5 mei

Deze dag vierde ik in de achtertuin met schoffel, spade en hark, dansen viel niet mee met deze partners. Gaf niet, zonder muziek gaat het niet lekker.
De tuinslang produceerde de slingers zelf, de zon gaf er vrolijke glinsters aan.
tuinvandaag20220505_182827Planten en bloemen waren nog niet toe aan een feestje. Te jong en te bedeesd op een paar na.
Bovendien is het stoffig, ze blijven liever in hun groene hemden en geef ze eens ongelijk, wat zouden ze gaan boemelen in die keidroge lucht waar ze maar moeten afwachten of en wanneer ik hun dorst les.

tuinvandaag20220505_182809Ik was de enige feesteling en dronk slechts thee en water. Er viel niets te proosten, een paar merels zaten liever in het vijvertje, die wachten natuurlijk op de overrijpe druiven.
Dat doet me denken aan het glas witte wijn dat we bestelden, gisteravond, in de Cuijkse schouwburg, € 4,75 voor een eenvoudig halfvol glas.
Een schok, meer dan twee à drie euro betaalde ik nooit.
Ik ben niet armlastig, niet gierig, niet overdreven zuinig maar een tweede glas hoefde ik niet. Wat zou het in een groot theater wel niet kosten? (Ja ik weet het, erg wereldwijs ben ik niet).
De merels hebben gelijk met hun geduld, ik zou met ze meedoen als het niet zo lang duurde voor de druiven naar wijn smaken.
Nog een geluk dat de tuin alleen water nodig heeft.
===

(On-)nodig schuldgevoel?

Zonnetje, droog, ideaal buitenweer.
Aan de voorkant  (zuidwest) kon het vest uit ondanks de wind.
Het werkte lekker, droge grond waarvan polletjes en sedum makkelijk bij elkaar te harken waren.
In de achtertuin daarentegen, op het noordoosten, voelde je de straffe wind en, geloof het of niet, in het vijvertje blijft al een paar dagen een laagje ijs liggen.
Huiverend trok ik het vest weer aan en zette me ijverig aan het wieden en steken en stenen opgraven. Het hielp enigszins maar koud bleef het, met name aan de schaduwkant.
Bitter beklaagde ik me. ‘Seniore weduwe sloopt zich met hark en schoffel, in de kou…’
Na een uurtje nam ik pauze en luisterde naar het nieuws over de Oekraïne. Toen geneerde ik me voor het zelfbeklag.
Ik weet wel dat dit soort  vergelijkingen mank gaan aan realiteit maar het kwam bij me op. Daarbij: ik hóéfde niet buiten te werken, de mensen in het oorlogsgebied hebben deze luxe keuzes niet.
Als boetedoening liet ik de koffie staan en maakte het klusje af waar niemand wat aan heeft.
Daarna zocht ik  giro 555 op.
Ik hoop maar dat daar wèl iemand wat aan heeft.
==

groeizaam weer

Het is wat, die herfstige buien.
Ideaal voor de tuin, dat wel.  Het groen kruipt naar elkaar toe en doordat het dicht op elkaar staat wordt het hoog.
Ik voorzie een jungle, het wakkert oerwoudfantasieën aan, kom weer bij Tarzan uit en ga aan lianen slingeren, hopend niet tegen de schutting te knallen.
Zie je nou, het begint al. Goed dat er een koudwatervijvertje is om bij zinnen te komen.
De planten staan er weelderig op, ook de bloemen trotseren wind en regen, ze varen we wel bij. Bijna letterlijk.
Vanmiddag ontsnapte ik aan een keiharde ministorm van hagel en slagregens en daar ik niet meer hoef te groeien dook ik een portiek in.
Er stond al een andere vrouw. 
Ook gevlucht voor de regen, ze was nog langer dan ikzelf.
==

Thuisnatuur


Pioenstruikjes groeien weer aan en worden groen.
Vijvertje opgeschoond, overtollig groeisel weggeknipt, plaats gemaakt voor nieuw spul.
De lila regen bloeit bijna. Vaste planten vormen setjes en triootjes, geen steen, muur of zand houdt ze tegen.
Ondergronds borrelt en worstelt van alles,  sprietjes zijn al boven.
Plantenbak loopt vol
Druif-roos-hosta-enzovoorts enzoverder.
Merel kijkt toe.

