Huisvrouw jaren ’70

– Bij het allereerste voorjaarszonnetje nam ik het ervan.
‘Van het mooie weer moet je profiteren,’ zette een relaxstoel in de zon en profiteerde.
– In de eerste zomerdagen nam ik het er ook van.
‘Nù bijkleuren, de was kan morgen nog.’  Wederom zat ik in de relaxstoel en bruinde.
– Met zachte herfstdagen nam ik het er opnieuw van.
‘Zalig herfstweer, we gaan genieten. Morgen is het misschien afgelopen.’ De relaxstoel wachtte geduldig.
Trof je iemand dan was het meestal: ‘laten we buiten zitten, nu is het mooi weer.’
Soms duurde een zomerse zonperiode langer, dat voelde als een extra vakantie en leefde ik buiten.
Zoals de meeste vrouwen die ik kende. Baantjes in deeltijd waren er nog niet en creches ook niet veel.
Genieten dan maar.

Als we met het huidige klimaat in die positie zaten zouden we waarschijnlijk buiten slapen, afwassen, douchen en zelfs onze babies baren in de relaxstoel.
==

Advertenties

winter-lente, halfomhalf

De lente nam bijzonder snel winter’s plaats in.
Een paar dagen terug liep ik nog met warme kruiken in mijn schoenen, gistermiddag zat ik buiten. In de zon en uit de wind was het 20ºC, later nog iets meer.
Achterover leunend in de zonnestoel, benen gestrekt en met blote voeten. Groenja met ijs naast me.
Het leven was vurrukkulluk voor even.
Het kostte me dan ook moeite de stoel te verlaten bij het voortgaan van de tijd, ik stond niet op ondanks de nadering van schaduw. Het koelde af en ik rilde maar volhardend bleef ik. Armen en gezicht vingen nog zon die de puntjes van mijn kippenvel verwarmde.  Nog tien minuutjes. Nog vijf.
Tot alleen mijn haar oplichtte.
Gezond verstand overwon. Ik rees op en verdween naar binnen waar de cv eveneens op 20 graden stond en een aangename warmte verspreidde.
Maar het was niet hetzelfde.

‘Het worde licht…’

sprak iemand en ik was meteen een ander mens.
Winterweertypes met een heldere lucht doen wat met je. Je fleurt er van op, wat heet, je straalt als een zon, toen ik vanmiddag langs de kamerplanten liep schoten ze direct in knop en een ervan bloeit al.
Nou ja, in mijn verbeelding.
Ik kijk uit naar februari waarin je opstaat met dat typische daglicht, bleek en blijmakend.
Daarna een maarts zonnetje.
De eerste bruinsessie, snoeiwerk en zweten met schoffels en hitte, vogelbadjes waarin puffende mussen en mijn voeten in het vijvertje en…
nu draaf ik door.
Geeft niet.
Voordromen mag.

Zeer dikke mist

De wereld kromp, werd klein en kleiner tot alleen ik leek te bestaan.
Eenzaam stond ik daar in het vage licht van een versluierde zon. Fiets aan de hand, niet wetend welke kant ik op moest. Door rond te kijken was ik uit balans, alle richtingen zagen er eender uit, zelfs boven en beneden konden verkeerd zijn.
Wat te doen.
Ik voelde met mijn handen of er iets te leunen viel, een boom, muur, wat dan ook. Niets. Op de tast zette ik de fiets op de standaard en liet me voorzichtig zakken op verdwenen grond.
Dan nam ik de tas van het stuur. Maar…wat.. zelfs die zag ik niet meer, in het wilde weg graaiend vond ik hem, zocht naar het mobieltje, toetste 112. Er gebeurde niets.
Mijn hand verdween, ik pakte hem met de andere die ik ook niet meer zag. Alles weg, de wereld, telefoon, ikzelf.
Gespannen zweefde ik in het niets, wachtend op licht? Godot? Hulp?
Het duurde lang.
Veel later, ik was al bijna voorgoed opgelost, werd het helder, nevelen verdunden, contouren werden zichtbaar.
Ik stond op en zag de omgeving verschijnen.
Opgelucht herkende ik mijn achterdeur en keukenraam.
Ik stond op de stoep.

