Generale repetitie

Eergisteren zag ik de heer S. Klaas.
Op een stille plek in het bos hield hij de laatste oefening voor zijn verjaardag,
De man was opvallend verouderd, het spinnenweb op zijn gezicht leek een ravijnenlandschap.
Desondanks zat hij kaarsrecht op een eveneens zeer oude en schonkige schimmel.
Hij pronkte met zijn leeftijd, uitdagend zelfs; een kuierend stel bejaarden verdween schielijk achter een boom, zich schamend voor hun jonge ouderdom.

Hij beheerde nog steeds een grote stoet bedienden, zag ik. Ook zij waren actief.
Hoewel zwart uitgeslagen van ouderdom deden zij koene pogingen hun lijven wat op te rekken. Af en toe dansten hun stramme beentjes uit de maat, dan kreunden ze een liedje.
Streng als oude mannen soms zijn  hield de heer Klaas zich doof voor hun klachten.
Hij raffelde de oefening af en begaf zich naar café Groenzicht teneinde de middag af te ronden.
Nieuwsgierig volgde ik hem.
De bedienden -half kreupel van spierpijn- volgden gehoorzaam hun baas die zich van zijn paard liet helpen en dorstig naar de tapkast schreed.
Waardig knikte hij naar de kastelein, de man mocht een rondje geven.

Het was een natte afsluiting van de repetitie.
Ongelooflijk, zoveel drank als de oude naar binnen wist te hijsen. Alle cliché’s over Klazen waren op hem van toepassing: te rode wangetjes, het slissen, scheve baard,  het geloens naar de vrouw des huizes. De heer Klaas speelde het met verve.
Met verbazing zag ik het aan, ik wist niet dat borrels zoveel elan konden opwekken.
En toen hij het barmeisje over de knie legde begreep ik het pas.
Hij was een oefenklaas die de echte nadeed.
=

Duister water

Een geheimzinnige poel.
Des verderfs? Een bodem van vermoorden, verminkten en kadavers? Halfdoden?
God weet of de duivel.
’s Nacht zijn er lugubere geluiden wanneer onderwatergeesten grote schoonmaak houden met ruwe hand. Kermend gebubbel stijgt op, vergezeld van kwalijke dampen met onnavolgbare geuren.
Een kwart lichaam stijgt ploppend naar de oppervlakte, onherkenbaar voor mens en dier.
Men hoort en huivert.
Het hoofd diep onder de dekbedden.

Langzaam, langzaam verzinkt de poel in rust.
De dageraad, bangelijk en bijgelovig,  versluiert de nacht en belicht een vriendelijke vijver. De bloemetjes spelen mee.
Tot opnieuw het licht verdwijnt.
==

Die goeie ouwe Asus

Vanavond wilde ik hem definitief aan de kant zetten. Nog één keer proberen, dacht ik en zette hem aan.
Hij gehoorzaamde onmiddellijk, ongelooflijk, bijna zou ik hem omhelsd hebben van opluchting. In plaats daarvan liet ik de antivirusscanner op hem los maar hij nam het me niet kwalijk.
Uiteindelijk kwamen alle programma’s tevoorschijn et voilà, we zijn weer herenigd.
Toch weet ik nog steeds niet wat hem deed besluiten op zwart te gaan en daar vijf dagen te blijven, doof voor alle noodgrepen die ik toepaste.
Hopelijk was het  geen voorproefje van een blijvende zwartheid.
Liever beschouw ik het als een retraite. Wanneer computers ons echt eens vervangen doen ze er verstandig aan mensen’s gewoonten aan te leren, dat snappen ze nu al.
Misschien maken ze ooit een eigen gebed.
-Lieve Heer,
ik dank U voor de smeer
en de fijne garagesfeer-
Alleen mijn Asus moet daar buiten blijven, hij is meer geschikt als model voor mijn bureau.
Of hij het snapt is de vraag.

Een vlieg in de winter

Er zat een vlieg in de slaapkamer. Zo een die je meestal in de zomer ziet, diepzwart met een fluwelig rompje en minipootjes.

Vanmorgen werd ik wakker en knipte de lamp aan. Toen zag ik hem, op het nachtkastje. Ik keek naar hem. We knipperden niet, bleven doodstil wachten tot de ander begon. Het duurde lang, tè lang.
‘Ga weg,’ zei ik, ‘ga naar je moeder’ want hij was klein voor zijn leeftijd.Misschien gekrompen tijdens het verdwalen.
Hij bleef zitten.
Ik zette het raam open en wapperde om hem weg te sturen.
Hij ging niet.
Toen nam ik een tissue om hem voorzichtig op te pakken en uit te laten.
Hij was dood. Ja, zo kan ik het ook zonder te knipperen.