stenen hart

Stenen hart

‘In wezen ben ik keihard’  stelde ik eens.
Er werd op voorhoofden getikt.  ‘Blijf van mijn boeken af,’  blafte grote broer die de zin herkende.
‘In wezen ben ik keihard,’ legde ik een jongen uit met wie ik niet meer wilde dansen.Hij  had me gevraagd naar het waarom maar ik wilde niet zeggen dat hij me afstootte.

Later, toen we bijna onwerelds verliefd waren, meende ik aanstaande te moeten waarschuwen: ‘In wezen ben ik keihard.’  Maar wat gaf het, het betekende niets en wat dan nog, liefde was ook toen al blind.
Weer veel later zaten broer en zus hier te ginnegappen, vertelden echtgenoot dat ik vroeger al opschepte met dit zinnetje en vroegen hem of ik echt zo keihard was.
‘Och, het gaat wel..’
En dat vond ik pas echt  hard. Keihard.
Onlogisch, maar ja.
==

melig

Melig

Ik hou van mij
 – En ik van mij.
Fijn dat we het eens zijn.

Ik gaap van de honger.
 – Hou vol dan stop ik er een broodje in.

Lust je koffie?
– Graag.

Schenk  meteen voor mij in.

Dit gedoe hielden we nooit lang vol, het werd niet gewaardeerd behalve door ons zelf, zus  en ik.
Met name de mannen hadden er een hekel aan. Echtgenoot, vader, alle zwagers, broers, schoonbroers. Ze konden er geen lach om krijgen, vonden het flauw en zagen de humor niet.
Misschien te moeilijk voor ze, spotten we.
Maar we gaven toe dat het inderdaad ontzettend zouteloos was en hielden ons in.
En toch, toen een paar weken geleden een zus hier was, haalde ze het weer op. ‘Weet je nog Bertie,’ begon ze, ‘dat we dubbel lagen om niks?’
Meer was niet nodig.
===

bezoek

Zus en zo

Zo lang niet gezien, we kwamen uit op ongeveer  zeven jaar.  Er was telefonisch contact maar dit was het echte werk.
En wat krijg je dan, zoals heel vaak met broers en zussen: je praat gewoon verder alsof je elkaar gister nog trof. Het zal dezelfde afkomst zijn, je hebt eendere meemaaksels en herinneringen  en weet waarover de ander het heeft.
Ook spraken we over de oorlog, ze is van 1936 dus wist ze nog ’n beetje van de laatste jaren. Je hoort het vanuit een heel ander perspectief dan die van ouders en ouderen. Mijn moeder vond de kou het ergste van de beruchte winter ’44-’45, zus wist daar niets meer van.
Zondag komt er opnieuw visite.
Het kan. De kamer is groot, met mooi weer zetten we  tuinstoelen uit elkaar, de taart smaakt evengoed.
Enfin.
Behalve het bezoek van koffie voorzien houd ik me voorlopig gedeisd.
Eerst afwachten of het virus niet opnieuw toeslaat.

Een van de beste versoepelingen is het heropenen van de bibliotheek.
Reikhalzend kijk ik er naar uit, die mis ik heel erg. e-Books kunnen het gemis van papier niet helemaal goedmaken.
Ik snap trouwens niet waarom de bieb op slot moest, een plek waar de meeste mensen op zichzelf zijn, zelfs aan de koffietafel zit ieder met een eigen boek of tijdschrift.
Nog een paar dagen…
=

bang

Over bang

Dat ben ik, van aard. Overgeërfd misschien.
Of waren een paar dingen toch van invloed? Ik weet het niet, in grote gezinnen had je altijd wel iemand die je aan het schrikken maakte.
Er was een zus die graag enge dingen deed als plotseling voor en donker raam staan. Ik was haar meest gewilde slachtoffer.
Grote zesdeklassers met griezelpraatjes over rare mannen in de bosjes, gluipers die in het donker rondslopen.
Natuurlijk hadden we ook een lollige oom die ons de stuipen op het lijf joeg met aanschouwelijke beelden van de bullebak en tientonen, wonend in ons  modderslootje.
Dan had je nog iemand die grappig dacht te zijn.
Wachtend op de trein stond hij op het randje van het perron en zei dan: je zou toch met je hoofd op de rails vallen.
Of op de pont deed alsof hij het IJ in zou rijden.
Echt overal deed hij zoiets, de lammeling.
Hij zal zelf wel bang zijn geweest.

