‘Wat een gedoe. Hier een plasje, daar een dubbele oceaan, dan weer niks.’
‘Ja, en storm op de vreemdste plekken. Zo’n sullig erfje in een Brabants dorp, daar kan ik me toch niet in uitleven..’
‘Nee dan de sneeuw, dan kan ik ze niet kwijt, of het is teveel, nooit goed of het deugt niet.’
‘Een hoop gedonder is het. Letterlijk. En op de raarste tijden moet ik bliksemen.’
‘Tis hopeloos. Zó moet ik loeihard schijnen en meteen is het weer teveel, ongezond, mensen ziek, een gatverdammesse rotklus.’
‘Mijn ijzel is ook zo onregelmatig. De mensen glijden slechts uit voor de helft.’
‘ De hagel is verschrikkelijk ontregeld, stenen als rotsen, je verwacht dat de hoofden splijten.’
— af en toe overdreven ze wat in hun geklaag-
‘Wie beslist dit eigenlijk, cal die rotzooi?’
‘Ehh, Klimaat geloof ik.’
‘We moeten hem een lesje leren..’
‘Jaaa, alles tegelijk, kejje lachen…’
‘Wereldidee!! Donder, hagel, zon, regen, ijzel, storm, sneeuw… kom op.’
Ze schudden elkaar de hand, planden enthousiast een tijdstip.
–
En zo geschiedde.
Als dolgedraaiden (wat ze in feite waren) gaven ze de aarde alles wat ze te bieden hadden, zoveel, hard en luid als ze maar konden, giftig grijnzend tegen Klimaat die niet meer wist wat te voorspellen en zweeg, diep beledigd.
Na een redelijke tijd- de aarde verzoop nog nèt niet- trokken ze zich terug boven een dikke wolkenlaag en keken door een gat naar het resultaat.
Ze zagen hoe de mensen hun vuisten opstaken tegen boeren en meteorologen, alsof die dit veroorzaakten maar ja, mensen zijn vaak niet wijzer.
‘Het ziet er goed uit,’ besloten ze voldaan, ‘benieuwd of Klimaat er iets aan doet.’
Tja…
Ze waren zelf ook niet veel wijzer.
