Man spreekt

Kerels? Een slag apart.
Vrouwen? Niet te rijmen.
Kinderen? Altijd maar afwachten.
Dieren? Gadver.
Planten? Jèk.
  – Jij leeft zeker alleen?
Neenee, ik woon met mijn vrouw, ouders, zonen, dochters, kat en hond en heb een tuin rondom het huis.
  – Wat zeur je dan?
Ik zeur helemaal niet.  Zo is mijn ervaring.
  – En wat vind je van jezelf?
Niks. Ik ben de baas van het spul.
 – Maar je bent een man, dus ook een slag apart.

Dit is niet helemaal verzonnen.
Een paar jaar geleden spraken we  iemand die op deze manier zat te jeremiëren, ontevreden over zijn inwonende ouders, kinderen en kippen. Bloedserieus zei hij letterlijk:
 ‘Een gewoon mens zou het niet aankunnen, het is maar goed dat ik me kan aanpassen’.
Hij snapte niet waarom we lachten.
==

Advertenties

Weer thuis


Er was een gezellige avond, goed logeerbed en een stijlvolle gastdag.
Eenmaal thuis zette ik het journaal aan en verzonk al luisterende in een dutje waaruit ik net pas wakker werd.
Tistochwat, die ouwe vrouwen
kunnen de ogen niet effe open houwen.
Zo gaat dat.
Aan de mailbox te zien kan ik aan de slag.
Nú.
==

Brabo. En de vrouw?

Geen vraag van wereldbelang, ik vraag het me zomaar af.
Wat is de vrouwelijke vorm.
Als een Brabander een Brabo wordt, hoe heten wij dan?
Brabesse? Brabine? Brabse? Brabones? Brabegge?
Daar hoor je nooit wat over.
Wijlen (Brabantse) echtgenoot wist het ook niet.
Hij hoorde het woord Brabo niet graag. Hij vond het een scheldwoord maar dat zei me niets, als import heb ik niet het precieze bloed,  zuidelijke trots ontbreekt me al moet ik zeggen dat ik hier heel snel het bier heb leren waarderen. En koude schotel.
Navraag bij Wikpedia leverde iets heel anders op.
Ene Silvius Brabo was een Romein die de reus Antigoon doodde en het symbool van de stad Antwerpen werd. Zie
https://nl.wikipedia.org/wiki/Silvius_Brabo
Daar wist ik niets van.
Ik denk niet dat deze Brabo bedoeld wordt. Als een soort held. Het idee. Ha!

In mijn vroegere woonplaats was een vrouw veel makkelijker te benoemen.
Je was een Zaanse. Meer niet. We hoefden ons nooit het hoofd te breken over vreemde  vragen.
Nou ja, er waren mannen die het over Zanikkers had maar zulke zeveraars vind je overal. Er zijn zelfs Brabanders die hun vrouw een zanik noemen terwijl ze niets van de Zaan afweten. Daar zijn het mannen voor.
Al typende hoopte ik op een oplossing maar nee.
Het blijft een raadsel of zijn we daar vrouwen voor?
==