Moe verbood bangmakerij ten strengste maar ja, achter haar rug gingen de dingen hun eigen gang.
Nu zit ik er mee opgescheept.
In elke hoek zie ik een griezel van draculaformaat en schrik me dood van mijn spiegelbeeld. Schuifelend verplaats ik me door de straten, vraag me af wat er in deze laptop huist en wie zegt dat de buurkat niet een verkapt monster is?
Nou? Nou??
==

melancholie

Weemoed

regenserreIk zit voor een raam, luister naar de regen en lees.
Af en toe is er beweging, een kauw die langs scheert in een korte droogte, een musje. Takken waaien verwoed en sproeien.
Dan is er weer het geruis . Soms in een afwijkende maat door het lek in de dakgoot.
Ik maak een kop nescafé en neem het boek weer op.
Plotseling overvalt me een droefgeestig gevoel. Ik kijk rond, zie dat er niets verandert en probeer het weg te lezen. Maar nee…
Waarvandaan komt die melancholie, dat heimwee naar nooit gedane dingen?
Want je weet niet hoe het begint.
Het duurt en duurt.
Ik kijk naar het boek. Het gaat over dementie, van Nicci Gerrard.
Naar de ramen die zicht bieden op overdadig groen maar zelf een voorbije zomer tonen.
De lucht die te vroeg donker wordt, iets waar ik een gloeiende pesthekel aan heb.
Dan bel ik iemand. Niet thuis.
Daarna een zus. Ze heeft geen tijd.
Alleen de laptop neemt geduldig op wat ik schrijf.
Nu zie ik weer het vaasje bloemen van de topinamboer. Best lief.

bloedprikken

Bloedprikken

Bericht dat ik kreeg deze week:
‘Blabla…bloedprikken… nuchter blijven en een plasje meenemen. Hiervoor kunt u een urinecontainer afhalen….’
Een container. Nou vraag ik je.
Elke keer als ik het lees en hoor vind ik het een lachwekkend woord.
Dan denk ik aan een kliko en dat niet alleen, ik zie mezelf ook zeulen met dat rammelende en klotsende ding en hem afleveren bij de prikster.
Met de zus die wijlen is werd er steevast een mini-act van gemaakt.
‘Alstublieft, de urinecontainer. Denkt U dat het genoeg is? ‘
‘Dank U, hoeveel zit erin?’
‘Litertje of 20…’
‘Dat lijkt me voldoende, ik zal hem leegmaken…’
Verder kwamen we nooit, de slappe lach verhinderde een verdere voordracht. Op het huisartsenbericht en het prikformulier wordt het woord ‘potje’ gebruikt, een heel wat sympathiekere benaming.
Ik mis de zus maar lach hier nog steeds om.
==

schrijven

Kalm aan

Bewegen is nuttig maar waarom zou je er een sport van maken?
Ik hoef niet zo nodig het snelste te fietsen of de eerste te zijn in borstcrawl.
Nog veel minder is de animo een paard als hulpmiddel te gebruiken om een medaille te winnen.
Als kind deden we dergelijke spelletjes, wie het eerst bij de zandbak was of het vlugst bij de ijskar.
Sinds we groot zijn hebben we die competitie niet meer nodig.


Dit ↑ schreef ik in de serie ‘max.120 woorden’ bij de opdracht Sport.

