Zo doe je dat

Vandaag een krantenberichtje over potloodventerij in de omgeving.
Meteen schoot ik in de lach, niet om de dader, om het verhaal van iemand. Een paar jaar geleden.
Er waren al een enige weken klachten, het gonsde van geruchten over een gevaarlijke viezerik en de politie verzocht de mensen dringend aangifte te doen ingeval van confrontatie.
Uiteraard werd dit besproken bij de koffie. Men leek het te beschouwen als een zwaar seksueel misdrijf.
Een vrouw, rond de zestig, schudde haar hoofd.  Ze had hem gezien zei ze.
‘Echt waar? Deed hij je niks?’
‘Bende gek, da durven zulke nie. Ik fietste over het bospaadje en daar stond’íe, mee z’n ding uut de boks.
Gaot naar huus, vuulik, riep ik en ben gewoon doorgereje. Geen last meer gehad.’
=
ps
de cartoon die ik wilde plaatsen werd afgewezen met deze tekst:
potloodventercartoon-stick-drawing-conceptual-illustration-260nw-1224305944.jpg Dit bestandstype is niet toegestaan in verband met veiligheidsredenen.

Tja…

 

Tragisch versje


Een bijna-dode met verdriet
voelde zijn sterven als failliet
bij leven mocht zijn vrouw hem niet
en toen zijn lichaam hem verried
zong ze een vrolijk afscheidslied
als kennisgeving in een tweet
begeleid door de kanariepiet.
Die leed ook al geen verdriet
en zong een deun met de parkiet
twiettwiet  twiettwiet.

Mammoet 1

Moederziel alleen bevond hij zich op de Siberische steppe  waar hij lusteloos ronddwaalde.
Hij miste soortgenoten.
Hij miste een vrouwtje en bovenal miste hij voedsel.
Het was niet veel wat hij vond. Bossen rukten op en ontnamen hem het grootste deel van zijn maaltijden.
Een enkele keer zag hij vreemde wezens die op  achterpoten liepen.
Ze maakte weinig indruk, voor hem was het klein grut.
Hij voelde zich slap.
Een laatste bundel gras, een restje korstmos. Langzamerhand verloor hij zijn levenslust.
Nog éénmaal werd zijn aandacht afgeleid door beweging, hij keek en ontwaarde een van de wezens die takken naar hem gooide.
Hij was te zeer verzwakt om kwaad te worden, hief enkel zijn kop en brulde waardoor het wezen zich uit de voeten maakte.
Daarna gaf hij het op, bleef staan en sloot de ogen.
Hij voelde zich wegzakken in de bodem. Traag, trager.
En sliep in.
=

Respect.

Er is iets wat me dwars zit.

Ik voel me niet erkend.
Op een brief van de gemeente staat:
Aan de bewoners van
…straat .
postcode xxx
Nou vraag ik je.
Ik ben een VROUW met een echte naam en niet de bewoners van.
Als iedere gendersoort een eigen aanduiding krijgt heb ik daar ook recht op.
Wat denken ze daar in die postkamer wel?  We zullen dat mens eens even op haar plaats zetten? Zeker weer een paar ambtenaartjes die niks anders te doen hebben.
Zelfs de buurpoes was beledigd.
Eenzame vrouwen afzeiken. Per snailmail, ook dat nog.
Dat durven ze,  de helden op sokken.
En de burgemeester, raad en b&w doen er niets aan.
Personeel manieren bijbrengen is teveel werk. Wacht maar, als ik een persconferentie beleg en een advocaat bestel en een wakkere krant informeer, dan piepen ze wel anders.
Ik voel me onteerd.
Er is maar één conclusie mogelijk:
Van respect is tegenwoordig geen sprake meer.
===

Winterbezoek

Ik zag de winter voorbij gaan. Van de ene naar de andere straat.
Voorop liep zijn vrouw, te herkennen aan de ijsketting om haar hals.
Wow! dacht ik bewonderend, bijna winter en dan nog in decolleté, een wereldwijf.
Ze keken rond, op zoek naar een goede plek. Op de Alpen waren ze uitgekeken.
Af en toe overlegden ze: hier ijzel, daar poedersneeuw? Skiën doet men hier nier niet, plak dan maar?
Kom alstublieft hier, wenkte ik, wijzend naar onze wijk.
Ze aarzelden, knipoogden en zwaaiden slechts.
Jammer.
Ze riepen nog wat: Tot Kijk!
Ik zwaaide terug, ’n beetje mat.
Maar zegt men niet: hoop doet leven?

