vervolgverhaal

Die man. I


Het was een rillerige najaarsdag. Kil van waterkou maar mooi van licht door de afwisselende sterkte,  en jagende wolken in een herfstige setting.
Dat springerige licht, speelde het me parten?
Waren het  novemberschaduwen?
Of mijn labiele gesteldheid, die misschien een afwijkende, bijna psychotische gedachtengang in werking zette?
Nog steeds ben ik niet zeker.
Die middag zat ik op een bankje op de kade, piekerend over de uitslag van het hersenonderzoek.
 – De chirurg legde het uit.
‘We kunnen niets met zekerheid zeggen, mevrouw. We willen de tumor aanpakken volgens plan…’
Uiteraard luisterde ik; versteend,  niet wetend wat te vragen.
Tumor? Aanpakken? Kleine kans op genezing…  nooit de hoop opgeven…
Hij vroeg me dus toestemming te geven voor een miniem kansje?
Goeie god

Ik keek voor me uit.
Het pontje voer heen en weer, rustgevend door de regelmaat, desondanks bleef de wanhoop. Kon ik het maar kwijt aan iemand; nooit eerder voelde ik de breekbaarheid van het alleenzijn; de trots op mijn zelfstandigheid kwam me nu schamel voor.
Niet eerder besefte ik de waarde van een vertrouwd persoon en in gedachten zocht ik naar zo iemand, wie dan ook, iemand die me kon raden.
Een man verscheen in mijn blikveld waardoor ik overwoog op te staan; een babbeltje was het laatste waar ik zin in had. Maar hij gedroeg zich zo kalm, zo alsof hij bij dit moment behoorde, dat ik aarzelde.
‘Waarom zo zorgelijk?’ was zijn openingszin, ‘U bent nog lang niet aan de beurt.’
Verrast draaide ik me naar hem toe, kende ik hem?
Hij hield mijn blik vast. ‘Vertrouwen hebben in eigen kracht …..’
Mijn verbazing nam toe. ‘Hoezo, ik bedoel, ik kèn U niet eens!.’
Hij lachte wat, ‘dat komt wel’ en verdween.
Zomaar, weg. Had ik even niet opgelet?
Irritatie overviel me; wat had zo’n wildvreemde vent  me lastig te vallen. Interessante orakels te verzinnen, pfff, zo goedkoop. Een bleke jonge vrouw in haar eentje, allicht wekte dat het meeleven van uitslovers.  Natuurlijk zag ik er zorgelijk en ziek uit, ik wàs ziek.
=
© Bertie/Bertjens

eten

Voedsel weggooien, vette honden en dode vogels

Er wordt nog steeds teveel eten weggegooid.
Doodzonde.
Ik voel me schuldig, plaatsvervangend want ik gooi zelden eten weg. Ik trek het me zo aan dat ik af en toe loop te speuren naar uitgestrooide broodkruimels, ik wil ze oprapen en er een nieuw brood van bakken dat ik kan opsturen naar de hongerenden of verkopen en het geld overmaken.
Het lukt niet.
Vogels zijn me voor, en honden. Ze hebben natuurlijk ook een hekel aan voedselverspilling en eten de kruimels voordat ze bedorven zijn.
Tevens kijk ik uit naar wegggooide taartjes en kroketten. Ook die zijn niet te vinden, ik vermoed dat het loslopend -en vliegend gedierte in ons dorp té alert is op lekkernijen, dat ik daarom nooit gevulde koeken vind of XL chocoladerepen puur.
Alles wordt ogeslokt.
Zodoende ontdek ik met mijn zoektocht een nieuw gevaar van het wegwerpgedoe: slechte condities van dieren en denk eens aan hun gebitten, is het niet beter op voorhand de dierenartsen waarschuwen? Stel je Fikkie voor in een rolstoel of de kat aan’t infuus.
Straks vallen de mussen dood van het dak, worden een prooi voor de kauwen en die voor de buizerds en die voor, eh, enfin, die gaan ook dood. Snepvervetting en dichtgeslibde eierstokjes lijken me niet denkbeeldig. Kruimels oprapen wordt kadavers ruimen.
Het is jammer dat de verspillers dit scenario niet voorzien.
Doodzonde.

belasting

Boekhouden

Vanavond kwam de boekhoudster.

