Hoed aan de wandel

Opgewekt liep de hoed door het centrum.
Hij laveerde behendig tussen de mensen door van wie sommigen lachend groetten: ‘Dag hoed’,  dan knipoogde hij. Het streelde hem.
Niet eerder was hij in zijn eentje op pad,  hij genoot ervan als van een avontuur.
Zo gezellig,  die winkels en etalages.
Maar na een paar uur viel hem de rust op. Minder mensen, sommige winkels sloten hun deur.
Het werd laat en later en uiteindelijk was hij alleen.
Ik ga maar terug, dacht hij,  het is bijna etenstijd.
Maar… van welke kant kwam hij eigenlijk?
Hij keek rond, probeerde alle zijstraten en herkende niets, gewend als hij was op een hoofd te zitten.
Wat nu?
Het werd donker.  Bang keek hij naar de lucht,  de maan bekeek hem verbaasd  maar kon hem niet helpen.
Hij kwam in een park terecht en daar zag hij iemand bij een standbeeld, opgelucht rende hij er naar toe.
Het was een aangeschoten feestganger die een praatje maakte met het beeld. ‘Kijk es,’ riep hij, ‘een hoed, ik zal hem op je kop zetten.. ziezo. Staat goed!’ een dronkemansdansje  makend.
De hoed wist niet wat hem overkwam. Hij draaide wat tot hij lekker zat en besloot te blijven zitten, altijd beter dan door de nacht te dwalen.
Gewend aan dit soort zitplaatsen viel hij in slaap.
Op het hoofd van  een beeldschone vrouw maar daar had hij geen weet van.
==