Net wat je gewend bent

Soepvlees met uitjes, braadworst, speklappen, zult, brij, worstenbroodjes.
Het waren Brabantse vleesgerechten die we kenden van plaatjes en boeken, hoogstens zagen we bij de Zaanse slager iets wat er op leek zoals saucijzen.
De eerste kennismaking was bij klasgenootjes thuis.
Er werd eierstamp opgediend met boter. Of boontjes-aardappels-speklappen met vette jus.
Op feestjes waren er worstenbroodjes (nu immaterieel erfgoed), in ouderwetse café’s werden toostjes met zult rondgedeeld, in boerenkeukens balkenbrij gebakken. En met de kermis was er gegarandeerd soep waarvan het vlees apart werd geserveerd met uitjes. Erg lekker en mals vlees, vooral als het van het bot was.
Mijn vader keek er niet vreemd tegenaan, als boerenjongen zal hij vaker zware en machtige maaltijden gegeten hebben.
Voor ons was het overdaad. We vonden het vet en vooral te zout maar alles went. Toen we het bier leerden waarderen volgde de rest vanzelf.

Eenmaal getrouwd kon ik geen tegenwicht bieden, niets typisch Zaans.
Het zal wel bestaan maar in ons gezin werd zuinig gegeten en vooral mager, we moesten niets hebben van vet en vellen. Misschien dat broeder (meelgerecht in een kussensloop) iets van die streek was, ik weet het niet.
Deuvekater (ook duivekater), Opperdoezers, Weespermoppen en Beemsterkaas zijn wel Hollands maar niet specifiek  Zaans.

Met de jaren veranderde veel, ook de maaltijdmode.
Toch bleven oude opvattingen leven. Een vriendin hoorde ons likkebaardend verslag doen van de fijne biefstuk die een slager leverde. Dat kende zij niet.
Zegt ze later verontwaardigd: ‘Is dat alles?  Ik heb het geprobeerd en flink laten sudderen, we vonden er niks an.’
Precies zo verkeerd als wij het met die speklappen deden.

Advertenties

Liefde overwint bijna alles

Net in Oost-Brabant wonend fietste ik naar school.
Een jongen haalde me in en bleef naast me rijden.
Ik voelde me zeer vereerd. Meteen al een knappe inwoner aan de haak, sjonge.
-Hoe vienut hier? vroeg hij.
Ik keek hem aan en haalde de schouders op.
Hij probeerde wat anders.
-Wan elend bij de familie D wa.
De eland van de familie D…?
Mijn ogen werden almaar groter.
Hij keek me aan met een blik van -belazer-je-grootje-.
En had er genoeg van.
-Houdoe, zei-t-ie en sloeg rechtsaf.
-Wat zeg je? vroeg ik ook nog.

Ach, hij was nog maar dertien of veertien, net als ik, waarschijnlijk zou hij mijn Zaans ook niet hebben begrepen.