Gedoe bij de kassa


‘Denk je aan de koek en vergeet de pudding niet. Sigaartjes…’ jengelt opa.
‘Kom op, je hebt nog een doosje liggen, we zijn zo thuis.’ Jachtig been ik naar de kassa om zijn gemeier te stoppen.
Die slome caissière. Nou gaat ze weer uitgebreid haar neus snuiten, is ze nog verkouden ook.
Jaaaa, we gaan door, nog twee vrouwen voor me. Hoera en opa houdt zijn mond, pffff.
Dan gebeurt het.
Er stoot me een man in de rug, hij duwt opa’s rollator bijna omver en klimt over de twee voorgangsters, roepend dat hij niet lang kan stilstaan. Hij gooit een paar euro’s en een zak chips op de band en wacht, trappelend van ongeduld.
Ik ken hem, razend word ik op die vent, een slijmerige zestiger die zich in alle winkels voordoet als een zielig ouwetje dat last heeft van zijn benen. Of rug. Van wat dan ook. En maar klagen.
Nu gaat hij te ver.
Als een wilde kip vlieg ik hem achterna, trek hem aan zijn kraag omhoog en zet hem op zijn plaats, achter mij.
‘Wachten!’ bijt ik hem toe. De caissière, onverwachts vlot, gooit hem enthousiast de chips en euro’s achterna. Ha!
Rust in de tent.
Het is wel èrg rustig. De klanten handelen stilletjes hun boodschappen en telefoontjes af en dan zijn we zover.
Opgelucht doen we de spullen in tassen en stappen op .
Hé, wat is dat nou? Politie die binnen stormt?
‘IN NAAM DER WET…’ buldert de een, ‘… HALT!’ schreeuwt de ander. Tegen mij! Verbluft kijk ik hen aan.
‘U heeft een man geworpen en een paar vrouwen bevlogen.’ Hm, niet slecht voor een korte kassapauze, dunkt me.
Fatsoenshalve houd ik me in en leg uit van de slijmerige zestiger die het eerst vloog en dat ik de vrouwen niet aangeraakt had.
Ze protesteren luid, de slijmerd jankt, de caissière verdedigt me en rent daarna een paar klanten achterna die zonder te betalen wegsluipen, kortom, het is een zootje.
De agenten kunnen het niet bijbenen en verdwijnen tenslotte.

Dan gaan wij ook weg, opa met een sigaartje tussen zijn vingers.
‘Hoe komt U daar nou aan?’
Gelukzalig neemt hij een trekje. ‘De kassajuffrouw had het zo druk, de arme meid…’

© Bertie

Rechtlijnig denken

Een van de  definities:
 recht op het doel af, zonder met andere dingen rekening te houden vb: zijn denkpatroon is nogal rechtlijnig
Calvinistisch

Vaak een handige manier om iemand de mond te snoeren want laten we wel wezen, het valt niet mee om ter plekke een antwoord te hebben.
Ik bedoel niet de hatelijkheden die op een paar sites staan, enkel de gedachten die worden uitgesproken en waar men zelf in gelooft.
Een kleine greep.

-Als die kerels niet mee zouden vechten was er geen oorlog
-Als iedereen in eigen land bleef was er niets aan de hand
-Amerikaanse gevangenissen zitten vol met zwarten, dat zegt wel iets.
-Je mag het niet hardop zeggen maar eigenlijk vind ik blanken de beste mensensoort, we zijn het verst met de beschaving.
-Natuurlijk horen vrouwen thuis, waarom denk je dat de huishoudschool er is?
-Mannen zijn gewoon beter in regeren, er zijn  niet voor niets zoveel mannelijke ministers.
-De kinderen van tegenwoordig zijn slecht opgevoed, wat wil je ook als die moeders nooit thuis zijn.
-Vliegtuigen zijn het gevaarlijkst, als het mis gaat zakken ze meteen.
Enzovoorts.

Deze en gelijksoortige ideeën werden (en worden) bloedserieus uitgesproken. Meer dan eens hoorde ik ze in allerlei varianten.
Zelf noemen de opmerkers dit ‘logisch denken’.
Snap je? vragen ze ook nog. Dan knik ik lafjes, te vaak werden het onaangename discussies. Uitleg is niet nodig, men wuift het weg.
Wat moet je er mee? Niets.
Hoogstens vertel je die oude mop↓
Twee oermannen in dierenvellen staan in de regen. Mopperend.
‘Sinds dat geknoei met pijl en boog is het weer ook niet meer wat het geweest is.’

Snap je?

wolf leeuw hond

In nachtverhaaltjes die ik hier plaats komt herhaaldelijk een (weer-)wolf voor.
Waarom? Ik heb geen flauw idee, misschien was ik er een in een vorig leven, raakte ik gefascineerd door Bor uit de Fabeltjeskrant, maakte Roodkapjes opvreter teveel indruk. Wie weet zijn de nieuwkomers uit Duitsland nieuwsgierig naar hun neven en zoeken ze me voor informatie waardoor ik van ze droom enz. enz.
– In werkelijkheid ben ik een   . Zo een die luiert in de schaduw en zijn vrouwen op jacht stuurt behalve dat ik geen vrouwen heb en het nu veel te koud is laat staan dat kale bomen schaduw bieden. U ziet: dit lijkt in de verste verte niet op wolveneigenschappen.
Een kennis die alles weet over sterrenbeelden vroeg ik naar een verband tussen leeuwen en wolven. ‘Ze lusten beiden een mals schaap,’ zei ze. Nou ja zeg.
Ik legde het een psycholoog voor. Hij verwees me naar een psychiater.
Wat nu.
Als leeuw geboren in het jaar van de hond en geobsedeerd door (weer-)wolven.
Godnogantoe, wat moet er van me worden in een volgend leven.
Een spaniel met wolfskop? Leeuw met melkboerenhondehaar?

