IJs en weder dienende?

Hoewel ik graag een strenge winter tegemoet zie vind ik deze zachte dagen ook prettig.
Een uurtje zon, misschien iets langer, maakt het af.
Je loopt lekker. De was droogt fris. In het tuintje bezig zijn is aangenaam
Je zou buiten gaan zitten als je een plek of terras op het zuiden had.
Het gewas houdt er ook wel van, nieuwe scheuten hier en daar en de passievrucht heeft gezelschap gekregen. Nog knalgroen maar wie weet kleurt hij alsnog.
Ook zag ik nieuwe sprieten uit het plastic grasmatje opkomen, kun je nagaan.

Toch hoop ik op winterweer, desnoods maar een week, dat lijkt me niet teveel gevraagd.
Je kan wel met bussen schuimsneeuw te werk gaan maar dat is zo ongeloofwaardig, voor en achter het huis een reepje wit, de winter zou zich krom lachen en er een extra zonnetje op zetten. Dan krijg je zo’n smeerboel.
Er zit, vrees ik, niets anders op dan sneeuw en ijs af te smeken. Als ongelovige kan ik niet met een echt gebed aankomen maar elke avond een klein versje lijkt me een goed begin:
Onze lieve heertje
geef slecht weertje…

 

.

Kijken, kijken, niet kopen

Er moet een betere printer komen en een omslag voor het tabletje.
Daar ga ik eens goed voor zitten. Fijn werkje, me verlekkeren aan de artikelen, precies uitzoeken wat ik wil hebben, prijzen en service vergelijken, nog even nadenken en dan niet meteen bestellen.
Daar kan ik weken over doen.
Soms kom ik in een gewone winkel terecht, dan kijk ik daar of ik kan slagen, langzaam denkend.
Op deze manier heb je veel voorpret van een nieuw artikel.
Het schiet niet op maar dat geeft niet.
Het is net zoiets al op  datingsite van een paar maanden terug.
Een ruim aanbod maar ik kon niet kiezen. Mannen zijn soms wel inwisselbaar, echter niet in prijzen en service.  En de voorpret stelt ook niets voor.
Enfin. Geen man overboord.
Ik heb nu een printertje uitgezocht, misschien bestel ik hem morgen. Of volgende week.
Over de iPad-hoes moet ik nog een poos denken.
Hopelijk beslis ik vóór de winter, het ding is versleten op de hoeken en de koude lucht is zielig.
Stel dat hij bevriest.
Als het nu chocola was…
=

Winterbezoek

Ik zag de winter voorbij gaan. Van de ene naar de andere straat.
Voorop liep zijn vrouw, te herkennen aan de ijsketting om haar hals.
Wow! dacht ik bewonderend, bijna winter en dan nog in decolleté, een wereldwijf.
Ze keken rond, op zoek naar een goede plek. Op de Alpen waren ze uitgekeken.
Af en toe overlegden ze: hier ijzel, daar poedersneeuw? Skiën doet men hier nier niet, plak dan maar?
Kom alstublieft hier, wenkte ik, wijzend naar onze wijk.
Ze aarzelden, knipoogden en zwaaiden slechts.
Jammer.
Ze riepen nog wat: Tot Kijk!
Ik zwaaide terug, ’n beetje mat.
Maar zegt men niet: hoop doet leven?

Vooruitkijken, ongeduldig of gewoon dwars


Nu is er een herfstachtig weertje
Ik speur naar een ijs-elijk sfeertje
inwendig reeds kouwelijk
bedenk ik, aanschouwelijk,
een wollige sneeuwstorm, ik zweer’t’je.

We krijgen misschien ook een winter
natuurlijk zie ik dan een flinter
van bloemen en kalfjes
en zonnige zalfjes
en zie de gezichten getinter.

Daarna komt de lente, ‘kvoel hitte
smeer bruinsel tegen het witte,
wacht lijdzaam op juli
drink cool en eet culi-
-gezond en blijf luiig lang zitte.

Zomer. Ik denk aan de stormwind
aan blad dat als goud door de straat sprint
mijn hoofd staat naar misten
en bessen aan risten
niets dat me aan de augustusmaand bindt.
==

Dag dekbed

Wat deed u met die hitte? Kon U slapen? Raam open, dicht, ventilator te hard, dorstige muggen?
Ik had het gauw opgelost.
Zette de ventilator naast mijn bed op de laagste stand en lag prinsesheerlijk onder een zachtjes wapperend katoenen laken. Weldadig verkoelend. En ik sliep lekker.
Toen de warmte afzwakte, verdwenen is hij niet helemaal, was het dekbed nog steeds te veel. Ik zocht en vond een dunne deken om over het laken te spreiden, een fleece-ding van het Kruidvat, spotgoedkoop en precies goed.
En nu wil ik niets anders, niet de oude dekens die verpakt op de vliering liggen, niet het badstoffen sprei dat vroeger dienst deed als extraatje voor koude voeten.
Het dekbed al zeker niet, dat bewaar ik voor de winter. Tenminste, als hij komt want dat is nog maar de vraag.
Tot diens komst doe ik het met dat laken en fleece-dekentje.
Misschien, héél misschien, gooi ik er een paar sokken tegenaan.
En zet de ventilator uit.

