Er klonk zacht getik. Onregelmatig.
Verschrikt vloog ik op. Hoe…watte…
Liep alle vertrekken na, deuren, vliering, ramen, afdak, serre, stoepen voor en achter. Niets te vinden anders dan de gewone geluiden.
Pas na een tijdje kreeg ik in de gaten dat er een vergeten riempje aan de waslijn hing dat, opwaaiende, af en toe tegen een ruit aantikte.
Het stelde me gerust.
–
Ik dacht aan de tijd dat echtgenoot voor zijn werk telkens vijf dagen en nachten van huis was. Hoe bang ik was, vooral de eerste maanden en dat ik de angst nooit helemaal kwijtraakte.
Elk blaadje hoorde ik tegen de ruiten tikken, kieren brachten ijselijk gehuil voort, een langzame brommer was een gluurder, in sleutelgaten vermoedde ik enge ogen, voetstappen op het trottoir waren insluipers en meer van dat.
En ik kon het nergens kwijt want ik schaamde me dood, een volwassen vrouw (nou ja…) die niet alleen thuis durfde blijven? Dat wilde ik natuurlijk niet toegeven dus hield ik me groot. Met gruwelangst en al.
–
Nu ben ik -hopelijk- wijzer maar bij een onverwachts geluid schrik ik weer op, nu met een reële angst.
Oude dakpannen, glazen koepel, hardkunstof afdak, ze kunnen het zomaar begeven met een verkeerde windvlaag of hagel.
Maar ik zit niet meer in doodsangst.
Afwachten en je ziel in lijdzaamheid bezitten, een oud gezegde dat nog steeds opgang doet.☻
==
Maand februari 2026
Sneeuwvoorspelling: vijf à zes centimeter.
Benieuwd keek ik vannacht naar buiten.
Goh, is dat alles, dacht ik.
Er lag niet veel, het laagje was zo dun dat ik de grindtegels nog herkende.
Vanmorgen waren stoep en wegen alweer sneeuwvrij.
Ken je nagaan hoe verraderlijk voorspellingen zijn, KNMI of Winter zelf.
Waarschijnlijk allebei al moet ik zeggen dat ik het niet erg vond.
Maar je kan er zo lekker over zeuren.
====
rijmelarij
De week is om
en ik lig krom
door de dingen te bedenken
voor een splinternieuwe rijm
het hoeft niet eens als staatsgeheim
ik wacht tot iemand ze zal schenken.
Dan maak ik er
een lesje ter
leringh’ ende vermaeck
altijd nuttig voor een mens.
Een extra raad -mijn diepste wens-
dat is een schon’ en wijze zaak
==
Bonenherinnering
Er stond een vergeten blik bruine bonen in de kelder.
Ooit verkeerd gekocht, lang bewaard, uiteindelijk toch maar geopend en er iets eetbaars van gemaakt.
Hoopte ik.
Lang geleden aten we het wel eens, met een stroopsaus en boter en weet ik veel. Lekker zoet.
Alleen die bonen… als kind zat ik te koren boven mijn bord en probeerde de saus tussen de bonen uit te vissen. Mocht niet, die waren juist zo voedzaam en moesten op.
Nu het blik er toch was, wilde ik het eens proberen. Of het echt zo vies smaakte, of dat het aan mij lag.
Dus maakte ik er werk van. Met uitgebakken spekkies en appelstroop, boter en basilicum en zo, het rook heerlijk.
De uitgelekte bonen er bij. Ik trok wit weg bij de herin nering maar zette door. Roerde alles goed en schepte een bordje op.
En proefde.
Er was niets veranderd, ze waren nog steeds vies, smaakten afgrijselijk en bedierven de lekkere saus. Zelfs mijn bord trok een gezicht.
Toen heb ik ze aan de kliko gevoerd.
=====
Dag, licht!

