Laat

Er staat een rijtje aan binnengerolde berichten.
Beantwoorden is nu niet aan de orde, te laat, er wachten andere zaken maar morgenochtend begin ik er aan. Waarbij ik meteen wat vragen stel.
Na het doorbladeren van de kranten en het printen van de puzzels, na de koffie en klaarzetten van het middageten, na een telefoontje en…
nou ja, die dingen.
Het weer was vandaag goed. Vrij warm, de lucht was helder en wat opviel was dat er in de schaduw een ijzige gloed hing. Ik zal me de tegenstrijdigheid verbeeld hebben maar zo voelde het echt.
Het is ook mogelijk dat mijn opmerkingsvermogen verruïneerd is door het ontregelende klimaat. Ik hoop het niet, ik wil geen koe in huis zien als ik een muis vermoed laat staan een ijsbeer. Wolven zijn al erg genoeg.
Tot zover de late gedachten die niet veel zaaks zijn.
Enfin.
Tot morgen.
==

Hoge vlucht


Hoe komt een slak terecht op een druivenblad dat op meer dan twee meter hoogte groeit?
Geen spoor te vinden. Niet op de klimop, niet op de muur, niet op het lei-hek. Bestaan er spoorloze slakken? Sneldrogende?
Ik weiger te geloven in een gevleugelde.
Transport via miniraketjes is ongeloofwaardig.
Te hoog van de schommel springen zie ik hem niet doen, hoe moet hij zich afzetten?
Zou een vogel hem daar hebben neergezet? Waarom? Voor de sier? Stonk hij? Waarnaar? Beet de slak hem in zijn tong?
Intrigerend maar niemand die het uitlegt.
Zucht.
Er zijn al zoveel vragen waarop ik nooit antwoord kreeg en nu gaat die slak ook nog moeilijk doen.
==

‘ze’

Er was een dringend telefoontje.
V. ligt op IC, maag leeggepompt na suïcidepoging, nu buiten levensgevaar. Misschien kun je hem opbeuren?

Verdrietig staarde ze naar het hoopje ellende tegenover haar.
Het hoopje staarde terug. Hij zag haar niet, hij bevond zich in een andere wereld.
Welke dat was wist ze niet, ze had geen idee van zijn werkelijkheid.
Hun werelden liepen parallel zonder enig vindbaar raakpunt.
Wat ze wel kon zien was dat hij ongelukkig was. Bang en hypergespannen. Theatrale films over split personalities had ze niet nodig om te zien dat de werkelijkheid veel complexer was;  geen sprake van figuren die elkaar afwisselend manifesteerden. Eerder leek het een eigenaardige maar zeer reëel aanvoelende angst voor vage duistere machten die hij hoogstens kon omschrijven als ‘ze’;  àls hij al iets zei want kenmerkend voor zijn stoornis scheen zijn zwijgzaamheid. Voelde hij zich bedreigd bij loslippigheid? Ze kon er slechts naar gissen.
Op hem in pratend probeerde ze antwoorden te krijgen, haalde herinneringen op: weet je nog dat we graag zwommen? Als eerste de Maas over? Die grote motor? Dat liedje…. ze viel stil.
Hij keek haar aan met lege ogen. Hij was er niet.
Op haar vraag naar het waarom werd hij –eventjes- spraakzaam.
‘Ik wou niet dood, ik wou ze vóór zijn.’ Getroffen door zijn angst die onbenoembaar groot moest zijn pakte ze zijn hand. Schielijk trok hij hem terug.
‘Wie zijn die ‘ze’?
Hij haalde zijn schouders op en zei niets meer.
En bleef zwijgen tot hij bij een volgende poging de dood vond die hij niet wilde maar als enige veilige plek zag.

Waar gebeurde het, vroeg ze zich af.
Wanneer ging het fout?
Was hij als kind al zo, hadden ze het gemist?
En tenslotte
hoe ontzettend bang moet iemand zijn dat hij een nietgewilde dood in vlucht?
De dood als toevluchtsoord?
=

Serie. Een nieuwsgierige man.

Er was eens een man, zo vreselijk nieuwsgierig dat hij  met open ogen sliep om maar niets van de nacht te hoeven missen.
Vaak maalden zijn gedachten: heb ik echt alles aan iedereen  gevraagd, kreeg ik alle antwoorden, waarom weet ik dat niet meer. Ten lange leste sliep hij ongeweten vreemde chaotische dromen in en uit.
Meteen na het opstaan kocht hij alle kranten, las ze tot de laatste letter en schreef brieven naar vragenrubrieken. Daarna trok hij  eropuit. Voorheen met de bus maar sinds hij de chauffeur te lang ondervraagd had over motorvermogen, stuurinrichting,  afstand tussen twee haltes, voornaam van diens vrouw, kleur van zijn hemd en nog veel meer, mocht hij niet meer mee.
Overigens waren de straten uitgestorven daar iedereen wist dat hij er aankwam, hooguit ontmoette hij een onnozele zwerver en die wist in de regel niet veel.
Aan de huisarts vroeg hij hoe de assistente heette en met welk mes wratten werden weggesneden en hoe hij het scherp hield. Tot de dokter hem buiten zette.
Bij de burgemeester wilde hij weten waarmee het ambtsketen werd gepoetst en hoe vaak, of het niet te zwaar was om mans nek tot hij ook daar werd weggejaagd. Hij deed zijn beklag op het politiebureau, vroeg naar een wet die burgemeester en huisarts zou verplichten transparante antwoorden te geven en vond de wachtmeester ook niet dat de koning moest worden ingelicht?
Toen hij tenslotte drie dorpen verderop gedumpt werd  waar de inwoners hem met dezelfde vaart terug brachten wist hij nog steeds niet genoeg en vroeg aan iedereen waar hij de onvriendelijkheid aan verdiend had.
Zo zeurde hij zijn leven door.

Krant en reageerders

Wanneer je een paar keer de reacties op online krantenartikelen hebt gelezen weet je meteen hoe onbehoorlijk de schrijvers vaak zijn. Het is soms bagger wat er ingestuurd wordt, gewoon ergerlijk en oerdom. Jammer voor degenen die wèl een onderbouwd commentaar geven,

De ergste worden niet geplaatst maar er blijven er nog genoeg over waaraan je kunt zien dat de reageerder een artikel niet begrijpt of, wat vaker voorkomt, niet goed leest. Een paar regels neemt men op en de rest ontgaat ze.
Een Noorse krant  heeft daar iets op gevonden. Voordat commentaar wordt doorgelaten moeten eerst een paar vragen beantwoord worden waaruit blijkt dat ze het betreffende artikel hebben gelezen.
Als het een goede methode is zouden andere kranten het kunnen overnemen, het zou heel wat beter leesvoer opleveren.