De waarheid was dat we het allang wisten…


..dat Sinterklaas niet bestond.
Sterker: ik kan me niet eens herinneren dàt ik ooit in hem geloofde. De keren dat we ’s morgens een mand met cadeautjes vonden lagen achter ons, we dachten er nooit meer aan.
De waarheid kon immers niet verborgen blijven.
Moe die het druk had met boodschappen op de gekste tijden. Haar afwezige blik de laatste dagen. De groten die ook al geheimzinnig deden met hun geknutsel.
De duidelijkste aanwijzing was dat we aldoor de kamer werden uitgestuurd: ‘ga maar buiten spelen.’ Dan begrepen we dat ze met de cadeautjes bezig waren.
Mijn twee jaar oudere broer en ik liepen dagenlang rond met geheimzinnige gezichten; deden alsof we nog geloofden want dat hield de spanning er in. Het werd min of meer van je verwacht omdat er nog een klein broertje rondliep.
We zongen zogenaamd angstig mee terwijl we gisten van wie die zwarte glacé was die door de deuropening met pepernoten gooide.  En genoten van  de grote zussen die flirtend ‘dank je wel Piet, lieverd’ riepen.  (Zij wisten welke buurjongen het was). Een  vertoning die erbij hoorde.
De laatste middag vóór pakjesavond was niet door te komen; dan stond in het portaaltje de grote teil of de wasketel klaar, boordevol met pakjes. Een tafelkleed erover om het geheim in stand te houden..
Moe was op de valreep met een paar laatste surprises bezig, tobbend over een zinnig vers.
We stierven bijna van nieuwsgierige zenuwen.
Wat zou er voor ons bij zijn?
En, niet onbelangrijk, zouden we TWEE chocoladeletters krijgen?

Het was elk jaar een van de mooiste en spannendste periodes.
Nooit heb ik me verdrietig of belazerd gevoeld dat Sinterklaas niet bestond.
Integendeel, ik keek met ongeduld uit naar de tijd dat ik zelf mee mocht doen met surprises, grappen en versjes.
Ik zal toch niet de enige geweest zijn?
==

Advertenties

Het haasje

Even buiten het dorp kwam ik de paashaas tegen.
Hij keek teleurgesteld en droeg een lege mand.
-Waar ga je naar toe?-  vroeg ik.
-Weg, zei hij stuurs, zo ver mogelijk. Ik laat me door de mensen niet meer voor de gek houden-
Geschrokken keek ik hem aan, -Wat deden we verkeerd?
– Dan huren ze me in om eieren te leggen, krijg ik het met veel kunst- en vliegwerk voor elkaar en denk je dat ze dankbaar zijn? Ze lachen alleen maar.-
Woest was hij (het was een rammelaar).
-Nou ja, aarzelde ik, het is natuurlijk erg ongeloofwardig. Een haas die eieren legt, een mannetje nog wel….
-En jullie dan? Een zwangere man, een meisje met een konijn als gids, vind je dat wel normaal? (Schwarzenegger in de film Junior en Alice in Wonderland, begreep ik).
-Maar, legde ik uit,  dat is niet echt, het is verzonnen. Net als de kerstman en Sinterklaas. En zo ook de paashaas, sorry.
Zijn boosheid maakte plaats voor  onbegrip.
-Verzonnen? stamelde hij. Ik? Meent U dat nou?
Ik kreeg meelij met hem, toch moest de  waarheid gezegd worden.- Jazeker, let maar eens op.
Hard kneep ik hem in zijn buik. -Huh? Hij keek naar mijn hand, kneep zelf,  nog harder.Hij voelde niets.
Opluchting verscheen op zijn gezicht.  -Dan hoef ik ook niet boos te zijn. Hoera!
-Zal ik je dan maar wegmaken? stelde ik voor en pakte alvast mijn gum.
-Doe maar, en die mand ook.
Ik veegde alles weg.
Toen alleen zijn hoofd nog over was knipoogde hij: bedankt en tot volgend jaar!

Over smoezen


Daarvan zijn er vele en iedereen maakt er wel eens gebruik van.
Kleine kinderen zijn er goed in, met een stalen gezicht verzinnen ze ter plekke een leugentje om ‘wandaden’ te verbloemen, om aandacht te krijgen of omdat ze zich zielig vinden..
Bijna alle vaders, moeders en andere opvoeders zullen dit herkennen.
Als ouder heb je soms ook een smoes nodig.  Sinterklaastijd, slecht-volk-waarschuwingen, bijvoorbeeld . Daarbij is het belangrijk  een heel goede te verzinnen om niet verdoemd te worden wanneer de kinderen achter ‘de waarheid’ komen.
Op school hadden de meeste smoezen betrekking op te laat komen,  in de brugklas in Zaandijk werd gewoonlijk verwezen naar ‘de brug stond open’ en bij nietgemaakt huiswerk was het ‘geen tijd wegens te lang wachten voor de brug’.
Strafwerk volgde steevast; er waren daar zoveel bruggen dat je er rekening mee diende te houden. Dan was er nog  ‘fiets kapot’,  ‘bus/trein te laat’ en één keer zei een  jongen: ‘de meid heeft me niet geroepen’.  Grote hilariteit in de klas, temeer toen bleek dat er inderdaad van een dienstmeisje sprake was.  
Eenmaal beland in Oost-Brabant kon ik niet met openstaande bruggen aankomen, hoogstens was het druk op de weg tijdens de bietencampagne.  Maïs- gladiolen- groente- en aardappelrooi telden absoluut niet mee,  daarop kwam dezelfde reactie als die in Zaandijk: dit is geen excuus
Doordat ik intussen gegroeid was tot een principiëel niet-liegend pubertje,  zei ik gewoon de waarheid  toen ik eens  -voor de hele klas natuurlijk- op het matje geroepen werd: ‘we zaten zo gezellig na het eten’.  Stoïcijns onderging ik het gelach.   Toch verbaasd, dit was wat het was en nu werd ik niet geloofd.
Een goeie smoes was wijzer geweest.
In de jaren erna ging het om een heel ander soort smoezen. Daarover later.