De vrouwen

Twee vrouwen liepen kalmpjes door de winkelstraat.
Ze babbelden wat. Ontspannen. Ze waren beiden wat meer dan gemiddeld in leeftijd, ze trokken de aandacht en waren dat gewend.
Toch waren ze niet bijzonder knap.
Was het hun naar arrogantie neigende zelfverzekerdheid? Waardoor ze bijna achteloos de etalages voorbij liepen en niet in alle spiegels keken?
Hun amper verholen spot bij het zien van de internettende mensheid?
Ze accepteerden hun opvallendheid alsof het hen toekwam, zouden zelfs verbaasd zijn wanneer die wegviel.
Ze wandelden een lunchroom binnen, liepen automatisch naar de beste tafel en werden, als vanzelfsprekend, direct naar hun wensen gevraagd.
Geanimeerd bespraken ze tijdens de maaltijd het een en ander. Ook dat was iets wat bij hun gedrag hoorde, zij deden niet aan roddelen, zij voerden een gesprek over diverse onderwerpen en daar paste een medemens naadloos tussen, als terloops.
Kortom, zij gedroegen zich als welopgevoede vrouwen.
Wat was het dan waardoor er steelse blikken op hen geworpen werden?

Hoor de ober die de bestelling doorgaf:  ‘Zorg maar dat er niets aan mankeert,  de kakwijven zijn er.’

Mannencomplimenten

Uit eigen archief en allemaal lief bedoeld. Bekend bij zussen en een paar andere vrouwen.
====

‘Dat was heerlijk. Lang geleden dat ik zulke fijne karbonades at’

‘Lekker gekookt vandaag’

‘Goh, nou is die zuurkool pas ècht smakelijk’

‘Wat zie je er goed uit vandaag…’

‘Gezellig, die kaarsen en zo. Had je een werkbui?’

Ongetwijfeld zijn er veel meer lievigheden op te noemen.
Eén keer zag hij mijn gezicht en zei toen gauw: ‘Je hebt jezelf overtroffen.
Daar was ik nog blij mee ook, denk je dat je geëmancipeerd bent.
Tis toch wat.

Zingen in de kerk


Mijn vader deed het graag. Niet te hard, dat durfde hij niet.
Onze moeder zong ook. Trots op haar stemgeluid zong ze luid en duidelijk de complete mis mee.  Vermoedelijk ging ze om die reden naar de hoogmis. (voor de nietkatholieken: de zondagse hoogmis was plechtiger dan de andere kerkdiensten, met een mannenkoor en orgel,   de priester deed zingend de meeste gebeden behalve de preek).(godzijdank, een pastoor die niet zingen kon klonk sowieso onaangenaam)
Naast moeder waren er altijd vrouwen die nòg harder zongen en zich wilden meten met de galmende mannen. Je reinste feminisme avant le lettre.
Soms maakten ze er een potje van. Mannen en vrouwen schreeuwden om het hardst met gekropte kelen en kwaaie ogen.
Geloof het of niet, ik heb het meegemaakt dat de priester moest optreden om het gedrag van de rivalen in betere banen te leiden. Er werd boven het orgel uit gejubeld, de organist speelde uit wanhoop een Snip en Snapliedje en de helft van de gelovigen danste de polka.  Dit kon niet meer.
De mis werd stilgelegd, de grootste schreeuwers kwamen naar voren en kregen een Rooms standje: ‘Zo ga je niet om met Gods woord’. Na drie weesgegroetje en de akte van berouw mochten ze terug naar hun plaatsen.
Zo ging dat soms.