Spinnen deel II


De mensen echter zagen het anders. Verslagen bekeken ze de opdringerige webben, fobischen doken onder hun dekbed.  Opgesloten zaten ze, alle in- en uitgangen waren dichtgekleefd met taai spindraad. Het was vreselijk zielig.
Tenslotte kwamen ze bij zinnen; worstelend met plakkerig spinsel sloegen ze groot alarm.  De Burgemeester, CdK, overheid en leger werden ingeseind.
Helaas, crises hadden voorrang: vijf december naderde en de koning scheen armlastig.
‘Joh, spinnen in de nacht , die, eh, brengen vette kracht,’ giechelde de minister-president.
‘Spinnen zijn nuttig,’verklaarden arachnologen
‘Alle dieren tellen mee!’ foeterde Marianne.
’Laat ons bidden,’ vroomde een gelovige en een andere seinde reeds een imam in.
‘God schiep mens en dier,’ begon een marine-aalmoezenier.
Ja, daar hadden de ingespinde mensen niets aan.
In arren moede   zochten ze zelf naar oplossingen. Ze gebruikten visvliegen als lokaas en googleden op spinnenfluisteraars, zelfs opgerolde kranten kwamen er aan te pas.
Niets hielp afdoende,  slechts een enkel dom spinnetje liet zich platmeppen of opvreten door een hond .
Tenslotte whatsappte een dappere de rest om de slag aan te gaan. ‘Alles wapens zijn toegestaan, pas alleen op met vlammenwerpers.
LET’S GO!’
===
Straks het laatste deel.

 

Over slaap

Lekker vroeg naar bed gaan, daar had ik zin in.
Gisteren heb ik het geprobeerd. Het viel niet mee.
Aanvankelijk kroop ik er opgewekt in, luchtiger dan luchtig gekleed en bedekte me met één laken.
Het bleef warm.
Toen zocht ik naar een waaiertje, ik wist dat er een in huis was, ergens, in de krochten van de kelder. Het kwam boven water; ik zette het neer en aan en vlijde me weer neder, nu in verkoelende stromen.
Het was verrukkelijk maar bracht me niet in slaap want het bleef te licht.
Weer opstaan en het afgewezen dekbed over de gordijnen gedrapeerd. Het werd schemerig, best wel romantisch, eigenlijk een beetje té.  Slapen? No way.
Ik belde de verduisteringswinkel en vroeg om raad. Ze hadden slechts zwart fluweel te bieden, overgehouden van een ouderwets lijk. Nee dank U.
In wanhoop whatsappte ik de zon: kan het niet wat minder? “Zeur niet zo” , zei-t-ie.  De slome.
Het werd niet donkerder en plotseling kraaide een haan.
Ik lag nog steeds met die luchtiger dan luchtige bedjurk  in een romantische schemerkoelte.
Geen idee hoeveel ik hier van gedroomd heb.