Een gelijkgestemde ziel

Al zo lang was ik er naar op zoek dat ik me afvroeg of hij bestond.  De echte ziel, niet eentje met dezelfde smaak voor dingen
Ik zocht overal, nergens vond ik iets herkenbaars.
Eenmaal dacht ik op Internet een toonhoogte te herkennen maar het was de ruis van een vluchtig virus.
Uiteindelijk hield ik er mee op.
Want waarom kan ik hem niet vinden?  Omdat het waar is dat geen twee mensen eender zijn al is het nauwelijks voor te stellen met zo’n massa volk van wie er weinig uitblinken in originaliteit.
En toch geloof ik het omdat ik het wìl geloven, immers, het idee dat je absoluut uniek bent is egostrelend. Een fascinerende gedachte: jij, jij, jij en ik hebben ieder onze eigen waarden en de andere miljarden mensen ook; het gezegde ‘zoveel hoofden, zoveel zinnen’ krijgt  ineens een duizelingwekkende lading.
Al typende heb ik mezelf overtuigd.
En daarom  zoek ik niet meer.

Regen


Het regende. Het regende al vierenzeventig dagen.
De mensen verloren alle zomerbruin en hun natuurlijke teint werd lichter, enigszins vaal, als te vaak gewassen theedoeken. Langzamerhand begon zich het gevaar van een gezamenlijke apathie af te tekenen,  het enige waaraan men dacht was droog beddengoed.
Het volk morde. En fantaseerde.
Waar blijft de wetenschap, professoren zijn toch zo kundig, bestaat er niet zoiets als een wolkenkanon,  een verdampkring,  een reuzentrechter die al dat water opvangt en naar de zee loost? –
De geleerden daarentegen piekerden, filosofeerden, berekenden, schreven en componeerden, al naargelang de soort kennis die zij bezaten en dat was te weinig om het volk zoet te houden.  Ze verzochten het kabinet om extra toelages voor nieuwe onderzoeken. Zij wezen ministers op negatieve psychologische gevolgen van een ontregeld klimaat en ontdekten en passant een nieuwe ziekte: RRI (Repetitive Rain Injury).
De overheid kapittelde zowel het volk als de wetenschappers.
-Gezonder eten, maande een regeringslid.
-Deo Volente, berustte een ander.
-InshAllah, viel een collega hem bij
-Gooi de Islam eruit, raadde een kamerlid.
-Verplichte  zonnedanslessen, fantaseerde een ludieke minister.
-Hef regenbelasting, riep degene die de kas bijhield.
Eenieder deed zijn woordje waarna het besluit viel zich grondig op de problemen te oriënteren middels uitgebreide adviezen.
En zo werden er commissies in het leven geroepen.
Hulp-, stuur-, atoom- en meer groepen vormden zich, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders werden ingeschakeld alsmede allochtone buurtvaders, het koningshuis gaf een diepte-interview ter afleiding, de minister-president liet een nerveus  maar jolig poepje.
Desondanks werd het droog en zonnig.
Het blééf droog en zonnig, al vijfentwintig dagen.
Iedereen kreeg hetzelfde gelooide vel, ietwat scheurig, als te vaak gebruikte schoenen  en bij het aanhoren van de mopperende boeren waren de mensen wel wijzer dan langer te wachten.
Het volk morde …

© Bertie