Vissen

Echtgenoot was geen visser, te rusteloos.
Een kennis haalde hem over.
Op diens aanraden kocht hij een hengel, leefnet, doosjes met dobbers, andere rommel die ik niet wilde zien (angels…) bietste mijn beste emmer en een stapel brood en ging het proberen.
Hij nam zoon (vier of vijf jaar) mee. Leerzaam, dacht hij.
Het werd een korte les.
Binnen anderhalf uur waren ze terug met een lege emmer en het leefnet nog in de verpakking,
‘Ik had geen aas meer,’ zei hij en wees naar zoon, ‘hij heeft alles opgegeten,’ ‘Ik verveelde me dood,’ zei de jongen, ‘ik had honger en je kon er niets kopen.’
Ehh, hoe, wat, ik snapte het niet.
‘Een paar balletjes brood waren als aas bedoeld,’ legde man uit ‘de rest wou ik in het water strooien, als lokvoer. Maar het was al op.’
‘Had je geen wurmen?’
Glazig keek hij me aan.
Toen wist ik het weer, hij zou nooit, echt nóóit, een worm oppakken.
Dat begreep ik wèl.
==

Advertenties

Honds genoegen

Zorgvuldig inspecteerde ik de tuin op vergeten broodkorstjes, de prullenbak op verdwaalde kauwgom en de schuur op  wasgoed.
Er kwam een gast.
Voor iemand een verkeerde indruk krijgt, ik ben echt niet gewend om brood in de tuin te begraven, ook niet om vuile was lukraak te dumpen en al helemaal niet om eetwaar in de prullenbak te spugen.
Maar honden zijn rare beesten.
Onze eigen spaniels en basset vonden het een feest in de wasmanden te duiken en te paraderen met een geurige sok in hun bek. Met even grote bezetenheid kauwden ze zich door het afval, ze vonden gegarandeerd een snoeppapiertje en welke smeerlapperij ze uit de grond haalden kun je maar beter niet weten, ze kregen een tienjarig bot nog boven, met wurmen en al.
We hebben meer dan eens meegemaakt dat de kat een muis voor onze voeten legde en zijn vangst streng diende te bewaken omdat de hond al hebberig liep te kwijlen.
Nu heb ik geen beesten meer, maar af en toe komt er een op visite, een doddig dotje dat je hart steelt  maar mèt alle hondse eigenschappen.
Ik prijs hem de hemel in, in de hoop dat hij gezellig bij me blijft en de achtertuin over het hoofd ziet.
Ach gut.
Met graagte luisterend checkt hij alvast de prullenmanden.

Na drie zinnetjes en dertig aaitjes staat hij bij de achterdeur, krabt een paar keer en kijkt naar me.
‘Vergeet het maar,’ zegt hij. Want dat is ook typisch honds: ze kunnen praten.