Over taal.


Moe was tamelijk fel op net taalgebruik.
Dit was niets bijzonders, dat waren de meeste mensen.
Het gros van de klasgenoten werd op gelijke manier opgevoed, vloeken of schunnige taal hoorden we zelden.
Toen kwamen we in Oost-Brabant te wonen.
De taal was anders. Makkelijker. Niet minder fatsoenlijk, wel vriendelijker.
Het kostte Moe moeite er aan te wennen maar ze deed haar best.
‘Nondeju’ accepteerde ze zonder commentaar, zij het met tegenzin.
Ik genoot ervan.
Niet omdat ik graag vloekte, het was het gemak waarmee de mensen omgingen met hun taal zonder zich niet-netjes te voelen, het kwam niet eens bij ze op.
Zoiets als vrijer zijn vergeleken bij de Hollandse beknotting.
Het zal een van de verschillen zijn geweest tussen Holland en Brabant.
Taal verwoordde die verschillen.
Of ze nog steeds bestaan weet ik niet zeker, ik vermoed van wel.
==

Nazomerwind

Hij kwam achter de laatste rij huizen vandaan, hij blies over daken en langs schoorstenen, wazige wolken liftten mee en werden begeleid door vogels die hun vleugels spaarden. Hij stuurde wat vroegoude bladeren van hun plek en vlijde ze op gebogen bloemen en vermoeid gras zodat ze samen konden rusten.
Ik lag op mijn rug en keek naar het spel van waaien en inhouden,  hunkerde, verlangend om deel te nemen.
‘Neem me mee’, fluisterde ik, ‘laat me meedoen, neem me op je schouders en toon me alle vergezichten; laat me je vrijheid zien opdat ik weet hoe mooi hij is. Toe…’
Hij hield even in en verkende de grenzen van de tuin; hij onderzocht de heggen en de waslijnen, gaf een speels duwtje tegen de parasol en met ingehouden adem wachtte ik, zijn route volgend, van fladderend wasgoed langs nijgende bomen tot een uitgelaten werveltje in de hoek.
Ik deed mijn ogen dicht en hij aarzelde boven mijn gezicht.
Hij blies een zucht langs mijn wangen, heel zachtjes, als een troostende ademtocht. En vloog verder zonder mij.