘echtgenote (of dochter) van…’ Ook RIP ontbreekt.
Wies K.
Hij leest weer het versje waaruit meer leedvermaak dan verdriet spreekt,
‘….veelteveel geblowd en nu is ze dood.’
Kan iemand overlijden aan joints? Ook dat is vreemd.
Is er, en nu siddert hij van onverwachtse opwinding, sprake van een misdaad?
Iemand wilde van haar af.
Ze had een dealer belazerd.
Gerookt in de kerk.
Hash verkocht aan de prinsessen.
Onthecht, reeds met één been in de eeuwigheid staand, raakt hij alsnog gespannen, emoties komen op.
En dat is het allervreemdst.
==
© Bertie Bertjens

dood·vervolgverhaal

Kerkhofleven. 1

-Ouaaahhhh, gaapt het geraamte met klikkende kaken. Dat was een lange dut.
Hij wurmt zich omhoog en kruipt het gras op. Mopperend.
– Hebben de mollen mijn gang weer volgeknoeid, laat ze een andere weg nemen.
Zijn botten afkloppend onderneemt hij een wandeling langs de graven. Hm, een paar nieuwe, enkele urnen, hier en daar nog wat bloemen, hij moet diep geslapen hebben.  Minstens een half jaar, schat hij.
Wat staat daar nou op die zerk? Een cactus, nee toch, even kijken of de dode al aanspreekbaar is.
– Klopklop, trommelen de benige vingers op de steen.
En nog een keer.
Alleen een diepe kreun wordt hoorbaar. Die moet nog wennen.
Hij leest het opschrift:
Wies K. had het verkloot
veel teveel geblowd
en nu is ze dood.
Amen.
Hm. Een rancuneuze trap na, vandaar die stekelplant.
De naam komt hem bekend voor, misschien een nazaat van de Wies van vroeger, dat was me een lekkere meid en altijd in voor een snuifje.  Als hij nog vlees had zou hij zich verlekkeren bij de herinnering maar skelettisch genot, tja, nou, dat brengt hoogstens een rammeltje teweeg.
Hij wandelt naar het woongraf van een oude vriend.
===
© Bertie Bertjens.
vervolgverhaal

Die man. Slot


Met een grafstem iemand de stuipen op het lijf jagen, een flauwe grap.
Ik ging naar huis en piekerde verder.
Af en toe schoot het beeld van de man me te binnen en onwillig bekroop me de gedachte dat hij beter goede raad had kunnen geven, hij leek zo zeker van een goede afloop. Ik kon wel wat vertrouwen gebruiken.
Tenslotte koos ik voor de huisarts en mijn aardigste collega. Zij hielpen me een besluit te nemen en door de moeilijke periode, daagden me uit te vechten tegen de pijn, de  nasleep, het moeizame genezingsproces. Dankbaar aanvaardde ik hun hulp die realistischer was dan de  woorden van een vreemdeling.
En toch.
Er was die verwarrende gewaarwording voor de operatie: in de chirurg herkende ik de man van de kade maar de beelden vervlogen in nevelen. Een narcosedroom.
De droom echter achterhaalde me, verschillende keren zag ik de man. Op de kamer, in de gangen, telkens vanuit een ooghoek, Het bevreemdde me en bracht me ertoe navraag te doen bij de verpleegkundigen die me verzekerden van de betrouwbaarheid van de arts. Bezorgd spraken ze van een delier.
Verward? ik was uiterst helder!
De geestelijke die me bezocht liet ik weten geen behoefte te hebben aan godsdienstige bijstand. Ik vertelde alleen van de man aan de kade.
Waarom? Geen idee, misschien hoopte ik op bescherming van hogere machten. De priester aarzelde, waarschijnlijk speelden schaduwen van de tumor me parten?
Hij gaf me de zegen en daarmee uit
=
Nu, twee maanden later, ben ik weer gezond op een lichte hoofdpijn na.
Me sterk voelend loop ik met stevige passen, begroet de wereld en wend me naar de rivier, het bankje op de kade.
Daar zit ik en bezie de hemel aanmerkelijk opgewekter. Hij is winterachtig nu, van een somber grijs.
De plek lijkt een déjà-vu maar het is het ritme van de rivier, zich aldoor herhalend, het veer, de aken, auto’s en fietsers. Zelfs de enige wandelaar op het pontje heeft iets bekends.
Een man, donker in kleding en uitstraling, hij schijnt haast te hebben.
Plotseling verschijnt hij in mijn blikveld, slechts een paar meter van me af en kijkt me aan. Indringend.
O, nee toch…

==
© Bertie/Bertjens

vervolgverhaal

Die man. I


Het was een rillerige najaarsdag. Kil van waterkou maar mooi van licht door de afwisselende sterkte,  en jagende wolken in een herfstige setting.
Dat springerige licht, speelde het me parten?
Waren het  novemberschaduwen?
Of mijn labiele gesteldheid, die misschien een afwijkende, bijna psychotische gedachtengang in werking zette?
Nog steeds ben ik niet zeker.
Die middag zat ik op een bankje op de kade, piekerend over de uitslag van het hersenonderzoek.
 – De chirurg legde het uit.
‘We kunnen niets met zekerheid zeggen, mevrouw. We willen de tumor aanpakken volgens plan…’
Uiteraard luisterde ik; versteend,  niet wetend wat te vragen.
Tumor? Aanpakken? Kleine kans op genezing…  nooit de hoop opgeven…
Hij vroeg me dus toestemming te geven voor een miniem kansje?
Goeie god