First date

Zenuwachtig loopt Anna heen en weer op het perron, de krant met het boeket in een draagtas.
-Laten we het origineel doen, had Jacob voorgesteld. Niet de geijkte gevouwen krant. We nemen een bos brandnetels, verpakken hem in een oude Telegraaf en daar zwaaien we mee… –
Toen ze het las leek het haar bijzonder geestig.  Telegraaf, brandnetels. 
Nu voelt ze zich voor gek staan. Is dit wel zo’n goed idee?
In gedachten pruttelt ze verder tot een vrouw haar aanspreekt. ‘Sorry, ik zag een bloem uit uw tas steken. Brandnetels?’
‘Oh, eh ja, weer eens wat anders.’ doet Anna luchtig.
‘Oude grap….’
Ach gut, een mannenhaatster.

Reizigers komen in beweging. Paniek speelt op, wat moet ze nou doen?
De deuren openen zich en direct ziet ze hem.
Haar ergernis verdwijnt, ze smelt,  wat een lekker ding. Precies als op de foto’s.
Ze haalt de brandnetels uit de tas en zwaait, zich niet bewust van de vrouw die achter haar staat.
‘Jacob,’ roept ze, ‘hier!’ Hij ziet haar en steekt de hand op maar halverwege het gebaar kijkt hij naast haar, verstijft, keert zich af en verdwijnt. ‘Jacob,’ roept ze weer, ‘hé Jacob.. ‘ Beduusd laat ze het boeket zakken.
‘Ja, kom maar als je durft, klootzak!’ Geschrokken draait Anna zich om en staat oog in oog met de vrouw die haar zojuist aansprak. ‘Honderden euro’s heeft de lammeling me gekost met zijn grappen, hij liet me lachen en dan dokken. Voor etentjes, kostuums, kapper, cadeautjes voor mezelf…’
Furieus keert ze zich naar de conducteur, ‘ik wed dat hij geen kaartje heeft…’  Anna staat doodstil. ‘Jacob??’
‘Brandnetels, kind, in een oude Telegraaf, niet dat geijkte, dat vond ik humor, ik lachte nog harder toen hij  zijn portemonnee vergeten was. Het gebeurde alleen te vaak. De lul.’
De trein vertrekt, met een hartgrondige vloek kijkt ze hem na.
‘Ik bleef achter je staan en jawel, daar kwam hij te voorschijn, knap en lachend tot hij mij zag. Nou, je zag hoe hij schrok.’
Anna knikt, nog bleek van haar eigen schrik.

Meelevend nu kijkt de vrouw haar aan.
‘Zullen we ergens koffie drinken? Als troost?’ Anna knikt nogmaals.  ‘Eerst de brandnetels weggooien.’
Bij de afvalbak staan een paar jongens.
Ze kijken naar het boeket, een van hem steekt zijn hand uit. ‘Gooit U ze weg? Mag ik ze hebben?’
Verbaasd geeft Anne ze. ‘Wat moet je daar nu mee? Ze zijn al verlept.’ ‘Och, weer eens wat anders…’
Ze grijnzen. Anne ook. ‘Geluk ermee.’

Goeie god

Na enige aarzeling  heb ik de reis naar god weer eens ondernomen.
Wederom werd ik vriendlijk ontvangen al ontging me Petrus’ verholen zucht niet.
‘En, Bertjens, heb je weer wat?’ vroeg hij.
Hij humde geërgerd, duimde op zijn iPod, knikte en verwees me naar de spreekkamer.
God kwam me tegemoet. ‘Is hij chagrijnig?’ vroeg ik, wijzend naar Petrus.
‘Dag Bertjens,’ groette god, ‘en nee, hij vind het alleen overdreven dat jij regelmatig hier komt.’
“Nou zeg, één keer voor een nieuw lontje, ’n keer om te zien of het hier de moeite waard was, één keer met mijn raket, een keer…’
‘Ho maar, ik weet het nog. De kwestie is dat de mens, normaal gesproken, hier aanklopt wanneer hij/zij dood is. Alleen jij niet. Je hebt geen geduld.’
‘Dat is dan mooi stom van de mensen’, zei ik, ‘wat doen ze aan de mankementen tijdens hun leven?’
‘Verdragen, Bertjens, eventueel met een psychologische steuntje. Dat leert een mens van priesters.’
Ik keek hem aan. ‘Ga weg…’
Ongemakkelijk draaide hij op zijn stoel. ‘Ehm, dat is de bedoeling. Maar wat kan ik voor je doen deze keer.’
‘Een verbeterd geheugen alstublieft, ik vergeet meer dan nodig is. Zelfs mijn gat als dat niet vastzat.’
Hij knikte, ‘dat zei je moeder ook al. Ik wil het je wel geven maar dan krijg je àlles, realiseer je je dat?’
‘Geeft niets.’ Ik blufte omdat ik mijn zin wilde hebben.
‘Goed. Veel plezier dan maar.’ Hij zegende me en ik vertrok.

