Er klonk zacht getik. Onregelmatig.
Verschrikt vloog ik op. Hoe…watte…
Liep alle vertrekken na, deuren, vliering, ramen, afdak, serre, stoepen voor en achter. Niets te vinden anders dan de gewone geluiden.
Pas na een tijdje kreeg ik in de gaten dat er een vergeten riempje aan de waslijn hing dat, opwaaiende, af en toe tegen een ruit aantikte.
Het stelde me gerust.
–
Ik dacht aan de tijd dat echtgenoot voor zijn werk telkens vijf dagen en nachten van huis was. Hoe bang ik was, vooral de eerste maanden en dat ik de angst nooit helemaal kwijtraakte.
Elk blaadje hoorde ik tegen de ruiten tikken, kieren brachten ijselijk gehuil voort, een langzame brommer was een gluurder, in sleutelgaten vermoedde ik enge ogen, voetstappen op het trottoir waren insluipers en meer van dat.
En ik kon het nergens kwijt want ik schaamde me dood, een volwassen vrouw (nou ja…) die niet alleen thuis durfde blijven? Dat wilde ik natuurlijk niet toegeven dus hield ik me groot. Met gruwelangst en al.
–
Nu ben ik -hopelijk- wijzer maar bij een onverwachts geluid schrik ik weer op, nu met een reële angst.
Oude dakpannen, glazen koepel, hardkunstof afdak, ze kunnen het zomaar begeven met een verkeerde windvlaag of hagel.
Maar ik zit niet meer in doodsangst.
Afwachten en je ziel in lijdzaamheid bezitten, een oud gezegde dat nog steeds opgang doet.☻
==