De schilders

Ons ouderlijk huis was er een van hout, een klein Zaans pandje.
De schuur was ook van hout. En de schuur van de buren, waarvan de achterkant aan onze stoep grensde.
Zelfs de wc’s waren van hout, zoals alle wc’s in de Dorpsstraat.
Dat vergde het nodige onderhoud, daarom was er altijd verf aanwezig, zorgvuldig opgeborgen.
Toch had broertje een pot gevonden, een groot blik carbolineum.
Vijf of zes jaar was hij, maar samen met een vriendje wist hij het open te krijgen en kwasten te versieren.
Ze maakten een plan en gingen aan de slag. Stiekem, het moest een verrassing worden.
En dat was het.
Vader kwam uit zijn werk; broertje & co wachtten hem op:
‘Pa, we hebben de wc geverfd!’
Verwonderd keek pa naar de bruinzwarte jongetjes die naar het erf holden en trots bij hun werkstuk bleven staan.
Sprakeloos overzag hij de zwartstreperige wanden en deur.
Ze hadden niets vergeten, ook het interieur was geschilderd tot de zitplank aan toe.
Hij haalde moeder erbij: ‘Moet je nou es kijken ….’
Moe kwam, keek, maar ook zij wist niets uit te brengen; ze stikte bijna van het lachen.

Het is nog vaak verteld en mooier gemaakt maar dit is de waarheid.
De jongens verfden enkel de wc, maar dan ook helemaal.
Van de afloop herinner ik me vooral de lucht van wasbenzine waarmee broertje gereinigd werd; de ergste klodders verdwenen, de rest van de verf moest er af slijten.

Advertenties

Net wat je gewend bent

Soepvlees met uitjes, braadworst, speklappen, zult, brij, worstenbroodjes.
Het waren Brabantse vleesgerechten die we kenden van plaatjes en boeken, hoogstens zagen we bij de Zaanse slager iets wat er op leek zoals saucijzen.
De eerste kennismaking was bij klasgenootjes thuis.
Er werd eierstamp opgediend met boter. Of boontjes-aardappels-speklappen met vette jus.
Op feestjes waren er worstenbroodjes (nu immaterieel erfgoed), in ouderwetse café’s werden toostjes met zult rondgedeeld, in boerenkeukens balkenbrij gebakken. En met de kermis was er gegarandeerd soep waarvan het vlees apart werd geserveerd met uitjes. Erg lekker en mals vlees, vooral als het van het bot was.
Mijn vader keek er niet vreemd tegenaan, als boerenjongen zal hij vaker zware en machtige maaltijden gegeten hebben.
Voor ons was het overdaad. We vonden het vet en vooral te zout maar alles went. Toen we het bier leerden waarderen volgde de rest vanzelf.

Eenmaal getrouwd kon ik geen tegenwicht bieden, niets typisch Zaans.
Het zal wel bestaan maar in ons gezin werd zuinig gegeten en vooral mager, we moesten niets hebben van vet en vellen. Misschien dat broeder (meelgerecht in een kussensloop) iets van die streek was, ik weet het niet.
Deuvekater (ook duivekater), Opperdoezers, Weespermoppen en Beemsterkaas zijn wel Hollands maar niet specifiek  Zaans.

Met de jaren veranderde veel, ook de maaltijdmode.
Toch bleven oude opvattingen leven. Een vriendin hoorde ons likkebaardend verslag doen van de fijne biefstuk die een slager leverde. Dat kende zij niet.
Zegt ze later verontwaardigd: ‘Is dat alles?  Ik heb het geprobeerd en flink laten sudderen, we vonden er niks an.’
Precies zo verkeerd als wij het met die speklappen deden.

Liefde overwint bijna alles

Net in Oost-Brabant wonend fietste ik naar school.
Een jongen haalde me in en bleef naast me rijden.
Ik voelde me zeer vereerd. Meteen al een knappe inwoner aan de haak, sjonge.
-Hoe vienut hier? vroeg hij.
Ik keek hem aan en haalde de schouders op.
Hij probeerde wat anders.
-Wan elend bij de familie D wa.
De eland van de familie D…?
Mijn ogen werden almaar groter.
Hij keek me aan met een blik van -belazer-je-grootje-.
En had er genoeg van.
-Houdoe, zei-t-ie en sloeg rechtsaf.
-Wat zeg je? vroeg ik ook nog.

Ach, hij was nog maar dertien of veertien, net als ik, waarschijnlijk zou hij mijn Zaans ook niet hebben begrepen.