Zweet

In de loop van de middag begon het. Een nare geur.
Beetje rottig luchtje, zeg maar gerust een meur.
Iets als oud okselzweet, gekoesterd en nooit weggewassen.
Natuurlijk zocht ik, vond niets, zocht opnieuw en na de derde ronde had ik beet: de helft van een rauwe ui, onverpakt in de pedaalemmer. Ik moet ver weg zijn geweest met mijn gedachten.
Het deed me denken aan een winkel van vroeger, een kruidenierszaakje waar van allerlei verkocht werd.
Zus en ik haalden er niet graag boodschappen vanwege de doordringende transpiratiegeur die uit de verkoopster kwam, ik weet niet van welk lichaamsdeel of kledingstuk. Wie weet werkte ze hard, had ze last van het zweet des aanschijns of iets dergelijks.
Mijn moeder vond ons lastig, ‘een ijverige vrouw’ zei ze maar dat ze steevast een van ons stuurde was veelzeggend.
Nog zie ik me staan, net binnen de winkeldeur riep ik de bestelling: 1 pak koffie alstublieft en een fleskoffiemelk. Opschrijven voor S.
Dan liep ik snel naar de toonbank, griste met gerekte armen de spullen en rende ‘doeg’-roepend naar buiten. Zus had een andere manier. Ze deed net of ze een drukke praatster was en wapperde met haar handen de lucht schoon bij elk woord dat ze zei. Niet dat het hielp.

Deze dingen overdenkend leegde ik de riekende pedaalemmer en luchtte de keuken door de buitendeur open te zetten, ook hier was wapperen niet voldoende.
Hoe het de verkoopster vergaan is weet ik niet.
Petrus heeft haar denkelijk op een buitenwolk gezet, met een waaier.

Advertenties

Over slaap

Lekker vroeg naar bed gaan, daar had ik zin in.
Gisteren heb ik het geprobeerd. Het viel niet mee.
Aanvankelijk kroop ik er opgewekt in, luchtiger dan luchtig gekleed en bedekte me met één laken.
Het bleef warm.
Toen zocht ik naar een waaiertje, ik wist dat er een in huis was, ergens, in de krochten van de kelder. Het kwam boven water; ik zette het neer en aan en vlijde me weer neder, nu in verkoelende stromen.
Het was verrukkelijk maar bracht me niet in slaap want het bleef te licht.
Weer opstaan en het afgewezen dekbed over de gordijnen gedrapeerd. Het werd schemerig, best wel romantisch, eigenlijk een beetje té.  Slapen? No way.
Ik belde de verduisteringswinkel en vroeg om raad. Ze hadden slechts zwart fluweel te bieden, overgehouden van een ouderwets lijk. Nee dank U.
In wanhoop whatsappte ik de zon: kan het niet wat minder? “Zeur niet zo” , zei-t-ie.  De slome.
Het werd niet donkerder en plotseling kraaide een haan.
Ik lag nog steeds met die luchtiger dan luchtige bedjurk  in een romantische schemerkoelte.
Geen idee hoeveel ik hier van gedroomd heb.