Verslag over varen


In onze kindertijd was het een uitje wanneer mijn vader een roeiboot huurde of leende.
Het Zwet op, naar de Merken waar ergens een klein rieteilandje lag met voldoende gras om te picknicken – mijn moeder had bruinbrood belegd met kaas, kaas en kaas, en gezonde ranja. Het verhoogde de zwemvreugde weinig maar vulde de maag en het plezier was er niet minder door.
Hij vaarde ook wel eens de andere kant op, een sluisje door (bijzonder spannend voor een kind) en waar we terecht kwamen weet ik niet meer.
Later verruilden we pa en moe voor een paar kano’s, oude brakke dingen maar je kon met de eenpersoons lekker racen, voor mijn gevoel. De tweepersoons mocht ik niet gebruiken, ik was te klein.(wat niet waar was want ik kwam er mee weg; dat het ding na een paar meter muurvast dwars in de sloot lag was pech).
De kano’s vergingen, varen op het Zwet was voorbij.

Later, we woonden intussen vlakbij de Maas, was het opnieuw feest; zwager bouwde een boot, een grote, waarin een keukentje, w.c., slaapzakken, mini-tv, biertje, kortom, al het nuttigs aanwezig was. Iets geweldigs. Het varen in een stromende rivier is heel wat mooier dan in een modderplas; we genoten dan ook enorm behalve die keer dat de jongste overboord viel en wij het niet merkten en doorvoeren. Hij kon zwemmen, niettemin was het een heikele zaak, we waren blij dat we hem konden opvissen.  Sindsdien hield zwager het bij een rondje over de Mookerplas, daarna terug naar de steiger om te zwemmen, zonnen en Chinees te bestellen.  Als het bier op was gingen we naar huis.
Een mooie tijd.
Tenslotte was het grut groot, we vaarden niet meer.
In Duitsland probeerden we nog een Moezeltochtje van een paar uur, daarvan waren we ruim anderhalf uur kwijt aan de sluizen en hadden een krap kwartiertje voor een kop koffie aan wal. Eenmaal terug waren we horendol van de moezelmuzak.
Daarmee hadden we genoeg van varen.
Uit nostalgie namen we af en toe een pont over de Maas maar dat was niet hetzelfde.

Zondag werd vrije dag

De zondag was nog min of meer heilig in de jaren vijftig; niet alleen werken, ook zwemmen en fietsen was verboden.
Alle gelovigen gingen die dag naar de kerk, lopend, meer een soort wandelmars  zonder stopwatch. Katholieken en  christelijken vormden de hoofdmoot, ieder naar hun eigen dienst.
Wij kinderen verveelden ons suf. Eerst moest je mee naar de mis die lang duurde. Daarna gingen we buitenspelen; omdat de kleren netjes moesten blijven bleef het bij gedwongen rondhangen want zondagse jurken en broeken waren van alle gezindten. We waren blij als pa en moe ons meenamen voor een wandeling naar het park.
En toen, op een dag, mocht er gefietst worden op zondag. Later ook gezwommen. Het werd een heuse vrije dag waarvan je mocht profiteren. Een zaligheid, temeer daar we als roomsen de eerste waren.
Raar dat zoiets je bij blijft, het triomfantelijke leedvermaak tegenover andersdenkende buurkinderen: wij mogen  fietsen en zwemmen en jullie lekker niet.
De zege was van korte duur, na luttele maanden (of weken) gaven dominees hun gemeentes dezelfde vrijheden. Kerkelijke gezaghebbers ontkwamen er niet aan, zeker niet in de geïndustrialiseerde Zaanstreek.
Geloof het of niet, ondanks  mijn scepsis betr. de bijbel komt deze stap nog af en toe bij me op
Hoe blij we hiermee waren.