Ik keek voor me uit.
Het pontje voer heen en weer, rustgevend door de regelmaat, desondanks bleef de wanhoop. Kon ik het maar kwijt aan iemand; nooit eerder voelde ik de breekbaarheid van het alleenzijn; de trots op mijn zelfstandigheid kwam me nu schamel voor.
Niet eerder besefte ik de waarde van een vertrouwd persoon en in gedachten zocht ik naar zo iemand, wie dan ook, iemand die me kon raden.
Een man verscheen in mijn blikveld waardoor ik overwoog op te staan; een babbeltje was het laatste waar ik zin in had. Maar hij gedroeg zich zo kalm, zo alsof hij bij dit moment behoorde, dat ik aarzelde.
‘Waarom zo zorgelijk?’ was zijn openingszin, ‘U bent nog lang niet aan de beurt.’
Verrast draaide ik me naar hem toe, kende ik hem?
Hij hield mijn blik vast. ‘Vertrouwen hebben in eigen kracht …..’
Mijn verbazing nam toe. ‘Hoezo, ik bedoel, ik kèn U niet eens!.’
Hij lachte wat, ‘dat komt wel’ en verdween.
Zomaar, weg. Had ik even niet opgelet?
Irritatie overviel me; wat had zo’n wildvreemde vent  me lastig te vallen. Interessante orakels te verzinnen, pfff, zo goedkoop. Een bleke jonge vrouw in haar eentje, allicht wekte dat het meeleven van uitslovers.  Natuurlijk zag ik er zorgelijk en ziek uit, ik wàs ziek.
=
© Bertie/Bertjens

maan·vervolgverhaal

Maan slot

Vanuit de slaap belandde ik in een wonderlijk bewustzijn. Aards en wanig tegelijk alsof de verdovende middelen een vleug lsd bevatten.
Mijn hang naar volle maan verscheen uitvergroot, belicht van alle kanten.
De verlangens waren niets vergeleken bij het indringende besef: ik moet er naar toe.
Mijn geest transporteren.
Mijn lichaam overlaten aan oma en de anderen.


De maan is mijn onderkomen.
Ik wentel me in zijn licht, omarm zijn materie.
Ik adem niet, verlang niet, lijd niet.
Ik ben.
Ik ben het mannetje in de maan.
==

maan·vervolgverhaal

Maan 5


Ik ben er nog.
Met duizend draden aan machines gekoppeld lig ik op de IC.
Een verpleegkundige controleert de apparatuur.
De arts leest mijn status.
Mijn huishoudster staart, zorgelijk.
Oma is onderweg.
Ze bekijken het maar, ik slaap nog even.
==

maan·vervolgverhaal

Maan 4

Onrust jaagt me.
Vannacht…
Staand voor het grootste raam zal ik hem zien, breed en vol van glanzend licht, bomen groeten, mijn hart slaat over, en nog eens, staat bijna stil. Ik bezwijm bij het vooruitzicht.
Straks.
Wat kan ik doen, ik wil niet, mijn hart is te zwak, maar ik moet,
de drang is te sterk.

De huishoudster waarschuwt ik raap U niet meer op – ze rilt – straks vind ik een lijk en daar kan míjn hart niet tegen.
‘Neem een hamer,’ smeek ik haar, ‘sla me bewusteloos voor de nacht begint.’
Ze weigert en vertrekt.
Ik huil.
==

maan·vervolgverhaal

Maan 3

Weer wakker.  Pffff,  dat heb ik ontlopen.
Maar nu komt de andere kwestie weer boven, de watertandende hang naar volle maan.
Zou de psych gelijk hebben dat ik slechts een waandenkbeeld in stand houd? En daarvan droom?
Of mijn oma die gelooft in een geheime liefde? Ze beweert dat iemand op mij jaagt, net zo lang tot ze mijn signalen opvangt en me dan tot de hare maakt (háár woorden).
Vreemd vooruitzicht, bijgelovige oudewijvenpraat.
Anderzijds is het kwijlen bij volle maan net zo goed raar.
Ik denk er weer aan, nog één dag en…
…leg mijn tabletten klaar.
==

maan·vervolgverhaal

Maan 2

Ik dwaal door vreemde straten, vereenzaamd en verongelijkt.
Waar? Waarnaartoe? Geen idee. Droom ik? Ook dat weet ik niet.
Moedeloosheid overvalt me met tranen van onmacht.
Waarom?
Eensklaps begint het in me te wringen, iets herkenbaars bereikt me.
Een geur of is het herinnering?
Wat nadert me? Langzaam, langzaam, het sluipt,  ik roep en roep.
==

vervolgverhaal

Maan 1

Nog drie dagen tot volle maan.
Verlangend staar ik naar buiten. Zwarte  takken in witte lichtbanen wisselen af met schaduwen. Die sfeer, o god, langzaam loopt mijn mond vol.
Met een ruk sluit ik het gordijn en keer me af.
Dit moet niet.
Ik dwing me de tabletten te nemen. Naar bed, ik moet  ontspannen, slapen, sla…ap..
==