winter-lente, halfomhalf

De lente nam bijzonder snel winter’s plaats in.
Een paar dagen terug liep ik nog met warme kruiken in mijn schoenen, gistermiddag zat ik buiten. In de zon en uit de wind was het 20ºC, later nog iets meer.
Achterover leunend in de zonnestoel, benen gestrekt en met blote voeten. Groenja met ijs naast me.
Het leven was vurrukkulluk voor even.
Het kostte me dan ook moeite de stoel te verlaten bij het voortgaan van de tijd, ik stond niet op ondanks de nadering van schaduw. Het koelde af en ik rilde maar volhardend bleef ik. Armen en gezicht vingen nog zon die de puntjes van mijn kippenvel verwarmde.  Nog tien minuutjes. Nog vijf.
Tot alleen mijn haar oplichtte.
Gezond verstand overwon. Ik rees op en verdween naar binnen waar de cv eveneens op 20 graden stond en een aangename warmte verspreidde.
Maar het was niet hetzelfde.

Oude winters

Iemand pakt de kolenkit en een stapel houtjes.
Er wordt gestookt bij het leven.
Maar het blijft koud, in slaapkamers is het Siberisch met ijzige temperaturen. Sloffen en pyjama’s worden voorverwarmd op de kachelpijp
‘Ach wat, zegt vader, wij hadden vroeger sneeuw op de bedden en sliepen gewoon door.’
Gemok.
– boven komt ook sneeuw naar binnen – dekens waaien zowat weg – ’s morgens ijspegels aan de voeten – we vriezen nog dood –
Moeder bemiddelt.
‘Er ligt genoeg hout, er zijn kolen zat. We kunnen best wat harder stoken en de trapdeur openzetten. Dat scheelt.’

’s Avonds kleumt de kring rondom de kachel die bijna op springen staat. Gezichten kleuren rood, ruggen rillen.
Iemand staat op en doet de trapdeur dicht. ‘Het trekt zo.’  Er wordt geknikt.
Vader zegt niets, hij dut langzaam in.
Moeder breit. Ze luistert naar geginnegap over ijstenen en sneeuwgraven en lacht om de stille huiver, ze sust de jongste.
Allen gapen maar gaan niet naar bed.
Stel dat ze in de slaap bevriezen.


Mijn Tante Truitje

Had ik haar al voorgesteld? Een lief klein tantetje op wie ik zeer gesteld ben.

De laatste keer dat ze op bezoek kwam was in een beroerde winter. Met desastreuze gevolgen.
Op een koude middag belde ze een paar keer aan – de schat hoort vreselijk slecht en alles verkeerd – ik opende de deur  en verrast schreeuwde ik luid:
‘Hallóó, tante Trúítje! Wat een énige verrassing, kom er in.’
De afstand tussen ons was te groot om met de menselijke stem te overbruggen. Ik nam de megafoon en toeterde: Kom toch binnen, tantetje, bakkie leut met een kletskoekje?’
Te hard riep ik, plotseling lag ze aan de overkant van de straat. Ik zag haar nog net de laatste paar meters zweven,  een paar fietsers bukten bijtijds. Nou ja zeg, dat ze zo mager was  kon ik niet voorzien.
Beetje slapjes, tante?’  vlug wilde ik haar overeind helpen maar ze waaide alweer een stuk verderop, ditmaal werd het riskanter doordat ze naar het eind van de straat rolde en op een drukke weg uit zou komen. O god..
Gelukkig kwam er een sneeuwschuiver voorbij waarvan de chauffeur verbaasd naar tante Truitje keek.  Geschrokken stuurde hij naar de kant en schoof haar keurig in de berm.
Tante Truitje echter was door de kou zo stijf als een plank geworden. Zij kon zich niet meer verroeren en riep om hulp. Ik vloog op haar toe en daar ik bang was dat zij opnieuw zou wegwaaien  zette ik haar vast met een gevorkte tak. Daarna belde ik een ambulance want ik zag wel dat het haar niet zo goed ging.

Men heeft haar naar een tehuis gebracht en daar ligt ze nu nog.
Beladen met schuldgevoelens en snoep ga ik iedere week  bij haar op bezoek en mijn vaste groet is, schreeuwend, “Hallo tante Truitje, daar ben ik weer.
Dan rolt ze bijna uit haar bed maar de dekens zitten goed strak.

© Bertie