Hemd

Jongens, wat is die noordoooster  koud, je kunt merken dat we geen winters meer gewend zijn.
Éventjes naar buiten en je trekt je shirt strak en steekt je armen er diep in.
Toch maar eens zoeken naar andere kleding.
Er is een kastplank vol wintergoed wat ik nooit meer draag, waarschijnlijk hebben veel mensen dat. Ik bekeek de voorraad.
Truien. Noorse, schippers-, zelfgebreide, met col, vesten, teveel en te kriebelig.
Er lag nog een stapeltje van wijlen echtgenoot en daar zat, helemaal vergeten, een hemd tussen. Zo’n braaf lichtblauw HEMA-hemd dat hij graag droeg.
Ik pakte het en keek ernaar.
Ach gut, gaan hemelen zonder je geliefde hemd, dacht ik en kreeg het te kwaad. Na zes jaar nog.
Ik heb het aangetrokken onder mijn shirt en weet je wat?
Heerlijk warm, voelt veel beter dan die oude dikke breisels.
Of het is de (hernieuwde) liefde.
==

Kakelvers


Winter wordt oud
is wars van witte buien
er is geen sneeuw
geen tinkelend takkenwoud
waar ijzige splinters ruien.

maar om het even
de maand is vol beloften
we zien het in de grond
waar’t geheime leven
bericht naar boven zond
ik kom eraan
ik kom in groen
bestel de zon
stuur de winter met pensioen

Als het kon zou ik het doen
wie kan de winter nog verstaan
-=

 

Verhaal?


Er is een onderwerp.
En er zijn afgebakende omstandigheden.
Ook een plot en zelfs een kloppend einde.
Nu er nog  een verhaal van zien te maken.
Misschien lukt het en wordt het wat.
Misschien ook niet. In dat geval maken we er een lenteversje van, de winter heeft toch al afgedaan. De slome, hij heeft teveel geluisterd naar het klimaat.
Enfin, dat ziet U morgen.
==

IJs en weder dienende?

Hoewel ik graag een strenge winter tegemoet zie vind ik deze zachte dagen ook prettig.
Een uurtje zon, misschien iets langer, maakt het af.
Je loopt lekker. De was droogt fris. In het tuintje bezig zijn is aangenaam
Je zou buiten gaan zitten als je een plek of terras op het zuiden had.
Het gewas houdt er ook wel van, nieuwe scheuten hier en daar en de passievrucht heeft gezelschap gekregen. Nog knalgroen maar wie weet kleurt hij alsnog.
Ook zag ik nieuwe sprieten uit het plastic grasmatje opkomen, kun je nagaan.

Toch hoop ik op winterweer, desnoods maar een week, dat lijkt me niet teveel gevraagd.
Je kan wel met bussen schuimsneeuw te werk gaan maar dat is zo ongeloofwaardig, voor en achter het huis een reepje wit, de winter zou zich krom lachen en er een extra zonnetje op zetten. Dan krijg je zo’n smeerboel.
Er zit, vrees ik, niets anders op dan sneeuw en ijs af te smeken. Als ongelovige kan ik niet met een echt gebed aankomen maar elke avond een klein versje lijkt me een goed begin:
Onze lieve heertje
geef slecht weertje…

 

.

Kijken, kijken, niet kopen

Er moet een betere printer komen en een omslag voor het tabletje.
Daar ga ik eens goed voor zitten. Fijn werkje, me verlekkeren aan de artikelen, precies uitzoeken wat ik wil hebben, prijzen en service vergelijken, nog even nadenken en dan niet meteen bestellen.
Daar kan ik weken over doen.
Soms kom ik in een gewone winkel terecht, dan kijk ik daar of ik kan slagen, langzaam denkend.
Op deze manier heb je veel voorpret van een nieuw artikel.
Het schiet niet op maar dat geeft niet.
Het is net zoiets al op  datingsite van een paar maanden terug.
Een ruim aanbod maar ik kon niet kiezen. Mannen zijn soms wel inwisselbaar, echter niet in prijzen en service.  En de voorpret stelt ook niets voor.
Enfin. Geen man overboord.
Ik heb nu een printertje uitgezocht, misschien bestel ik hem morgen. Of volgende week.
Over de iPad-hoes moet ik nog een poos denken.
Hopelijk beslis ik vóór de winter, het ding is versleten op de hoeken en de koude lucht is zielig.
Stel dat hij bevriest.
Als het nu chocola was…
=

