verhaal

Alleen zus

begrafenischrysanthemum-5253660_960_720
Straks heb ik alleen nog maar een zus.
Deze gedachte kwam telkens bovendrijven vanaf het moment dat de rituelen na vaders dood een aanvang namen.
Bij het schrijven van uitnodigingen, de keuze van een kist, bespreken van kerk en kerkhof.
Mijn zus. Het verdriet spitste zich toe op dat besef, meer dan op het overlijden van papa.
In de kerk probeerde ik haar te visualiseren.
Het lukte niet, corona hield ons zelfs in schijn gescheiden.
We deden het met de telefoon. Zij in Canada, ik hier.
Lopend achter de pastoor naar papa’s graf werd de gedachte bijna een obsessie:  straks …
…godver, waarom moest het nou zo.
We waren er. Er werd gebeden en gepreveld, de kist zakte.
Een schep zand.
Een nieuwe gedachte. Nu heb ik alleen nog maar een zus.
==
ps
Stukje uit een lang verhaal. Niet autobio.
==

kapsels

(niet) over kapsels

Op de tv was een vrouw te zien met een te jong kapsel. Of zij te oud. Jammer, dacht ik.
Later kwam een man voorbij met een vergelijkbare haardracht. Zal een pruik zijn, leek me.
Net toen ik dacht: wat kan jouw iemands kapsel schelen, viel mijn oog op wéér een bijzondere bos. Gelukkig had ik een boek en kon de tv uit.
Toch dwaalden mijn gedachten af.
Wat maakt me zo kinderachtig kritisch, ben ik zelf zo mooi dan, die mensen zijn prima en hun haren ook, wat zeur ik nou, en meer.
Daarmee kwam ik weer (een mens denkt er wat af) op iemand die me na één kapsel-opmerking een kam zou aanreiken. En werd er gegrapt en mijn gezever zou afgelopen zijn.
Eigenlijk waren het twee mensen.
Een zus die feilloos mijn stemming peilde en met humor antwoordde. En Moe die me terecht wees: kijk eerst eens naar jezelf. Die zin haatte ik, toen.  Pas later werd ik wijzer enzovoorts enzovoorts.
Zo verder neuzelend vergat ik de kapsels, las een hoofdstuk, zette later de tv weer aan voor wat mooiers en wat zien ik?

=

gezin

Over de plaats in een gezin.

Eens, lang geleden, las ik dat middelste kinderen van een gezin ondergesneeuwd raakten door de belangstelling voor de oudste en jongste.
Het sprak me zeer aan.
Na mij was kwam nog een broertje,  een lief, een aanvallig ventje, opgewekt, pienter, vol humor, kortom, daar kon ik niet aan tippen.
De broer boven mij, twee jaar ouder,  hielp ook al niet mee, hij was sterker en kon veel beter zwemmen en harder schaatsen en als hij een lekke band had pakte hij ongevraagd mijn fiets.
Je begrijpt:  het artikel was me op het lijf geschreven
Eerlijk gezegd waren we met negen kinderen waarvan ik het achtste was maar door de samenstelling lag het anders, vond ik.
Na de zesde kwamen de drie jongsten wat later: broer, ik, broertje. We hoorden nooit bij de groten zodat we een gezinnetje in een gezin vormden. Logische gedachte toch?
Enfin.
Het artikel sloot precies aan bij mijn dagelijkse problemen: grotere broer was de baas, kleine broertje de lieveling en ik bungelde er maar wat bij.
En nu dit, door een heuse deskundige bedacht. Eindelijk gerechtigheid.
Toen ik een zus het artikel liet lezen lachte ze me uit. De anderen ook en de bazige broer het hardst.
Mijn moeder gooide het in de kachel, mopperend dat ik van grote-mensen-spullen moest afblijven.
Weg erkenning en dat op mijn tiende. Gottegot.
Beide broers leven niet meer maar wat hebben we er hard om gelachen. Later. Toen ik niet meer jaloers hoefde te zijn.
==
Het kwam uit de Margriet waarin dr. Sis Heyster dit soort artikelen schreef. De naam kwam ik opnieuw tegen bij google.
==

stenen hart

Stenen hart

‘In wezen ben ik keihard’  stelde ik eens.
Er werd op voorhoofden getikt.  ‘Blijf van mijn boeken af,’  blafte grote broer die de zin herkende.
‘In wezen ben ik keihard,’ legde ik een jongen uit met wie ik niet meer wilde dansen.Hij  had me gevraagd naar het waarom maar ik wilde niet zeggen dat hij me afstootte.