Een van de zussen las het toevallig en gaf het door aan een broer.
‘Dit,’ zei zus, ‘is precies zoals jij bent.’
Ik was zeer verguld, beschouwde het als een compliment.
Broer: ‘Klopt, je was als kind al niet vooruit te branden.’

 

herinneringen

Gedachten

Af en toe verschijnt er een beeld van jaren her op mijn netvlies.
Dat kan van alle leeftijden en situaties zijn, soms goed, soms minder en ook wel eens ronduit slecht.
Het idee dat vroeger alles beter was verwerp ik maar er waren natuurlijk ook mooie  momenten.
Een van de beste was die waarop een van de zussen op haar gitaar speelde en zong, met een andere zus of een vriendin. Dan werd de radio uitgezet.
Er was een zus die piano speelde, een die gitaarles had en een die het op eigen houtje probeerde maar de zus die zong blijft het meest in de herinnering hangen. Haar stem had iets, iets sweets en was verstaanbaar tegelijk,  zelfs oude zeurliedjes van eenzame cowboys en kampvuren verzachtte ze tot een sfeer waarbij het liedje er niet toe deed, alleen haar stem hoorden we.
De gloeiende kachel en gedimde schemerlamp droegen ongetwijfeld bij aan die sfeer.
Maakt niet uit, de herinnering is mooi genoeg om vrede te hebben met de minder mooi dingen.
tuintje

Tuinwerk

Eens liepen vriend en ik door het tuintje van een zus.  We aaiden de kat en bevoelden de perziken.
Ze waren nog niet rijp, wel merkten we iets anders: de bodem veerde. Vreemd, bij elke stap hupten we ’n beetje, een gekke  gewaarwording. De kat opende een geërgerd oog. Hij hupte niet.

‘Wat is dat nou?’ vroeg vriend.
Er schoot me niets anders te binnen dan een flauwe grap. ‘Dat is speciale mest voor dit perzikenras, tegen de rot.’
‘Wat raar…’ Hij geloofde me niet.
We hupten wat heen en weer en net wilde ik toegeven dat ik het niet wist toen zus er bij kwam. Ze zag ons springen.
‘Je heb het al gevonden. Goed idee van ons hè, we wisten niet wat we er mee aan  moesten en wilden het niet bij de vuilnis  zetten.’
Ze zag ons onbegrip.
‘Dat oude grote matras weet je wel, met die binnenvering.’
Onze breinen werkten te traag. Wat wil je, met al dat gehups.
Luid en langzaam zei ze  ‘We-hebben-het-ding-hier-begraven…. ‘

Internet

Verbroken…


Vanavond viel de verbinding met Internet uit.

Ach, nou ja, dat wordt lezen. Dacht ik. En ik las.
Zojuist toch even even geprobeerd op tablet, en ja, verbinding hersteld.
Dat had me in de beginjaren van computergebruik moeten gebeuren, in alle staten was ik. Indien er geen kind voorhanden was belde ik er een: ‘heb je even tijd? Alsjeblieft en please? Ik weet niet wat ik gedaan heb maar de boel is kapot en wat moet ik nu doen enzovoorts.’
Daar had ik geen rust van, dacht alleen maar aan wat ik had willen mailen of wat dan ook,  kwam niet op het idee om iets anders te doen. Nerveus werden alle knoppen geprobeerd, een wonder dat ik niets stuk maakte.
Intussen heb ik niet alleen ’n beetje bijgeleerd, ik ben ook wat minder freaky. Geen web? Pech gehad; televisie, boeken, beetje breiwerk, puzzels, er is altijd een vervangmiddel en vaak is het nog leuk ook. Of ik bel een zus.
Niet meer in paniek raken wanneer ik het web niet op kan, er is ook nog een andere wereld.
Een verworvenheid al zeg ik het zelf.
Nu het weggevallen geluid nog.
Of zal ik zelf zingen? 🎶