Eenmaal thuis genoot ik van de verbetering. Het begon  heel goed.
Niet meer zoeken naar dat pannetje, hoelang de aardappels kookten, sleutels terug, het was werkelijk een groot gemak.
Opgewekt vierde ik mijn nieuwe geheugen met een bezoek aan de bibliotheek.
Maar, hoe, wat gebeurde er? Bij elk gelezen boek speelden verhalen in mijn hoofd, schrijversnamen, uitgeversinformatie
‘Hallo,’ zei iemand die ik kende, ik draaide me om en ook van hem herinnerde ik me alles.
Iedereen op wie ik mijn blik richtte, elk voorwerp dat ik bekeek, zette mijn geheugen in werking.
Dit was vreselijk.
Terneergeslagen keerde ik huiswaarte en appte god.
Kreeg ik waakhond Petrus weer.
‘Sorry maar dit was niet wat ik bedoelde. Ik word gek,’ typte ik.
Hij gniffelde.
Ik zag hem bellen. ‘Baas,’ hoorde ik, ‘die hebberig vrouw weer, ze is niet tevreden. Zal ik haar een griepje sturen?’
‘Foei Petrus. Zeg haar dat ik het geheugen zal aanpassen naar behoefte en groet haar hartelijk. Het is best een aardig mens.’
‘Hmgrmompel….’
Hij wendde zich naar mij.
‘Je krijgt je zin weer, god is nu eenmaal wereldvreemd.’

Vrouw in eigen wereld

Een vrouw zit voor het raam. Ze heeft lege ogen.
Ze ziet de dingen met haar geest.
Dat had ze zich aangeleerd toen ze haar verbeelding ontdekte.
Toen ze nog klein was, vijf of zes jaar misschien, hoorde ze voor het eerst een sprookje. Over een bos met kabouters in een holle boom die bevriend waren met alle dieren. Al luisterend vormden zich plaatjes in haar hoofd en nog lang bleef ze die avond wakker om naar de zelfbedachte illustraties te kijken. Als naar een filmpje.
Het was een grootse ontdekking. Weliswaar hebben alle kinderen filmpjes in het hoofd maar niet alle kinderen zetten de camera aan.
Dit meisje deed het wel.
Bij elk nieuw verhaal en liedje werkte haar hersentjes, zelfs bij taallessen en rekenen zag ze woorden en getallen zich in groepen vormen of achter elkaar lopen. Dat was maar wat handig.
Tot ze bij een van de eerste geschiedenisverhalen in huilen uitbarstte.
De arme mensen van vroeger zag ze, met kapotte kleren, en blote voeten in brandnetels, bleke kinderen in verschoten overalletjes die niet eens een autoped hadden en ach, het was allemaal zo zielig.
Juffrouw en ouders schrokken hevig van deze onbeheerste fantasie en trokken met kracht de teugels aan.
Het resultaat was matig. Het meisje vond het vreselijk te moeten wonen in de statische wereld die haar geboden werd. Zodra de noodzaak voor rede ontbrak vertrok ze naar haar eigen omgeving van beelden die ze naar eigen smaak inkleurde en liet leven.
Zo bewoog ze zich tenslotte met open maar nauwelijks ziende ogen.
Ze dagdroomde zich door de ochtenden, middagen, avonden, jaar na jaar na jaar.
Nu zit ze voor een raam en wuift af en toe. Naar de bonte bloemen die haar toelachen en bomen als vriendelijke reuzen. Geniet van de zon die met zachte vingers haar gezicht streelt.
In de zuster die haar een kopje thee brengt herkent ze een hartelijke lakei.
Want de camera in haar hoofd snort constant.