Geen gezicht

Het was mooi weer.
De zon noodde tot wandelen in een luchtig jack en dat trok ik dan ook aan.
Na vijftig meter zeilden enkele wolken over, precies boven mijn hoofd. Ze bleven hangen voor de zon zodat ik het koud kreeg.
Bibberend liep ik de bibliotheek binnen, kwam mezelf tegen in de liftspiegel en schrok.
Éven dacht ik dat er iemand achter me stond, draaide me om maar nee.
Het was mijn eigen kouwelijke gezicht, lijkwit met roze oogleden. Haren piekten.
Mijn god, ga ik er op mijn oude dag uitzien als een ziek konijn?
Haastig deed ik de kraag omhoog, trok plukken haar naar voren. Ik bleef zichtbaar.
Dan maar met geheven hoofd.
In de boekenafdeling waren een paar mensen, ook aan de leestafel, bij de koffie en kranten, een paar bekenden zag ik.
Niemand merkte me op.
Ik begrijp het.
Ze zijn gewend aan zieke konijnen.

Tuin en worm

De wind en regen gingen langzaam over in briesje en zon. Daar krijg je buitenkriebels van, stoepen vegen en zo.
Ik schrobde, ruimde blad, knipte dode takken, het enthousiasme was groot.
Tot ik aan een duister hoekje kwam waar een potplant in de weg stond.
Ik schoof hem opzij en wat zag ik?
Een regenworm.
En wat voor een.
Hij was vettig en ringelig en had een smerige bleek-roze-grijze kleur en blonk.
Het beest bewoog, traag, segment voor segment krimpend en rekkend met die griezelige typisch-pootloze gang.
Lang was hij ook en bijna een vinger dik,  meer een reuzenboa in tuinformaat.
Daar had ik niet op gerekend, ik dacht dat ze na de zomer de diepte in gingen.
Haastig liep ik weg van het ondier en ging op andere plekken verder maar het enthousiasme was verdwenen. Ongeïnspireerd ruimde ik nog wat,  aldoor het monsterlijke schepsel voor me ziend.
Een uur later liep ik op mijn tenen naar de donkere hoek, de pier lag twee tegels verderop.
Ik slikte.
Toen heb ik hem voorzichtig onder de schutting geveegd, met een heel lange bezemsteel.

Geloven in reïncarnatie?

Nou nee, niet mijn fort. Dus ook geen regressietherapie of iets wat daar op lijkt.
Maanstenen, zonnevlecht? Het zal wel.
Al zijn een paar dingen begrijpelijk. De aantrekkingskracht van de maan op aarde is onmiskenbaar (getijden), niet zo gek dat mensen hierop verder borduren.
Over de zon hoef ik niets uit te leggen, iedereen ziet de grote invloed op klimaat en mensen.
Iets anders is het déjà vu. Een wonderlijk verschijnsel dat ik steevast verklaarde met logische redenen: dat heb je gelezen of gehoord of gezien in films.
Tot ik hoorde van een zwager die voor het eerst in Zwitserland kwam. ‘Hé,’ zei hij, ‘dit ken ik.’ Zijn vrouw voerde alle drogredenen aan maar hij kapte haar verhalen af. Zonder opsmuk of details uit te leggen. Hij herkende het landschap en verder ging hij er niet op in. Stel je voor, een nuchtere Zeeuw die dit zegt.
Hierdoor dacht ik na over het oergeheugen, een discutabel gegeven waarvan je soms leest (op google niet gevonden).
Het zou de oorzaak zijn van fobieën betreffende extreme temperaturen, heet en koud. Denk aan monstervarens, slangen, bevriezingen, insneeuwingen.
Als je bedenkt dat het geheugen een moeizaam onderwerp is waarin je hele leven opgeslagen zit, misschien ook genetisch bepaald is,  dan ga je vanzelf naar herinnerbare vroegere levens.
Wie weet waren we een Cleopatra zo mooi als Liz Taylor.
Jammer dat echtgenoot dat niet meer weet.

