Dit is mijn lievelings-winterkoekje.
Al van kinds af aan moest ik moeite doen om er niet stiekem een uit trommel te pakken maar het is er nooit van gekomen. Ik herinner me het idee van mezelf opschuilen in het dressoir, pal naast de trommel, maar dat was geen haalbare kaart. Ik was al te groot.
Tenslotte groeide ik er overheen. Over het jatten-idee bedoel ik, de koekjes verslind ik nog steeds zij het in aangepaste mate.
’s Morgens twee bij de eerste kop koffie.
’s Avonds twee bij de thee of koffie.
Daarmee houd ik mezelf op rantsoen. Officieel dan.
Wonderlijk. Patat of een ander hotfooditem kan me niet bekoren bij de ochtendkoffie. Een broodje haring ook niet netzomin als capucijners met spek of een puddingbroodje of wat dan ook.
Een speculaasje is zo’n beetje het lekkerste wat smaakt in de vroege ochtend, beetje gesopt in de koffie en… enfin.
Hoe kan het, vraag je je af, dat een ouderwets simpel koekje een volwassen mens zo bezig kan houden?
Simpelheid geef ik niet toe, uiteraard.
Waarschijnlijk zit er iets in de speculaaskruiden, iets dat me al jong te pakken had.
Kan niet anders.
===