Zelf kom ik niet meer tot bloei.
Zou ook te vermoeiend worden, al dat opgroeien elk jaar, te worden beregend,  bijen in je haar.
Van de andere kant lijkt het me wel aardig dit samen je partner te doen. Je uitrekken naar het licht, hoofd, armen, lijf, de ander helpen.
De zon groeten:  hallo, we zijn er weer . ☼
===

Morgen is het zomer

Zet een teil in tuin of op balkon, in een kring eromheen zittend passen alle voeten erin. Of neem een emmer per persoon.
Zelf houd ik het bij het vijvertje, precies groot genoeg voor mijn schoenen want ik ga natuurlijk niet zonder.  De laatste plantenresten zijn eruit gevist, toch kan er zich altijd een koppige sliert tussen je tenen nestelen.
Dat overkwam je ook in natuurwater reden waarom ik daar nooit meer in durfde. En je had  slijmerige vissen en kikkers, slikmosselen in vieslauwe modder. We zwommen in sloten en plassen, prutpoelen en kanalen, een enkeling dook zelfs de Zaan in (met al die fabrieken, tsss),  later zwom ik alleen nog in de Maas. Dat water stoomde tenminste, vleesetende planten en gevaarlijke snoeken kregen je niet te pakken.
God weet wat de opwarming brengt, koop alvast een beschermend pak, ik voorzie  krokodillen en piranha’s in scholen Rotterdam binnenzwemmen. Meervallen zijn al griezelig genoeg met die snorrebaarden en smaken doen ze niet en…

Sorry. Ik verloor me in watergruwelen.
Het zomerbadje dus.
Lekker met de tenen wiebelen, spatten, magnum in de ene hand, boek in de andere, zacht muziekje erbij of vogels die voor je zingen.
Ik zie het wel zitten.
=

Valavond

Schemer in de zomer.
Bijna de meest vredige uren.  Bladeren ritselen niet, roerloos hangen ze daar. Slaapklaar. Zie je het, op de foto? Ze bewegen niet.
Bij het vijvertje is het eender, let maar op. Hoe je ook tuurt, nog niet het kleinste rinpeltje verstoort het beeld.
Het is wel zo dat na een kwartier kijkwerk mijn ogen niet goed meer focusten, toen ben ik naar binnen gegaan.
Het werd ook donker.

Zomerse warmte is heel goed te verdragen. In de schaduw


Voorheen dacht ik het beter te weten.
Dat mijn vader en moeder kalmpjes onder de bomen zaten vond ik niks. ‘We doen alleen het hoognodige’ was hun devies. En ze hielden ook nog veel kleren aan.
Volgens mij moest het anders kunnen.

Hitte negeren leek me het beste maar dat bleek geen goed idee. Achter de stofzuiger lopen op soppende slippers is een onprettige manier van werken
Toen zette ik mijn voeten op een natte dweil en schuifelde zo door het huis. Koel en reinigt meteen de vloer, redeneerde ik. À la Pippi.
Het bleef heet.
In zwempak of bikini huishouden en tuinwerk doen. Pufpuf…
Veel ijswater drinken dan koel ik van binnen af, was een ander idee.
Niet dus, door het geren naar de wc kreeg ik het juist veel warmer en het transpireren liep finaal uit de hand, ik liep zowat in mijn eigen douchewater maar fris was het niet, ook niet toen ik me insmeerde met zeep.
Wonen in de koelkast viel tegen, zo krap.
Zucht, het werd moelijk om eigenwijs te blijven.
Het vijvertje waar ik zo vaak plezier van had is in bezit genomen door lotuswortels, waterjuffers, minilibelletjes en allerlei onduidelijk gespuis zodat ik er voor geen goud een stap in zet, wie weet hoeveel angels en tanden er aanwezig zijn.

Ik ging overstag.
Nu zit ik bij zomerse warmte op een koele plaats en bivakkeer daar zoveel mogelijk, daar schil ik de aardappelen of lees of speel met Internet.
Met een paar kleren aan.
In de schaduw.

Zoveel energie en dat met die warmte

Alles in de tuin groeit zo hard, ik ben al buiten adem als ik het spul groter zie worden. Knoppen en ranken komen me tegemoet en wuiven bij het passeren. Dan hijg ik een knikje terug.
Maar mooi is het.
De campanula is in opmars voor de jaarlijkse verblauwing.
Een grote klaproos sterft af, hij moest zo nodig de eerste zijn.
Een druiventak reikt zo ver mogelijk, hij zwaait met lange halen.
In de varen kan ik straks wonen.
Uit de kunstgrasmat komt niets, je zou iets cultureels verwachten, een schilderskwast desnoods maar het laat slechts dunne halmen door.
Van het theekopje valt niets te zeggen. Het hangt.
Wat met de overige planten? Die groeien me zowat boven het hoofd, nog een geluk dat de stoep niet leeft, stel je voor dat de tegels knoppen kregen, hoe zou je die moeten verzorgen?

Net was er een onweers-hoosbui die de laatste blaadjes van de klaproos vernielde, ocharme, maar ja, dat is des klaproos’. De rest is er juist van opgefrist en schiet nu nog sneller omhoog, ik zag zojuist twee klimoptakken een wedstrijdje houden: wie zich het eerst om de waslijn krulde. Enig, het enthousiasme van dat jonge spul.
De spiegels doen niet aan groot worden en waarom zouden ze ook, ze zijn mooi genoeg.
Ze staren eindeloos in het vijvertje, wachtend op, nee, niet op narcissen.
Dat vinden ze te geijkt, te ijdeltuiten.
Trouwens, Godot laat zich ook niet zien.