Winterbezoek

Ik zag de winter voorbij gaan. Van de ene naar de andere straat.
Voorop liep zijn vrouw, te herkennen aan de ijsketting om haar hals.
Wow! dacht ik bewonderend, bijna winter en dan nog in decolleté, een wereldwijf.
Ze keken rond, op zoek naar een goede plek. Op de Alpen waren ze uitgekeken.
Af en toe overlegden ze: hier ijzel, daar poedersneeuw? Skiën doet men hier nier niet, plak dan maar?
Kom alstublieft hier, wenkte ik, wijzend naar onze wijk.
Ze aarzelden, knipoogden en zwaaiden slechts.
Jammer.
Ze riepen nog wat: Tot Kijk!
Ik zwaaide terug, ’n beetje mat.
Maar zegt men niet: hoop doet leven?

Vooruitkijken, ongeduldig of gewoon dwars


Nu is er een herfstachtig weertje
Ik speur naar een ijs-elijk sfeertje
inwendig reeds kouwelijk
bedenk ik, aanschouwelijk,
een wollige sneeuwstorm, ik zweer’t’je.

We krijgen misschien ook een winter
natuurlijk zie ik dan een flinter
van bloemen en kalfjes
en zonnige zalfjes
en zie de gezichten getinter.

Daarna komt de lente, ‘kvoel hitte
smeer bruinsel tegen het witte,
wacht lijdzaam op juli
drink cool en eet culi-
-gezond en blijf luiig lang zitte.

Zomer. Ik denk aan de stormwind
aan blad dat als goud door de straat sprint
mijn hoofd staat naar misten
en bessen aan risten
niets dat me aan de augustusmaand bindt.
==

Dag dekbed

Wat deed u met die hitte? Kon U slapen? Raam open, dicht, ventilator te hard, dorstige muggen?
Ik had het gauw opgelost.
Zette de ventilator naast mijn bed op de laagste stand en lag prinsesheerlijk onder een zachtjes wapperend katoenen laken. Weldadig verkoelend. En ik sliep lekker.
Toen de warmte afzwakte, verdwenen is hij niet helemaal, was het dekbed nog steeds te veel. Ik zocht en vond een dunne deken om over het laken te spreiden, een fleece-ding van het Kruidvat, spotgoedkoop en precies goed.
En nu wil ik niets anders, niet de oude dekens die verpakt op de vliering liggen, niet het badstoffen sprei dat vroeger dienst deed als extraatje voor koude voeten.
Het dekbed al zeker niet, dat bewaar ik voor de winter. Tenminste, als hij komt want dat is nog maar de vraag.
Tot diens komst doe ik het met dat laken en fleece-dekentje.
Misschien, héél misschien, gooi ik er een paar sokken tegenaan.
En zet de ventilator uit.

winter-lente, halfomhalf

De lente nam bijzonder snel winter’s plaats in.
Een paar dagen terug liep ik nog met warme kruiken in mijn schoenen, gistermiddag zat ik buiten. In de zon en uit de wind was het 20ºC, later nog iets meer.
Achterover leunend in de zonnestoel, benen gestrekt en met blote voeten. Groenja met ijs naast me.
Het leven was vurrukkulluk voor even.
Het kostte me dan ook moeite de stoel te verlaten bij het voortgaan van de tijd, ik stond niet op ondanks de nadering van schaduw. Het koelde af en ik rilde maar volhardend bleef ik. Armen en gezicht vingen nog zon die de puntjes van mijn kippenvel verwarmde.  Nog tien minuutjes. Nog vijf.
Tot alleen mijn haar oplichtte.
Gezond verstand overwon. Ik rees op en verdween naar binnen waar de cv eveneens op 20 graden stond en een aangename warmte verspreidde.
Maar het was niet hetzelfde.