Invullen van het belastingformulier is een makkie maar ik laat haar altijd komen. Want het is zo’n enig mens.
We zitten een paar uur, tussendoor gaat ze even aan de laptop waarop ze een teruggaaf weet te bedingen, daarna nog een kop koffie toe.
Kijk, dat is nog eens een aardig kennisje.
Bij de vorige boekhouder hielden we ook altijd mooie bedragen over maar ja, toen hij ging hemelen haalde het niets meer uit.
We vonden een nieuwe. Helaas, die werd ook ziek, met droevig gevolg. Daarna durfde niemand  onze papieren bij te houden, we stonden op de lijst ‘Gevaarlijke cliënten’.
Pas na lang zoeken en de belofte van doktersgarantie vonden we iemand.
Een dappere. Vrouw, uiteraard.
Zij komt elk jaar en is nog steeds gezond.
En gezellig.

taal

Huilen of lachen?

Over taal hadden we het; twee spreekwoorden door elkaar halen en andere ongein.
Prompt kwam de condoleance  van een verpleegkundige me voor de geest. Ze maakte een lief bedoeld taalfoutje dat we  ondanks het verdriet zeer komisch vonden.

Een broer was ernstig ziek, hij verbleef langdurig in een ziekenhuis. We bezochten hem wekelijks en verzorgden zijn was en persoonlijke spullen.
Na een jaar overleed hij.
Ons verdriet was groot; men troostte ons liefdevol en de betreffende verpleegkundige had het meeste begrip:
‘U zult Uw broer missen na zoveel bezoekuren,  de eerste tijd valt U in een leeg gat.’
Getroffen, tegelijkertijd op een lip bijtend bedankten we haar waarop ze nogmaals benadrukte: ‘…een leeg gat.’


bang

Koud, bang en koffie


Lekker weer vandaag.

Toch werd het vamiddag kil in huis. Vreemd, cv brandde, ramen waren gesloten.
Zou de val van een paar weken terug me opbreken?  Daar had mijn temperatuur toch niets  mee geleden?
Nog maar eens de ronde doen en een kop hete koffie zetten. Alles was dicht, thermostaat op 22°.
Ik bleef koud. Mijn brein begon te werken, zou ik iets mankeren? Een of andere enge griep? Op het platteland kun je van alles tegenkomen met die beesten overal. Huisartsenpost bellen? En wat moest ik dan zeggen? ‘Stuur alstublieft een spoedambulance want Ik heb het zo koud’?
Dat durfde ik niet.
Toch liet het me niet met rust. Rillerig haalde ik een deken en kroop op de bank om de mogelijkheden te overdenken.
Het moest welhaast kouwe koorts zijn en godweetwat er ging gebeuren als er niet snel een oplossing kwam. Was er onlangs niet iemand overleden aan onderkoeling? Hoorde ik daar een plofje? Sloeg het al op de hersens? Laat het de brievenbus zijn, bad ik wanhopig en strompelde naar de voordeur.
En die…  stond half open, waaide wat en sloeg zachtjes dicht. Terwijl ik keek kierde het weer, opende verder en weer terug. Een windvlaag.  De stiekemerd, telkens achter mijn rug openwaaien.
Opgelucht, inwendig beschaamd, draaide ik hem in het slot.
Ik nam nog maar eens koffie. En vroeg me af hoelang die deur van het slot was geweest. De hele ochtend? Had iemand het gemerkt? Zat er niet een of andere killer onder bed? En dan? Buks mee naar boven of de broodzaag?
Het zweet brak me nogmaals uit.
Pfffff…..
Zo lastig om een bangebroek te wezen.

HAP

Politiekziek


Af en toe steekt HAP de kop op. (Hekel Aan Poltitiek)
De afgelopen weken waren de eerste symptomen weer merkbaar; jeukvingers bij het lezen van de krant,  loopneus bij het horen van regeringsnieuws. En nog veel storingen meer. Terwijl ik er niet eens verstand van heb.
Negeren, het leven zèlf is politiek en dat kun je niet ontlopen. Kom op Bertus, beetje flink zijn.–  Mijn betere ik.
Zo sukkelde ik verder met klachten en klachtjes die mijn dapperheid behoorlijk ondermijnden.
De bijna-genadeklap kwam donderdag jl. Zappend kwam ik bij de televizierring terecht en wat zag ik?
Rutte.
Niet eens de echte maar dit was al beroerd genoeg, hij was zo mogelijk nog vervelender en schijtlolliger.
Snotterend en krabbend wierp ik me op de ab en gooide hem naar het scherm. Mijn avond was stuk.
Nogmaals probeerde ik me flink te houden. Helaas, HAP won terrein, ik werd gek.
Tromp. Clontin. Abrabas. Kerrrieta. Partipragormas. Wirdler.  Onze Bruggemeester….
Tot ik vanmorgen jammerend in de gang op mijn knieën zat, bezig de krant terug naar buiten te duwen.
Toen kwam ik bij zinnen en besloot in therapie te gaan:  politieke stilte tot na de verkiezingen.
Hier en in Amerika.