Hemelse hemel?

In de hemel komt alles goed, werd ons verteld. Daarmee hield (en houdt) men gelovigen zoet en vooral volgzaam. Niets nieuws, deze chantage wordt in veel religies gebruikt.
Het heeft niet geholpen.
Van de katholieken is dat begrijpelijk, we leerden al jong alle zonden te biechten om met een schone ziel opnieuw te beginnen dus gingen we onbezorgd door met het snoepen uit de koektrommel. Stiekem uiteraard, wereldse straf woog zwaarder.
Nog afgezien daarvan leek die hemel me, kind zijnde, weinig attractief.
Wie wil er nou de godganselijke dag naar hemelse muziek luisteren terwijl er in snackbars volop bebopalula was te horen? Almaar bidden en god vereren? De wekelijkse hoogmisgezangen waren al beroerd genoeg.
Maar het ergste vond ik het idee dat we allemaal één grote gelukkige familie zouden zijn, als een liefdevol gezin, volgens de oude pastoor.
Met mijn ruziebroertje? Ik kon hem (toen) niet luchten.
Een paar buurkinderen die altijd knokten? No way!
Een hatelijke onderwijzeres, dat vreselijk mens? De gedachte deed me rillen.
Die jonge weduwe? Hoe zouden zij en haar man elkaar willen terugzien, vast niet als broer en zus.
Het idee stond me tegen temeer omdat je een geest was, lekker eten was er dus niet bij. Ja, een kind denkt logisch. Of simpel. Of juist pragmatisch.
Later las ik over het Walhalla, De Eeuwige Jachtvelden, het Elysium en meer hiernamaalsen.
Je kreeg ze nooit voor niets. De goden stelden eisen en weet je wat? Het waren gewoon de eisen die in een samenleving nodig zijn om de boel redelijk draaiende te houden.
Geven en nemen.
Zonder overspannen geloofswetten maar toen ik dat besefte was ik al lang kind af.

Bril


Leesbril kwijt, dan valt er niet te tabletten. Nou ja, bij de laptop ligt een andere.
Daar viel telkens een glas uit, verdorie. De volgende, uit de keuken.
Geloof het of niet, de steker brak af, nou zeg, ze moeten me wel hebben. Nog één kans en dat is de bril naast bed.
Wat, ook al kwijt? Nee, geplet tussen matras en ledikant en, natuurlijk, gebroken.
Vier exemplaren en niet kunnen lezen, hoe krijg ik het voor elkaar.
Zonder leesbril ben ik onthand, alleen krantenkoppen en grote letterreclame begrijp ik. Op de laptop is tekst te vergroten maar op een minischermpje is dat ondoenlijk met lange zinnen.
Van alle gewoongeworden dingen is de leesbril (en -loep) een van de beste uitvindingen.
Stel je voor, nooit meer te kunnen lezen en puzzelen, een ramp, ik zou de laatste cent overhebben voor Drion.
Handwerkers en -sters zijn uitgehobbied, veel mensen van middelbare leeftijd stoppen met werken, knollen worden voor citroenen verkocht, politici tekenen verkeerde wetten, lesgeven is alleen voor veertigminners, je koopt de verkeerde wijn of een rare jurk,  de lijst is eindeloos.

Enfin, met de verrekijker kroop ik in en door en onder alle hoeken en stoelen en vond uiteindelijk de zoekgeraakte, de ene die nog heel is.
Nu kan ik de andere drie repareren.

Somber sprookje


Er was eens een mopperig volk. Men  voelde zich tekortgedaan, teveel verplicht, zelfs muziek verwerd tot een scheldpartij.
‘Je moet dìt en je moet dàt en je mag niets. Wat heb je nu nog?  Er is niks aan.’  Het chagrijn vierde hoogtij.
Tot men op een dag alle ergernissen overboord gooide en besloot te leven naar eigen inzicht. De mensen gehoorzaamden niet meer aan wetten, zij volgden enkel nog hun instinct. Ze zouden gelukkig worden.
Het leek heel wat: weg met de lasten, leve de lusten, het paradijs opende zich!

Helaas, het paradijs bleek zeer aards.
Het was  een wildwest après la lettre, hetgeen behoorlijk tegenviel zonder Hollywoodromantiek. Diefstal en moord werden onbestraft gelaten, men leefde in achterdochtige buurtschappen. Ach en wee, grienden een paar klagers,  hun  kleurloze en vodderig geluk overziend.

Buurlanden, geschokt door de domme bandeloosheid, sloten hun grenzen.
Het volk was nu op zichzelf aangewezen.
Wetteloos en vrij.
Gedegenereerd, gedesillusioneerd, getraumatiseerd.
Niemand leefde nog lang, hoogstens ongelukkig.