Later, toen we bijna onwerelds verliefd waren, meende ik aanstaande te moeten waarschuwen: ‘In wezen ben ik keihard.’  Maar wat gaf het, het betekende niets en wat dan nog, liefde was ook toen al blind.
Weer veel later zaten broer en zus hier te ginnegappen, vertelden echtgenoot dat ik vroeger al opschepte met dit zinnetje en vroegen hem of ik echt zo keihard was.
‘Och, het gaat wel..’
En dat vond ik pas echt  hard. Keihard.
Onlogisch, maar ja.
==

melig

Melig

Ik hou van mij
 – En ik van mij.
Fijn dat we het eens zijn.

Ik gaap van de honger.
 – Hou vol dan stop ik er een broodje in.

Lust je koffie?
– Graag.

Schenk  meteen voor mij in.

Dit gedoe hielden we nooit lang vol, het werd niet gewaardeerd behalve door ons zelf, zus  en ik.
Met name de mannen hadden er een hekel aan. Echtgenoot, vader, alle zwagers, broers, schoonbroers. Ze konden er geen lach om krijgen, vonden het flauw en zagen de humor niet.
Misschien te moeilijk voor ze, spotten we.
Maar we gaven toe dat het inderdaad ontzettend zouteloos was en hielden ons in.
En toch, toen een paar weken geleden een zus hier was, haalde ze het weer op. ‘Weet je nog Bertie,’ begon ze, ‘dat we dubbel lagen om niks?’
Meer was niet nodig.
===

bezoek

Zus en zo

Zo lang niet gezien, we kwamen uit op ongeveer  zeven jaar.  Er was telefonisch contact maar dit was het echte werk.
En wat krijg je dan, zoals heel vaak met broers en zussen: je praat gewoon verder alsof je elkaar gister nog trof. Het zal dezelfde afkomst zijn, je hebt eendere meemaaksels en herinneringen  en weet waarover de ander het heeft.
Ook spraken we over de oorlog, ze is van 1936 dus wist ze nog ’n beetje van de laatste jaren. Je hoort het vanuit een heel ander perspectief dan die van ouders en ouderen. Mijn moeder vond de kou het ergste van de beruchte winter ’44-’45, zus wist daar niets meer van.
Zondag komt er opnieuw visite.
Het kan. De kamer is groot, met mooi weer zetten we  tuinstoelen uit elkaar, de taart smaakt evengoed.
Enfin.
Behalve het bezoek van koffie voorzien houd ik me voorlopig gedeisd.
Eerst afwachten of het virus niet opnieuw toeslaat.

Een van de beste versoepelingen is het heropenen van de bibliotheek.
Reikhalzend kijk ik er naar uit, die mis ik heel erg. e-Books kunnen het gemis van papier niet helemaal goedmaken.
Ik snap trouwens niet waarom de bieb op slot moest, een plek waar de meeste mensen op zichzelf zijn, zelfs aan de koffietafel zit ieder met een eigen boek of tijdschrift.
Nog een paar dagen…
=

bang

Over bang

Dat ben ik, van aard. Overgeërfd misschien.
Of waren een paar dingen toch van invloed? Ik weet het niet, in grote gezinnen had je altijd wel iemand die je aan het schrikken maakte.
Er was een zus die graag enge dingen deed als plotseling voor en donker raam staan. Ik was haar meest gewilde slachtoffer.
Grote zesdeklassers met griezelpraatjes over rare mannen in de bosjes, gluipers die in het donker rondslopen.
Natuurlijk hadden we ook een lollige oom die ons de stuipen op het lijf joeg met aanschouwelijke beelden van de bullebak en tientonen, wonend in ons  modderslootje.
Dan had je nog iemand die grappig dacht te zijn.
Wachtend op de trein stond hij op het randje van het perron en zei dan: je zou toch met je hoofd op de rails vallen.
Of op de pont deed alsof hij het IJ in zou rijden.
Echt overal deed hij zoiets, de lammeling.
Hij zal zelf wel bang zijn geweest.

