Man en regen

Hier zit ik,  zonder echtgenote die weggelopen is met de hond, me suf te vervelen op die doorgezakte bank aan een kop slappe thee. Het laatste zakje. Wezenloos staar ik naar ramen als regenrivieren. Chagrijnig tot op het bot zoek ik kouwelijk de enige deken die ik kan vinden, een kriebelig jeukding maar so what, ’n paar niesbuien geven misschien afleiding.
Gebeurde er maar wat.
Half hopend kijk ik uit naar iemand, kan niet schelen wie. Hij zal druipnat zijn hetgeen precies bij mijn stemming past. Niet dat ik op hem reken, ik denk dat ik ijl door kou en gekriebel.
En dan, als ik van vervelendigheid bijna in coma raak, gaat de bel.
Halleluja, de druppelende man. Ik sleep me naar de deur en zie een beauty van een vrouw,  knetterend van droogte onder een privézon, in een krans van azuur  terwijl de regen om haar heen stoomt. Ze  lacht en zegt: ‘Dag, ik ben verkoper.’  Perplex staar ik haar aan. ‘Dit klopt niet,’ begin ik, ‘U moet een man zijn, kleddernat en wat verkoopt U eigenlijk?’
‘Wat denkt U meneer? Zon natuurlijk. Bij afname van driehonderdduizend kwh krijgt U drie uur per dag extra voor de helft van de prijs. Dooft meteen alle regenbuien.’
Dat klopt, de druppels verdampen zodra ze haar raken.
Ik aarzel. ‘En waarom bent U geen man? Zo heb ik het toch bedacht?’
‘Ah, een delicate kwestie maar ik zal eerlijk zijn. Teveel zon is schadelijk,’ ik knik, ‘er kan een kleine mutatie optreden. Maakt U zich geen zorgen, een hangertje meer of minder deert de mensheid niet. Voor U het weet zit U aan de verkeerde kant en geniet evenveel als vóór die tijd.’
Ongelovig kijk ik haar aan. ‘Meent U dat nou?’
‘Zeker. Wilt U…’
Nee, ik wil niks en gooi de deur dicht. Meteen klettert de regen weer. Weg koortsdromen van kletsnatte verkopers die me gezellige dingen aansmeren en de vervelende middag doorbreken.
Narrig kruip ik weer onder de jeukdeken en drink de laatste thee op.
Ik denk aan het zonne-aanbod en aan mijn weggelopen vrouw.
Stel dat ze terugkomt, gelokt door mijn extra- zon, wat zou ik moeten zeggen?
Een overdosis aanbieden?

Advertenties

Serie. Een horkerig mens.

Er was eens een vrouw, zo vreselijk hatelijk  dat ze zich af en toe sneed aan haar eigen scherpe tong.
Mensen ontliepen haar zoveel mogelijk, bevreesd als ze waren voor de vileine opmerkingen die ze maakte.
De humor waarmee ze kritiek lardeerde maakte de woorden slechts kwaadaardiger.

‘Pas maar op,’ zei ze tegen het buurmeisje dat verlegen haar eerste lippenstift probeerde, ‘jongens worden bang van je oorlogskleuren’ en tevreden liep ze door toen het gezichtje betrok.
‘Ga zo door,’ riep ze uit toen de wijkagent een snorretje liet staan, ‘nu krijgen we misschien ontzag voor je.’
Tegen de eigenaar van een buurtsuper was ze ronduit grof. ‘Wat lief dat U nog steeds die oude koeken bewaart. Voor de oudjes?’
Ook de groenteboer moest het ontgelden. ‘Ik zie dat de sla een zonnebad heeft genomen.’
De electronicamanager liet ze trillend achter met ‘Fijn dat het personeel niets weet uit te leggen, blijft er voor ons wat te gokken over.’
De slager zat haar eens achterna met zijn hakmes toen ze zei ‘Romantisch, die rubberlappen, doen me denken aan mijn eerste lekke band.’
Het zat in haar.
Zelfs bij een bezoek aan de nieuwe buurman die aandoenlijk zijn gastvrije best deed met zijn nieuwe senseo kon ze het niet laten. ‘Nostalgisch zeg, die ouderwetse vingerhoedjes. Met nescafé smaakten ze ook al niet.’

En zo hufterde ze door het leven.

Man vrouw hond

Er fietste een meisje door de straat. Een mooi meisje met gebruind middenrif, een vleugje goud in haar navel ving de zon.
Een  man met een houten been wandelde  met vrouw en hond over het trottoir; hij floot bewonderend.
Het meisje  keek hem vragend aan, de man knipoogde.
De vrouw naast hem haalde kalm een bijl uit haar tas—

Een knappe vrouw stapte uit haar wagen bij de supermarkt.
Een man in een rolstoel  keek geïnteresseerd naar de opstropende rok en halfblote benen.
Naar de tas van zijn vrouw en de hond die een enorme kluif torste. Tenslotte bekeek hij mismoedig  zijn lege broekspijpen.
Hij floot niet.

 

Ondiepzinnig

Een vrouw liep in zeven sloten tegelijk
ze kwam drijfnat thuis.

Het verleden dringt zich op;
verstoort het prettige denken
waarvoor ik zoveel moeite deed.
Ik moet opnieuw beginnen

Het regent al bijna de hele dag
het water staat me tot de lippen

Het slanken van een echtgenoot
is’t moeilijkst voor zijn vrouw.
Hij gaat voor de lijnen
die zij zo heel graag wou.

Ook goedemorgen


Vanochtend vlug de fiets op, linksaf en bòns.  Bij de eerste bocht kwam ik op straat terecht.
Buurjongen en verderopse buurvrouw waren toevallig vlakbij, zetten fiets en mij rechtop en zo waardig mogelijk liep ik terug naar huis.
Daar keek ik verbaasd naar de vele bloedspatten op jas en fiets,  zag toen pas dat een vingertop geschaafd was met vlees en al, even later later voelde ik het ook. Tegelijk meldde een knie zich met nog meer bloed. Zie je die vlek? Dat was minstens drie liter, als Vlad in de buurt was geweest had hij zich ongans gegeten.
Achteraf viel het mee.
Ik kon lopen, knie buigen, typen met negen vingers, met pleisters overweg, was ophangen.
Alleen wat stijfjes, een tango zit er voorlopig niet in.

Jeugdverdriet en zo werd je groot

_
Een stok, een stok, met een geruite rok
te ruime bloes
verplicht door Moes
en degelijke schoenen.
Ik huil, ik huil, de longen uit mijn lijf
zo raar te gaan
voor lul te staan
geen kans zelfs om te zoenen?
Een zus, mijn zus, zij troostte me met liefde
‘jij blijft niet dun
je krijgt je fun’
ze schiep me visioenen
en plots, ineens,
werd ik een vrouw
nog ietwat schouw
maar leerde mijn fatsoenen.

© Bertie