Vooruitkijken, ongeduldig of gewoon dwars


Nu is er een herfstachtig weertje
Ik speur naar een ijs-elijk sfeertje
inwendig reeds kouwelijk
bedenk ik, aanschouwelijk,
een wollige sneeuwstorm, ik zweer’t’je.

We krijgen misschien ook een winter
natuurlijk zie ik dan een flinter
van bloemen en kalfjes
en zonnige zalfjes
en zie de gezichten getinter.

Daarna komt de lente, ‘kvoel hitte
smeer bruinsel tegen het witte,
wacht lijdzaam op juli
drink cool en eet culi-
-gezond en blijf luiig lang zitte.

Zomer. Ik denk aan de stormwind
aan blad dat als goud door de straat sprint
mijn hoofd staat naar misten
en bessen aan risten
niets dat me aan de augustusmaand bindt.
==

Advertenties

Sportdag van de spinnen. Vierde en laatste deel.

Ze weven grapteksten tussen de takken.
‘ET in Spinnenland’, ‘The Martians are coming’. Kinderen doen mee: ‘Gremlinspider voor Sinterklaas.’
De mens, zich niet bewust van de commotie boven zijn hoofd, drentelt ongeduldig heen en weer; hij vraagt zich af wanneer er een ruimteboodschap komt en gaat zelf op onderzoek uit.
Hij speurt in alle richtingen en bukt onder struiken, tuurt herhaaldelijk de hemel af maar niets verwijst naar een UFO, helemaal niets valt er te ontdekken.
Mijn god, hij heeft zich vergist.
Wat nu.
Hij kan het het beste als een grap afdoen. Niet dat Lies het als zodanig zal zien. ‘Geen bewijs = roze olifanten’ zal ze snebbelen, haar gebrek aan fantasie is grenzeloos. Wat een vooruitzicht. Kon hij zijn berichten maar terugdraaien.
Hij kijkt naar de spuitbus in zijn hand; na een steelse blik over zijn schouder draait hij het bovenstuk los en neemt een snelle slok, ahhh, dat doet goed. Met verlicht lood in zijn schoenen loopt hij naar zijn auto en rijdt naar huis.
Opgelucht zien de spinnen de jammerlijke afgang van de mens. Ze bungelen uit de takken en spannen de spieren om het sportveld te restaureren maar een van hen roept.
‘Hela, wacht. Het is tijd, Araneae aller landen: verzáááámelen!’
Een wild gejoel volgt, ze rennen door elkaar, huppelen en springen, ze vergeten het sportgedoe en klitten rond de spreker.
‘Luister. Over een half uur is de zomer voorbij, hoogste tijd om serieus te worden. Ieder kent zijn werkgebied en denk eraan: gedraag je netjes, handel als een gentlespider of wees ladylike.
Over drie maanden geef ik het eindsignaal en zien we elkaar op het uitrustveld waar…’  hier veroorlooft de spreker zich een draadje humor ‘… hopelijk mens noch UFO ons zal vinden. Laten we nu gaan, Ariadne zij met ons”.
En zo luiden ze de herfst in.

Vroeger was het anders

Hoogzomer. Warm en zonnig.
Hoe we de dag ook doorbrachten, na de avondmaaltijd was het een verveeld rondhangen op het erf, zorgvuldig uit het zicht van moeder blijven, startklaar om niet te gehoorzamen.  En dan, verwacht en onverwachts tegelijk de onvermijdelijke roep:  binnenkomen jullie!
Gehoorzamen deden we natuurlijk toch, wat anders?  Met tegenzin slenterden we het huis in en deden de rituelen.

Bedtijd terwijl de zon nog scheen,  erger kon niet.
Onder te warme dekens luisterden we nieuwsgierig naar de groten. Pa’s stem klonk af en toe, Moe deed een woordje, helaas verstonden we er niks van. Verderop de ritmiek van een weverij. Het behang werd donkerder.
Tenslotte waren er alleen nog de kikkers, ze kwaakten ons in slaap.
Zo ging dat.

Muggen


Ze zijn elke zomer een probleem. Zelf heb ik er geen last van en nu ik weet dat je een muggensteek te lijf moet gaan met een varenblad waardoor bult en jeuk verdwijnen neem ik ze nog minder serieus. Er staan genoeg varens in de tuin, wat kan mij nog gebeuren?

Hadden we dit maar eerder geweten, wijlen echtgenoot was een modelslachtoffer. Ze wachtten hem op; ik weet wel dat ze op geur afkomen maar het leek hem of ze in in hinderlagen zaten; onder bed, achter gordijnen,  alle duistere spelonken werden benut door muggenvolkjes die stiekem uitkeken naar P. Likkebaardend,  je reinste minidraculaatjes.
Met de kennis van nu zou ik het bed beleggen met varens dan wel een kermisbed opmaken in de achtertuin. Wat een genot zou dat geweest zijn, het woord alleen al.
‘Gaap, ik duik vast in de varens.’.
‘Hmmm, er gaat niets boven verschoonde varens.’
Alleen ruzie zouden we moeten vermijden.
Zou doodjammer zijn te horen:
‘Dag schat, varen wel.’