Het daglicht groeit weer lekker.
’s Morgen en ’s avond merk je het.
Hoeveel per dag staat hier en daar, per minuut en per dag uitgerekend, maar ook zonder tabellen zien we het zelf.
Ik geniet er van.
Al ligt er een meter sneeuw en bevriest de kraan zowat onder je handen, licht maakt veel goed.
En mooier, zelfs het maanlicht doet dat, denk aan een weiland vol sneeuw in de maneschijn, je zou er zó in duiken. In een waterdichte pyjama, uiteraard.
Maar ik houd het meest van het overdagse licht.
Hoe vroeger hoe liever en zo lang mogelijk.
==
Hoed aan de wandel
Hij laveerde behendig tussen de mensen door van wie sommigen lachend groetten: ‘Dag hoed’, dan knipoogde hij. Het streelde hem.
Niet eerder was hij in zijn eentje op pad, hij genoot ervan als van een avontuur.
Zo gezellig, die winkels en etalages.
Maar na een paar uur viel hem de rust op. Minder mensen, sommige winkels sloten hun deur.
Het werd laat en later en uiteindelijk was hij alleen.
Ik ga maar terug, dacht hij, het is bijna etenstijd.
Maar… van welke kant kwam hij eigenlijk?
Hij keek rond, probeerde alle zijstraten en herkende niets, gewend als hij was op een hoofd te zitten.
Het werd donker. Bang keek hij naar de lucht, de maan bekeek hem verbaasd maar kon hem niet helpen.Hij kwam in een park terecht en daar zag hij iemand bij een standbeeld, opgelucht rende hij er naar toe.
Het was een aangeschoten feestganger die een praatje maakte met het beeld. ‘Kijk es,’ riep hij, ‘een hoed, ik zal hem op je kop zetten.. ziezo. Staat goed!’ een dronkemansdansje makend.
De hoed wist niet wat hem overkwam. Hij draaide wat tot hij lekker zat en besloot te blijven zitten, altijd beter dan door de nacht te dwalen.
Gewend aan dit soort zitplaatsen viel hij in slaap.
Op het hoofd van een beeldschone vrouw maar daar had hij geen weet van.
==

Nog even geduld…
Geen post
De ideeën zijn niks
de grappen flauw
hoofd is leeg.
De zin is niet veel soeps…
…en de staatsloten nog minder.
===
‘Is er nog nieuws onder de zon?’
Een oeroude opmerking, ik las dat Salomon dit al zei. Nietszeggend ook.
Maar toch vraag je je af, zal de laatste mens op aarde dat ook zeggen? Of denken?
Wanneer alles is vergaan, de aarde het bijna begeeft, er niets meer valt te verwachten?
Als het een cynicus is vraagt hij zich af: was dit nou alles?
En ongeduldige: schiet eens op!
Een huishoudster: wat een stofboel.
Een kind: ik verveel me.
Een eeuweling: ik heb het wel gezien.
We zullen het nooit weten.
De zon houdt het nieuws voor zich.
===
Héé, hallooo,
…. wat leuk zeg, dat had ik nooit verwacht…. was het een lastige reis?
Ging het wel? Op jouw leeftijd..
Alles goed met jullie? Mooi zo.
Zo heerlijk je te zien. Geen nieuws? Hier ook niet hoor.
Ga je nog naar de andere meiden?
O, nou al?
Maakt niet uit hoor, ik ben al blij genoeg.
Wat..wat…waar ben je nou ineens… ik heb je je nog niet gefeliciteerd met je honderdachttiende verjaardag…
Slik.
…
Dag Moe, doeg hoor.
….
Betrekkelijkheid.

Maar dit zal toch zeker wel te lezen zijn?
Blijkbaar vond ik het belangrijk genoeg om het luid en duidelijk op te schrijven.
–
Betrekkelijkheid was menigmaal gespreksonderwerp wanneer een zus, mijn moeder en ik bij elkaar zaten.
Vooral moeder vond zoiets interessant, zij hield van serieuze praat.
Heel af en toe deed mijn vader ook mee, meestal met een rake opmerking.
Dat was amusant want hij bagatelliseerde zijn woorden meteen met een grap waardoor het gesprek een andere wending nam: er werd gelachen. Door Moe een beetje zuinig.
Van die dingen.
Ach ja, het zijn de betere herinneringen.
Ik hoop ze altijd te onthouden.
==
update
Nu hoop ik dat er geen grafologen tussen de lezers zitten…
==