© Bertjens

Man en regen

Hier zit ik,  zonder echtgenote die weggelopen is met de hond, me suf te vervelen op die doorgezakte bank aan een kop slappe thee. Het laatste zakje. Wezenloos staar ik naar ramen als regenrivieren. Chagrijnig tot op het bot zoek ik kouwelijk de enige deken die ik kan vinden, een kriebelig jeukding maar so what, ’n paar niesbuien geven misschien afleiding.
Gebeurde er maar wat.
Half hopend kijk ik uit naar iemand, kan niet schelen wie. Hij zal druipnat zijn hetgeen precies bij mijn stemming past. Niet dat ik op hem reken, ik denk dat ik ijl door kou en gekriebel.
En dan, als ik van vervelendigheid bijna in coma raak, gaat de bel.
Halleluja, de druppelende man. Ik sleep me naar de deur en zie een beauty van een vrouw,  knetterend van droogte onder een privézon, in een krans van azuur  terwijl de regen om haar heen stoomt. Ze  lacht en zegt: ‘Dag, ik ben verkoper.’  Perplex staar ik haar aan. ‘Dit klopt niet,’ begin ik, ‘U moet een man zijn, kleddernat en wat verkoopt U eigenlijk?’
‘Wat denkt U meneer? Zon natuurlijk. Bij afname van driehonderdduizend kwh krijgt U drie uur per dag extra voor de helft van de prijs. Dooft meteen alle regenbuien.’
Dat klopt, de druppels verdampen zodra ze haar raken.
Ik aarzel. ‘En waarom bent U geen man? Zo heb ik het toch bedacht?’
‘Ah, een delicate kwestie maar ik zal eerlijk zijn. Teveel zon is schadelijk,’ ik knik, ‘er kan een kleine mutatie optreden. Maakt U zich geen zorgen, een hangertje meer of minder deert de mensheid niet. Voor U het weet zit U aan de verkeerde kant en geniet evenveel als vóór die tijd.’
Ongelovig kijk ik haar aan. ‘Meent U dat nou?’
‘Zeker. Wilt U…’
Nee, ik wil niks en gooi de deur dicht. Meteen klettert de regen weer. Weg koortsdromen van kletsnatte verkopers die me gezellige dingen aansmeren en de vervelende middag doorbreken.
Narrig kruip ik weer onder de jeukdeken en drink de laatste thee op.
Ik denk aan het zonne-aanbod en aan mijn weggelopen vrouw.
Stel dat ze terugkomt, gelokt door mijn extra- zon, wat zou ik moeten zeggen?
Een overdosis aanbieden?

Serie. Een horkerig mens.

Er was eens een vrouw, zo vreselijk hatelijk  dat ze zich af en toe sneed aan haar eigen scherpe tong.
Mensen ontliepen haar zoveel mogelijk, bevreesd als ze waren voor de vileine opmerkingen die ze maakte.
De humor waarmee ze kritiek lardeerde maakte de woorden slechts kwaadaardiger.

‘Pas maar op,’ zei ze tegen het buurmeisje dat verlegen haar eerste lippenstift probeerde, ‘jongens worden bang van je oorlogskleuren’ en tevreden liep ze door toen het gezichtje betrok.
‘Ga zo door,’ riep ze uit toen de wijkagent een snorretje liet staan, ‘nu krijgen we misschien ontzag voor je.’
Tegen de eigenaar van een buurtsuper was ze ronduit grof. ‘Wat lief dat U nog steeds die oude koeken bewaart. Voor de oudjes?’
Ook de groenteboer moest het ontgelden. ‘Ik zie dat de sla een zonnebad heeft genomen.’
De electronicamanager liet ze trillend achter met ‘Fijn dat het personeel niets weet uit te leggen, blijft er voor ons wat te gokken over.’
De slager zat haar eens achterna met zijn hakmes toen ze zei ‘Romantisch, die rubberlappen, doen me denken aan mijn eerste lekke band.’
Het zat in haar.
Zelfs bij een bezoek aan de nieuwe buurman die aandoenlijk zijn gastvrije best deed met zijn nieuwe senseo kon ze het niet laten. ‘Nostalgisch zeg, die ouderwetse vingerhoedjes. Met nescafé smaakten ze ook al niet.’

En zo hufterde ze door het leven.