Weerpraatje

Er waren tijden dat we, voor zover dit mogelijk was, de boel de boel lieten of een snipperdag opnamen om naar buiten te gaan op mooie dagen.
Strand, zwembad, slootkant, teil, terras, whatever want het was:
mooi weer, daar gaan we van profiteren
eindelijk droog
de eerste zomerdag
een zalige zon
morgen regent het
enzovoorts.
Er kwamen wel zomers voor met langdurige droogtes en zon maar ze waren niet standaard.
Nu begint het daar op te lijken.
Elk voorjaar biedt nu meerdere  zomerse dagen, je ziet vaker palmboompjes in tuinen, warme jassen hangen antiek te worden en wanneer kochten we nog winterlaarsjes?
Nu is het:  koel vandaag dus
met de kinderen op pad
garage/kelder/vliering opruimen
fietsen

een dagje genieten
morgen is het weer warm enzovoorts.
Het is mogelijk dat ik me dit verbeeld, beïnvloed door de klimaatnieuwtjes. Ik denk het niet.
Misschien kan Trump het uitleggen.☻

Droog

De zon is half weg, schemer lonkt.
Wolken naderen. Ze zoeken een geschikte locatie om te lossen, ze strekken de handen uit om de droogte te peilen, zie je hun vingers boven daken en bomen?

Het wordt nu langzaam donker. Koppig blijf ik buiten, wachtend op regen, dikke plensbuien met grote druppels en kleinere voor de lis en wisteria.
Het gesleep met gieter en sproeiers ben ik spuugzat maar ’n beetje spuug is niet toereikend voor de  bloemen.
Aaarrrg, de wolken gaan voorbij.
Zucht.
Misschien dat er vannacht nog eentje langskomt, een die water over heeft en compassie met-of-voor de tuintjes in onze buurt.
En anders dondert ‘ie maar op.

Smeltende polen. Impressie.

De Noordpool is voor driekwart verwaterd.
IJsberen dartelen in een afgepaald stuk zee, waar in het gekoelde water ijsbanen geplaatst zijn -tweedehands gekocht in Heerenveen, afgewisseld met imitatie ijsbergen van papiermaché die waterdicht verglaast zijn met doorzichtig koudstaal. Een dierenliefhebberige grootverdiener doneerde voor een paar duikplanken et voilà.  Opvang voltooid.
De ijsberen zijn getraind.  Ze halen zelf de blikken kerstsneeuw uit noodkastjes wanneer het oergevoel hun te machtig wordt, dan gooien ze sneeuwballen naar de vossen door wie ze uitgelachen worden vanaf de oprukkende toendra’s, een mals duifje in de bekkies.
De gezamenlijke regeringen bekijken nieuwe voorstellen voor het behoud van de pool maar, zoals een snugger lid al zei, als alles smelt is er geen pool meer. ‘Toch?’

Op de zuidpool komen de eerste groene punten door het laatste restje vorst. Voorlopig alleen ijsbloemen. Cactussen, palmbomen en passiflora worden eind dit jaar verwacht.
De laatste pinguïns kruipen bij elkaar, bang in een azc te worden gestopt. Huiverend slaan ze hun minivleugels om elkaar heen.
Een groepje eeuwelingen heeft toestemming gevraagd een paar Mexicaanse hallucinogenen te mogen kweken daar zij geloven dat Castaneda’s trips juist hier tot hun recht komen. De zon en de bloemen, love and peace weet je wel en halleluja, ideaal voor een maagdelijk land.
De gezamenlijke regeringen beraden zich nog, ze overdenken wat het beste is voor Antarctica, hun land en voor henzelf.