Weekendbegin

Het was vrijdagavond, een paar jaar geleden
De thermostaat was niet goed afgesteld en we staarden suffig want te warm naar de tv, verkoelend biertje in de hand.  Zweterige kaas op een plankje tussen ons in.
We namen een slok. En nog een. Zo sukkelden we soezerig door de avond.
Plots werd er luid geklopt. Geschrokken keek ik op, rende naar de gordijnen en trok ze open. Er stond iemand buiten, een man. Hij wees naar de voordeur.
Ik maakte open, ‘de bel deed het niet’, zei hij,  liep naar binnen en ging in mijn stoel zitten.
‘Lekker’, zei hij terwijl hij zijn voeten op tafel legde en nam een kaasje.
‘Kom, de stoel is breed genoeg’. Ik zette me naast hem;  hij sloeg zijn arm om me heen waarop ik verzaligd tegen hem aanleunde. ‘Hemels’, mompelde ik, ‘net vakantie’.
‘Dat is het ook.’ Er verscheen een vaag zonnig beeld met nog vagere muziek,  hij stond op, danste en sprong,  hoog, hoger, ik reikte naar hem maar hij verdween.
Ik ook, naar de echte wereld waar ik nog steeds het geklop hoorde.
Verdwaasd keek ik op, het glas scheef in de hand.
‘Vervelend, die verbouwing bij de buren,’  ontevreden keek echtgenoot me aan, ‘en jij slaapt overal doorheen…’