Moeders rug

‘Toon es meer ruggengraat!  Wees wat flinker, loop om te beginnen rechtop.’
Door de knoeprug van vorige week dacht ik er weer aan.
Moe geloofde serieus dat een rechte rug automatisch een sterk karakter genereerde, zag niet dat het misschien andersom was.
Zelf was ze bijzonder flink in alle opzichten en straalde het ook uit.
Als je van íemand kon zeggen dat ze een bezemsteel had ingeslikt was zij het. Niet zo lang als wij maar kaarsrecht en met stevige stap banjerde ze door het leven, naar de waslijn, kerk, winkels, wandelend, want aan fietsen had ze een hekel. Zelfs als ze met ons naar het water ging en bij pa in de roeiboot stapte zat ze op het plankje als een vlaggenmast.
Het stond haar goed, moet ik toegeven. Zelf hing ik meestal als ik zat.
Er waren ook nadelen. Wandelen was een crime, vooral voor pa. Hij kuierde graag, ontspannen rondkijkend.
Moe beende door de straten, pas bij het park hield ze in voor een vrije zitplek. Ze zag niets en niemand, ergerde zich aan het gesummel (zo noemde zij dat) en wachtte dan met een strak gezicht tot pa haar haastig en mopperend inhaalde.
Maar eerlijk is eerlijk: ze had het nooit in haar rug.
==

Papa wandelde.

Hij werd gevonden in de rivier,  bij een van de pijlers van de spoorbrug. De huisarts zei niet veel meer dan ‘Waarschijnlijk sprong hij zelf.’
Mama was sprakeloos.
Na de begrafenis verbrak ze de stilte
– Waarom deed hij dat nou? Hj had niets te mopperen. Zijn kleren altijd verzorgd, eten op tijd klaar, huis gepoetst…. –

Zo vraagde en klaagde ze, overtuigd van haar schuldeloosheid.
Dochter zweeg, dacht aan papa’s protesten en mama’s antwoorden.
Hij wilde graag een strandvakantie (als jij zo nodig naar zee wilt ga je maar alleen), hekelde de gescheiden slaapkamers (ieder een eigen kamer is hygienischer), zou in een restaurant willen eten, (nergens voor nodig, ik kook zelf), af en toe een borreltje drinken (met verjaardagen krijg je toch een biertje?).
Mama nam alle besluiten op de enige manier die ze kende, die van haar. Met stellige uitspraken waar haar man op de duur niet meer op reageerde.
Hij eiste alleen nog een paar uur in de weekeinden. Om te wandelen. Het liefst alleen.
Ondanks haar geschamper (zonderlingen doen dat ook) liep hij, zaterdags of zondags, bij mooi en minder mooi weer, tot hij voorgoed wegbleef.

Waaraan dacht hij in die eenzame uren, vroeg dochter zich hardop af. Aan de zee?
Mama keek haar verstoord aan. Ongeweten geestig was haar antwoord.
– Hij zal met de stroom mee hebben gewild.-

Strand-idylle.


Het strand is bijna leeg. De meeste badgasten zijn verdwenen.
Langzaam, nog half dromend, wordt Eva wakker.
Suffig kijkt ze op haar horloge. Half zeven al? Naar huis, etenstijd.  Rekkend en gapend gaat ze rechtop zitten. Met tegenzin propt ze haar spullen in de tas en staat  op.
Ze besluit nog een stukje langs het water te lopen, genietend van de rust.
Peinzend kijkt ze naar de horizon en vraagt zich af of er op dit zelfde moment aan de overkant ook iemand wandelt.
Een jongen misschien.  Een lid van het koningshuis, ontsnapt aan bodyguards en met verlangen naar Nederland turend.
Hij wacht natuurlijk op haar en de appel die zij hem aanbiedt, ze heet tenslotte Eva.
In gedachten loopt ze met hem mee en probeerde haar school-engels op hem uit, spint een leven om hem heen waarin ze gaan stappen en proosten met  Charles,  alle knappe voetballers leert kennen en de hondjes van de queen aaien.

Een hard gefluit klinkt op. Verrast draait ze zich om,  bekijkt teleurgesteld  een schriele puber die komt aanrennen met de shampoo. Moet uit haar  tas gevallen zijn. Hij knipoogt als hij haar de fles reikt  maar ze mompelt een kort ‘dank je’ en wendt zich weer naar het water, gefocust op haar koninklijke vrijer.
De prins echter, is tegelijk met de ondergaande zon in de golven verdwenen.

© Bertie