Oude winters

Iemand pakt de kolenkit en een stapel houtjes.
Er wordt gestookt bij het leven.
Maar het blijft koud, in slaapkamers is het Siberisch met ijzige temperaturen. Sloffen en pyjama’s worden voorverwarmd op de kachelpijp
‘Ach wat, zegt vader, wij hadden vroeger sneeuw op de bedden en sliepen gewoon door.’
Gemok.
– boven komt ook sneeuw naar binnen – dekens waaien zowat weg – ’s morgens ijspegels aan de voeten – we vriezen nog dood –
Moeder bemiddelt.
‘Er ligt genoeg hout, er zijn kolen zat. We kunnen best wat harder stoken en de trapdeur openzetten. Dat scheelt.’

’s Avonds kleumt de kring rondom de kachel die bijna op springen staat. Gezichten kleuren rood, ruggen rillen.
Iemand staat op en doet de trapdeur dicht. ‘Het trekt zo.’  Er wordt geknikt.
Vader zegt niets, hij dut langzaam in.
Moeder breit. Ze luistert naar geginnegap over ijstenen en sneeuwgraven en lacht om de stille huiver, ze sust de jongste.
Allen gapen maar gaan niet naar bed.
Stel dat ze in de slaap bevriezen.