De stoel

Het huis was niet groot.
De bewoners leerden zich te voegen naar de geboden ruimte.  Aan tafel had elk gezinslid een vaste plaats.
Tot op een dag een verandering plaats vond.  Een nogal ingrijpende.
Er kwam een  extra stoel, een spiksplinternieuwe.
Een heuse rookstoel met dikke kussens en verstelbare rugleuning, waarin men zalig achteroverleunde en de kleintjes met zijn tweeën tegelijk in pasten. Er moest een bijzettafel voor verdwijnen maar het was geen punt.
Hij stond er gezellig,  lekker naast de kachel.

De vader had er geen behoefte aan, hij zat liever aan tafel met de krant.
De moeder genoot er ’s middags een uurtje van, kon ze uitrusten en nieuwe krachten opdoen met een dutje.
Na schooltijd zaten er  af en toe een paar kinderen in als ze niet buiten speelden.
`s Avonds zat de grote zoon er in te lezen, hij viel in slaap tot het bedtijd was. Daarna zat afwisselend de ene zus na de andere erin tot ze naar boven vertrokken.
En dan ging de moeder er alsnog een poosje in zitten om,  zoals ze het noemde, nog even te genieten van de stilte.
Tot ook zij naar bed ging.
De stoel had zich gevoegd naar de beschikbare ruimte en tegelijk naar het gezin.
===