Over complimenten


Een van de beste dingen die iemand kan geven en krijgen, mooier dan een echt cadeautje.
Hoe kon je als kleintje stralen als iemand jouw jasje mooi vond, liep je niet rond als een pauw?
Met het groter worden bekeek je het anders.
De complimenten van Moe waren goedbedoeld maar hadden weinig waarde, ze vond al haar kinderen artistiek, knap en pienter. Haar woorden zeiden ons niet veel.
Over die van vrijers kan ik kort zijn: liefde maakt blind. Een amusant gedoe omdat het de lachlust opwekte in huiselijke kring. Het was niet aardig van me maar sommige dingen móést ik kwijt: ‘Weet je wat hij zei? Hij vond me een engeltje….’
Lieve woordjes van de kinderen waren ontroerend, daar genoot ik van. Die hoorde ik graag, wie niet? En van echtgenoot, uiteraard.
Eens kreeg ik een onhandig maar schattig compliment van een man in een mailgroepje.
Het onderwerp was een gerecht waarover we ieder een eigen idee inbrachten. Tijdens het schrijven liep het water me in de mond, misschien te duidelijk.
Zijn reactie:
‘Potverdomme, wat kun jij me lekker schrijven.’

Op school scoorde ik er niet veel. En mòcht iemand me iets vriendelijks zeggen dan gebeurde het geen tweede maal. Mijn stuurse gezicht hielp ook niet mee.
Ik kon er niet mee omgaan, geloofde ze niet altijd en werd er onzeker van.
Misschien was het de puberteit, een gemankeerde karaktertrek, ik weet het niet.
Maar opeens was ik volwassen.
Toen deed het er minder toe.
==

Advertenties

Koud


Het was berekoud toen ik wakker werd. Zelfs in bed voelde ik het.
Nachtvorst, dacht ik en kroop er nog eens diep onder.
Niet lang. Het leek zo raar dat nachtvorst in april een ijzige temperatuur bracht.
Rillend zette ik de thermostaat hoger, zag dat hij al op twintig graden stond. Toch vreemd, dan had het warmer moeten zijn.
De badkamer leek een vrieskist.
Aan het ontbijt werd ik niet warmer.
Ik besloot de weerman te bellen.

Goedemorgen meneer, kunt U me uitleggen waar die kou vandaan komt?
– Nachtvorst mevrouw, heel normaal hoor.
Jawel maar het moet hier nu 25 graden zijn en het lijkt eerder de noordpool.
– Mevrouw, U heeft waarschijnlijk een koude ziel…
Een wàt??
– Een koude ziel. Bent U gelovig?
Eh, nee maar hoe..
– Daar heb je het al. U bent van god los. Of van de de duivel of van wat dan ook.
Ik sta paf meneer, hoe werkt dat dan?
– Weet ik veel. Ik hoorde het toevallig.
En wat moet ik daar aan doen?
– Simpel. Ga geloven. Kies maar wat.
Dank U wel meneer, ik zal mijn best doen.

Wat nu, iets gelovenswaardigs  bedenken. Tegen wie zou ik moeten bidden?
Rondkijkend zag ik niets wat mijn ziel zou opwarmen.
Misschien bood de krant een tip, ik sloeg hem open bij overlijdensadvertenties.
Speurend naar bekenden stond mijn hart plotseling stil.
Heden overleden door een plotselinge hartstilstand mevrouw R. Blablabla… zij ruste in vrede’
Ha! Ik flipte van voldoening.
Dat pestwijf, die tod, de mannengek die mijn vrijers inpikte, daarna de verloofde en die van alle vriendinnen. Haar verrotte hart had natuurlijk teveel geëist, haar verdiende loon.
Eindelijk gerechtigheid. Een gloeiende gloed overviel me.
Jaaaaa,  daar kon ik in geloven.
Ik kreeg het er warm van.
==

Het brutale meisje

Dat dit vers nog bestaat wist ik niet. 
Ooit heb ik het ergens geplaatst, weet niet meer waar en wanneer, en plotseling was het kwijt.
Het is uiterst simpel van ritme en rijm maar het schrijven ervan was zo gezellig dat ik er niets aan heb verbeterd. Dat zou mijn plezier achteraf tenietdoen .

Er was er eens een meisje
dat bekte zo brutaal
haar ouders en de juffen
die zeiden menigmaal
‘pas op je woorden kindje
je komt nog in de goot’
ze lachte dan ten antwoord
‘ook daar verkoopt men brood’

Zo werd ze achttien jaren
haar grofte groeide mee
het kon niet missen dat ze
haar voordeel er mee dee
de vrijers konden dokken
voor elke verwarmend uur
de Mammon was haar afgod
ze diende hem met vuur

‘Mijn poesie is mijn passie’
dat werd haar wervingsleus
verborg de muntenhonger
in woorden zeer scabreus
brutaal bouwde zij prijzen
de hoogste hoogten in
totdat ze heel erg oud was
toen had ze hare zin.

Ze kocht een lieflijk huisje
al in een stichtend hof
en jaagde alle oudjes
de bomen in, zo grof
was ze tot aan haar sterven.
En voor men haar begroef
toen dichtte men haar lippen
met een nette schroef.

© Bertie/Bertjens

Vriendjes en vrijers

Mijn  turbulente liefdesleven begon al vroeg.
Als klein meisje was ik idolaat van een jongetje dat een straat verderop woonde. Helaas, het geloofswater was te diep: hij zat op de openbare school, ik op de roomse.
Een paar jaar later ontdekte ik de dorpsnozem en wat voor een. Hij had een knetterbrommer, enorme vetkuif vóór en een kippekontje achter op zijn hoofd, goddelijk. Jammer genoeg had hij geen oog voor kinderen als wij.
Eenmaal in Brabant aangekomen viel ik direct op de mooiste jongen van een naburig dorp. Verstaan deed ik hem niet maar knap dat hij was, knàp, ik word nog week nu ik aan hem terugdenk. Serieuze verkering zat ook hier niet in, hij vond me tuttig dat ik cola dronk. Ja zeg, ik was net veertien.
Daarna wachtte me een aardige jongen op bij school. Met hem wilde ik alleen ’s avonds de straat op, hij was minstens twee koppen kleiner en mijn broer en zus pestten me. Tja.

Na het eindexamen mocht er officieel een vrijer thuiskomen.
Prompt diende er zich een aan.
Een donkere Oost-Europese man met antieke opvattingen: ik mocht met niemand dansen dan met hem, moest sigaretten voor hem halen, naar hem luisteren
Niettemin raakte ik in zijn ban tot hij serieuze plannen kreeg. ‘Jij maakt het huis gezellig en ik werk voor jou en de kindjes…’
Hoe kreeg hij het verzonnen.

De vader van de op een-na-laatste had een bedrijfje in de bouwsector. Zoon wilde dat uitdragen; hij overlaadde me met liefdesbetuigingen op zijn vaders schrijfpapier met daarop het officiële briefhoofd. Kwam ik thuis, lag er weer een vensterenvelop van de firma V.  Ach gut, alsof een meisje daarvan onder de indruk raakt.
Hij begreep niet eens waarom de romantiek vervloog. De sneue.

Over de eindkandidaat kan ik kort zijn.
Hij slaagde cum laude.

lip2