Moe verbood bangmakerij ten strengste maar ja, achter haar rug gingen de dingen hun eigen gang.
Nu zit ik er mee opgescheept.
In elke hoek zie ik een griezel van draculaformaat en schrik me dood van mijn spiegelbeeld. Schuifelend verplaats ik me door de straten, vraag me af wat er in deze laptop huist en wie zegt dat de buurkat niet een verkapt monster is?
Nou? Nou??
==

melancholie

Weemoed

regenserreIk zit voor een raam, luister naar de regen en lees.
Af en toe is er beweging, een kauw die langs scheert in een korte droogte, een musje. Takken waaien verwoed en sproeien.
Dan is er weer het geruis . Soms in een afwijkende maat door het lek in de dakgoot.
Ik maak een kop nescafé en neem het boek weer op.
Plotseling overvalt me een droefgeestig gevoel. Ik kijk rond, zie dat er niets verandert en probeer het weg te lezen. Maar nee…
Waarvandaan komt die melancholie, dat heimwee naar nooit gedane dingen?
Want je weet niet hoe het begint.
Het duurt en duurt.
Ik kijk naar het boek. Het gaat over dementie, van Nicci Gerrard.
Naar de ramen die zicht bieden op overdadig groen maar zelf een voorbije zomer tonen.
De lucht die te vroeg donker wordt, iets waar ik een gloeiende pesthekel aan heb.
Dan bel ik iemand. Niet thuis.
Daarna een zus. Ze heeft geen tijd.
Alleen de laptop neemt geduldig op wat ik schrijf.
Nu zie ik weer het vaasje bloemen van de topinamboer. Best lief.

bloedprikken

Bloedprikken

Bericht dat ik kreeg deze week:
‘Blabla…bloedprikken… nuchter blijven en een plasje meenemen. Hiervoor kunt u een urinecontainer afhalen….’
Een container. Nou vraag ik je.
Elke keer als ik het lees en hoor vind ik het een lachwekkend woord.
Dan denk ik aan een kliko en dat niet alleen, ik zie mezelf ook zeulen met dat rammelende en klotsende ding en hem afleveren bij de prikster.
Met de zus die wijlen is werd er steevast een mini-act van gemaakt.
‘Alstublieft, de urinecontainer. Denkt U dat het genoeg is? ‘
‘Dank U, hoeveel zit erin?’
‘Litertje of 20…’
‘Dat lijkt me voldoende, ik zal hem leegmaken…’
Verder kwamen we nooit, de slappe lach verhinderde een verdere voordracht. Op het huisartsenbericht en het prikformulier wordt het woord ‘potje’ gebruikt, een heel wat sympathiekere benaming.
Ik mis de zus maar lach hier nog steeds om.
==

schrijven

Kalm aan

Bewegen is nuttig maar waarom zou je er een sport van maken?
Ik hoef niet zo nodig het snelste te fietsen of de eerste te zijn in borstcrawl.
Nog veel minder is de animo een paard als hulpmiddel te gebruiken om een medaille te winnen.
Als kind deden we dergelijke spelletjes, wie het eerst bij de zandbak was of het vlugst bij de ijskar.
Sinds we groot zijn hebben we die competitie niet meer nodig.


Dit ↑ schreef ik in de serie ‘max.120 woorden’ bij de opdracht Sport.

Een van de zussen las het toevallig en gaf het door aan een broer.
‘Dit,’ zei zus, ‘is precies zoals jij bent.’
Ik was zeer verguld, beschouwde het als een compliment.
Broer: ‘Klopt, je was als kind al niet vooruit te branden.’