Vredige Kerstmis.

Deze wandlichtjes lagen al zo lang in de vergeethoek dat ze weer nieuw lijken nu ik ze opgehangen heb.
Nou ja, nieuw, ze zijn frommelig en een klein gedeelte van de lampjes doet het niet. Voorheen ook al niet. Vonden we niet erg.
In een druk gezin gaat zo vaak iets kapot, daar maak je je op de duur niet dik meer om. Je repareert waar nodig is of gooit weg. Of, en dat sluipt er ongemerkt in, je laat het zitten.
Dat laatste is iets waarvoor je moet uitkijken, je wordt gemakzuchtig en voor je het weet heb je een huis als een ruïne en mopperende kinderen en zijn er geen kopjes met oren voor de visite.
Daar wilde ik iets aan doen.

Het stalletje was al zover, uitgedund door overleden herders en schapen en nooit vervangen. Wat er nog stond was gewond; gebutst, oren kwijt en neuzen, handen verbrokkeld, kapotte kleren, uitgedroogd mos, een slagveld gelijk en dat zou de gedachte aan vrede vrede moeten opwekken. Je zou eerder denken aan de Eerste Hulp voor Minderbedeelden.
Het zag er bespottelijk uit en dan ook nog lampjes die het niet deden, ik had er even genoeg van.
‘We zijn te armoedig bezig,’ zei ik, ‘laten we om te beginnen de kerststal weggooien.’
Hoera, riepen er een paar,  eruit met die oude spullen.
Het ruimde lekker op.
En zie,  we hadden er allemaal vrede mee.

Advertenties

Bezoek, graag of niet?

‘Tegenwoordig is er niet veel meer aan, vroeger ging de familie bij elkaar op de koffie of zo...’
De vrouw keek rond. Enkelen knikten, verder kreeg ze weinig bijval.
Ze vergat dat die familie intussen flink was uitgedund en de overlevenden vaak een goede reden hadden om thuis te blijven. Ziekelijk, niet mobiel of gewoon geen zin meer in het miljoenste kopje koffie en thee. Bovendien hebben veel mensen hun eigen (klein-)kinderen met wie ze hun visitetijd doorbrengen.
De vrouw overdreef een beetje. Lang niet alle families liepen af en aan om dagelijks te buurten, enkele gezinnen daargelaten. Dat zag je eerder bij verknochte vriendinnen/buurvrouwen.
Wel was er meer vrienden- en familieverkeer dan nu.
Terugdenkend herinner ik me de gehaaste zondagochtenden.
Vroeg ontbijten, kinderen wassen en aankleden en vroeg lunchen, dan konden we tijdig wegkomen om zelf ergens naar toe te gaan voordat er iemand bij ons aanbelde.
Bij het ouder worden ging het geloop eraf, gelukkig maar, ik moet er niet aan dènken weekend-aan-weekend bezoek te hebben. Het geklit lag en ligt me niet zo.

Bij de jonge stellen om me heen zie ik het verschil met toen. Enkelen komen uit middelgrote gezinnen, de meesten hebben een of twee broers/zussen of, als ze erg jong zijn, vriendengroepen. Elke dag of weekend gevuld met visite zie je veel minder, ze hebben beiden een baan en om buren maken ze zich niet druk.
Ik benijd ze, ze kunnen hun eigen leven leiden.
De vrouw die er ‘niets meer aan’ vindt denkt daar anders over en waarschijnlijk zij niet alleen.

Tja, overleden ouders, zussen, broers, buren, kun je niet terughalen.
Ook kun je de tijd niet stopzetten al proberen een paar mensen het via kaartavondjes (‘dat was zo gezellig, geen tv…’) of iets dergelijks.
Ik begrijp het wel, je eigen huiskamer voelt intiemer dan een zaaltje in het gemeenschapshuis.

Maar voor mij hoeft het niet.

Honds genoegen

Zorgvuldig inspecteerde ik de tuin op vergeten broodkorstjes, de prullenbak op verdwaalde kauwgom en de schuur op  wasgoed.
Er kwam een gast.
Voor iemand een verkeerde indruk krijgt, ik ben echt niet gewend om brood in de tuin te begraven, ook niet om vuile was lukraak te dumpen en al helemaal niet om eetwaar in de prullenbak te spugen.
Maar honden zijn rare beesten.
Onze eigen spaniels en basset vonden het een feest in de wasmanden te duiken en te paraderen met een geurige sok in hun bek. Met even grote bezetenheid kauwden ze zich door het afval, ze vonden gegarandeerd een snoeppapiertje en welke smeerlapperij ze uit de grond haalden kun je maar beter niet weten, ze kregen een tienjarig bot nog boven, met wurmen en al.
We hebben meer dan eens meegemaakt dat de kat een muis voor onze voeten legde en zijn vangst streng diende te bewaken omdat de hond al hebberig liep te kwijlen.
Nu heb ik geen beesten meer, maar af en toe komt er een op visite, een doddig dotje dat je hart steelt  maar mèt alle hondse eigenschappen.
Ik prijs hem de hemel in, in de hoop dat hij gezellig bij me blijft en de achtertuin over het hoofd ziet.
Ach gut.
Met graagte luisterend checkt hij alvast de prullenmanden.

Na drie zinnetjes en dertig aaitjes staat hij bij de achterdeur, krabt een paar keer en kijkt naar me.
‘Vergeet het maar,’ zegt hij. Want dat is ook typisch honds: ze kunnen praten.