Ze konden elkaar nauwelijks verdragen.
Elke morgen was het een diepe inwendige zucht en een onhoorbaar ‘Jèk…’
De valse gedachten flitsten over en weer, de lucht knetterde nog net niet.
‘Dat vreselijke figuur
die lelijke benen
en rare rondingen
zijn vormeloze zitvlak
haar magere lijf
zogenaamd hip
zogenaamd dienstbaar
pfff, ’t mocht wat
een houten klaas
overdreven zomers…’
De hatelijkheden kruisten elkaar.
Ze konden het niet stoppen.
Tot elkaar veroordeeld als ze waren, dat gezellige zitje.