Beppie’s vrijer

Toen Beppie haar nieuwste aanwinst thuis voorstelde keek moeder bedenkelijk naar zijn vettige haren en rafelige outfit.
‘Dag,’ groette ze, ‘ik ben Klazina’.
‘Haai, ik heet Carlos, maar je mag wel Klootje zeggen hoor.’
Moeder verbleekte.
‘ O, eh, ja. Kopje thee?’’
‘Ja lekker,  met een rummetje en een worsie erbij,’ antwoordde hij en keek verbaasd naar Beppie die hard begon te lachen. Moeder rechtte haar rug en ging naar de keuken, zette theewater op.  Rum, het idee.
Ze zuchtte. Bep, altijd dwars, nou deze jongen weer.

Er was geen worst. Dan maar wat anders.
Ze wikkelde een augurk in een plak rosbief. Legde het op een schaaltje en maakte het af met schijfjes komkommer.
Bij de thee reikte ze hem het schaaltje aan. ‘Sorry Carlos, de worst is op’. Verbluft keek hij naar de rosbief, gluurde voorzichtig onder de komkommer. Wantrouwig keerde hij de hap ’n paar keer om en beet er in.
Gespannen observeerde moeder zijn gezicht.
‘Weet je’, zei hij vertrouwelijk, ‘als je geen goeie slager hebt, moet je er ’n lik mosterd op doen, dat helpt tegen de taaiigheid’.
Hij keurde nogmaals.
‘En voor augurken moet je bij de haringboer wezen, die heeft de beste zure bommen. Lekker met palingworst, vis aan vis, weet je wel.’
Ongelovig keek ze van hem naar haar dochter die zich verslikte en haast niet meer bij kwam.
Beppie veegde de tranen uit de ogen en keek haar moeder uitdagend aan, maar die zweeg; ze weigerde zich te laten provoceren.
Beppie deed het er om, wist ze en er was niets wat ze er tegen kon doen.

Advertenties

De rijke en de vrek

Dit stukje herinner ik me van de Lagere School maar weet de juiste tekst niet precies.
Het klinkt als een parabel of gelijkenis, over hebzucht en ijdelheid.
Kent iemand het originele verhaal en de afloop? De moraal? De personen?
Een rijkaard daagde eens een als vrek bekendstaande koopman uit: wie zette de beste maaltijd op tafel?
De rijkaard was als eerste aan de beurt. Hij praalde graag met zijn rijkdom en verzorgde een luxueus diner. Niets ontbrak, de schalen werden doorlopend gevuld met de fijnste spijzen. Tevreden zag hij hoe de koopman zich tegoed deed.
‘Wel,’ vroeg hij tenslotte, ‘denkt u dat u dit kan evenaren?’
De koopman glimlachte slechts.
Op de dag dat hij zelf gastheer was zag de rijkaard dat er niets klaar stond. ‘Wat eten we?’ vroeg hij verbaasd.
‘We halen het zo vers mogelijk in huis. Kom.’
De koopman nam hem mee naar de markt, naar de vishandel.
‘Is de vis vers?’vroeg hij de visboer.
‘Meneer,’ was het antwoord, ‘net gevangen en zo zacht als boter.’
‘Dan kunnen we net zo goed de boter nemen,’ zei de koopman en liep naar de zuivelkraam. ‘Is het goede boter?’ vroeg hij en opnieuw kreeg hij een gunstig antwoord. ‘Meneer, gemaakt van de fijnste olie’.
‘Ja, laten we dan maar olie nemen.’
Bij de oliekraam.  ‘De zuiverste olie meneer,  helder als water.’
Zo gingen ze naar het huis van de koopman met alleen een kan water.
….?