Mooi tuinweer

Dat was lekker wakker worden vanmorgen. Het had licht geregend, de lucht was grijzig bewolkt.
De saaiheid doorbroken. Eindelijk.
Opgefleurd vloog ik door het ochtendritueel, nog blijer werd ik toen naderhand een passend zonnetje verscheen, verdween, en nogmaals.
Barstend van energie heb ik bladeren opgeruimd, dood spul weggeknipt, uitgedroogde grond doorgeharkt. Met alle respect voor het rood en goud van de herfst, verfrommeld grauw aan taaie planten is niet altijd een succes, niet in een door mensen aangelegd tussentuintje.
Stengels en takken laat ik staan, die doen het fantastisch onder een laag mollige sneeuw.  Als die komt. Ooit. Hoop ik.
IJverig draafde ik heen en weer met snoeischaar en bezem van schuur naar plant en terug. Als gepensioneerde ben je toch maar een bofkont, dacht ik, je hebt alle tijd van de wereld.

Met koffietijd liep ik naar de keuken en kwam in het spiegelend raam een vrouw tegen die me opgewekt aankeek. We zwaaiden naar elkaar.
Ik schoot in de lach bij dit herkenbare tafereel.
Mijn dag kan niet meer kapot.

Advertenties

Profiteren van extra zomerdag

Deed ik ook.
Ligstoel uit de schuur.
Beetje afstoffen, voetenbankje erbij halen.
Bakje klaarzetten met lees- en zonnebril, huistelefoon en gsm, tabletje, leesboek, krant, cameraatje, notitieblok en pen.
Thee zetten.
Schoenen verwisselen voor slippers.
Vest uit en mouwen oprollen.
Nog even naar de wc.
Nog even alles verschuiven ivm schaduw.
Nieuwe thee zetten.
Buurkat van schoot zetten. (2X)
Mouwen terugrollen voor windvlaag.
Toen was de dag half om.
Maar wat was het lekker, de extra zomerdag.
Je ontspant er zo van.

Nazomer

Het was een natte dag vandaag
met een herfstig windidee
ik kookte aardappels, een laag,
dan melk, en vette boter voor ons twee.
De zon die vroeg me voor een reis
‘zeg, ga je mee? ’t Is altijd prijs.’
Natuurlijk deed ik dat terstond
wie wil dat niet, de wereld rond
van oost naar west
en op het lest
de suidersee
om in te sakken.
Pas toen ik thuiskwam
dacht ik aan
de aardappelpuree.
Die stond ze bruin te bakken.

© Bertie

Koffietijd theetijd slaaptijd

regen120180829_182444
Tijd voor thee.
In de serre zittend probeer ik er een boek bij te lezen. Het is lekker buiten. Blauwe lucht, een lieflijk wolkje, warme zon. Loom word ik, lomer, tot ik slaap.
Dan word ik wakker door een regelmatig geroffel. Een welkom geluid, iedereen weet hoe goed regen klinkt wanneer je zelf droog blijft.
Tijd voor koffie.
Ik ga verder met het boek.
Knus. Druppels op de ruiten, sussend geplens op het dak. Tevredenstemmend. Je zou zomaar weer gaan slapen.
En ja, een hazenslaapje overvalt me.
Na het avondeten een nieuwe leespoging.
Stil zijn de staatgeluiden, een buurkat kroelt naast me, het schemert licht.
Ik slaap in

En dan moet de nacht nog beginnen.


Huisvrouw jaren ’70

– Bij het allereerste voorjaarszonnetje nam ik het ervan.
‘Van het mooie weer moet je profiteren,’ zette een relaxstoel in de zon en profiteerde.
– In de eerste zomerdagen nam ik het er ook van.
‘Nù bijkleuren, de was kan morgen nog.’  Wederom zat ik in de relaxstoel en bruinde.
– Met zachte herfstdagen nam ik het er opnieuw van.
‘Zalig herfstweer, we gaan genieten. Morgen is het misschien afgelopen.’ De relaxstoel wachtte geduldig.
Trof je iemand dan was het meestal: ‘laten we buiten zitten, nu is het mooi weer.’
Soms duurde een zomerse zonperiode langer, dat voelde als een extra vakantie en leefde ik buiten.
Zoals de meeste vrouwen die ik kende. Baantjes in deeltijd waren er nog niet en creches ook niet veel.
Genieten dan maar.

Als we met het huidige klimaat in die positie zaten zouden we waarschijnlijk buiten slapen, afwassen, douchen en zelfs onze babies baren in de relaxstoel.
==

winter-lente, halfomhalf

De lente nam bijzonder snel winter’s plaats in.
Een paar dagen terug liep ik nog met warme kruiken in mijn schoenen, gistermiddag zat ik buiten. In de zon en uit de wind was het 20ºC, later nog iets meer.
Achterover leunend in de zonnestoel, benen gestrekt en met blote voeten. Groenja met ijs naast me.
Het leven was vurrukkulluk voor even.
Het kostte me dan ook moeite de stoel te verlaten bij het voortgaan van de tijd, ik stond niet op ondanks de nadering van schaduw. Het koelde af en ik rilde maar volhardend bleef ik. Armen en gezicht vingen nog zon die de puntjes van mijn kippenvel verwarmde.  Nog tien minuutjes. Nog vijf.
Tot alleen mijn haar oplichtte.
Gezond verstand overwon. Ik rees op en verdween naar binnen waar de cv eveneens op 20 graden stond en een aangename warmte verspreidde.
Maar het was niet hetzelfde.

‘Het worde licht…’

sprak iemand en ik was meteen een ander mens.
Winterweertypes met een heldere lucht doen wat met je. Je fleurt er van op, wat heet, je straalt als een zon, toen ik vanmiddag langs de kamerplanten liep schoten ze direct in knop en een ervan bloeit al.
Nou ja, in mijn verbeelding.
Ik kijk uit naar februari waarin je opstaat met dat typische daglicht, bleek en blijmakend.
Daarna een maarts zonnetje.
De eerste bruinsessie, snoeiwerk en zweten met schoffels en hitte, vogelbadjes waarin puffende mussen en mijn voeten in het vijvertje en…
nu draaf ik door.
Geeft niet.
Voordromen mag.

Zeer dikke mist

De wereld kromp, werd klein en kleiner tot alleen ik leek te bestaan.
Eenzaam stond ik daar in het vage licht van een versluierde zon. Fiets aan de hand, niet wetend welke kant ik op moest. Door rond te kijken was ik uit balans, alle richtingen zagen er eender uit, zelfs boven en beneden konden verkeerd zijn.
Wat te doen.
Ik voelde met mijn handen of er iets te leunen viel, een boom, muur, wat dan ook. Niets. Op de tast zette ik de fiets op de standaard en liet me voorzichtig zakken op verdwenen grond.
Dan nam ik de tas van het stuur. Maar…wat.. zelfs die zag ik niet meer, in het wilde weg graaiend vond ik hem, zocht naar het mobieltje, toetste 112. Er gebeurde niets.
Mijn hand verdween, ik pakte hem met de andere die ik ook niet meer zag. Alles weg, de wereld, telefoon, ikzelf.
Gespannen zweefde ik in het niets, wachtend op licht? Godot? Hulp?
Het duurde lang.
Veel later, ik was al bijna voorgoed opgelost, werd het helder, nevelen verdunden, contouren werden zichtbaar.
Ik stond op en zag de omgeving verschijnen.
Opgelucht herkende ik mijn achterdeur en keukenraam.
Ik stond op de stoep.

Geen gezicht

Het was mooi weer.
De zon noodde tot wandelen in een luchtig jack en dat trok ik dan ook aan.
Na vijftig meter zeilden enkele wolken over, precies boven mijn hoofd. Ze bleven hangen voor de zon zodat ik het koud kreeg.
Bibberend liep ik de bibliotheek binnen, kwam mezelf tegen in de liftspiegel en schrok.
Éven dacht ik dat er iemand achter me stond, draaide me om maar nee.
Het was mijn eigen kouwelijke gezicht, lijkwit met roze oogleden. Haren piekten.
Mijn god, ga ik er op mijn oude dag uitzien als een ziek konijn?
Haastig deed ik de kraag omhoog, trok plukken haar naar voren. Ik bleef zichtbaar.
Dan maar met geheven hoofd.
In de boekenafdeling waren een paar mensen, ook aan de leestafel, bij de koffie en kranten, een paar bekenden zag ik.
Niemand merkte me op.
Ik begrijp het.
Ze zijn gewend aan zieke konijnen.