Zomerse warmte is heel goed te verdragen. In de schaduw


Voorheen dacht ik het beter te weten.
Dat mijn vader en moeder kalmpjes onder de bomen zaten vond ik niks. ‘We doen alleen het hoognodige’ was hun devies. En ze hielden ook nog veel kleren aan.
Volgens mij moest het anders kunnen.

Hitte negeren leek me het beste maar dat bleek geen goed idee. Achter de stofzuiger lopen op soppende slippers is een onprettige manier van werken
Toen zette ik mijn voeten op een natte dweil en schuifelde zo door het huis. Koel en reinigt meteen de vloer, redeneerde ik. À la Pippi.
Het bleef heet.
In zwempak of bikini huishouden en tuinwerk doen. Pufpuf…
Veel ijswater drinken dan koel ik van binnen af, was een ander idee.
Niet dus, door het geren naar de wc kreeg ik het juist veel warmer en het transpireren liep finaal uit de hand, ik liep zowat in mijn eigen douchewater maar fris was het niet, ook niet toen ik me insmeerde met zeep.
Wonen in de koelkast viel tegen, zo krap.
Zucht, het werd moelijk om eigenwijs te blijven.
Het vijvertje waar ik zo vaak plezier van had is in bezit genomen door lotuswortels, waterjuffers, minilibelletjes en allerlei onduidelijk gespuis zodat ik er voor geen goud een stap in zet, wie weet hoeveel angels en tanden er aanwezig zijn.

Ik ging overstag.
Nu zit ik bij zomerse warmte op een koele plaats en bivakkeer daar zoveel mogelijk, daar schil ik de aardappelen of lees of speel met Internet.
Met een paar kleren aan.
In de schaduw.

Advertenties

Zoveel energie en dat met die warmte

Alles in de tuin groeit zo hard, ik ben al buiten adem als ik het spul groter zie worden. Knoppen en ranken komen me tegemoet en wuiven bij het passeren. Dan hijg ik een knikje terug.
Maar mooi is het.
De campanula is in opmars voor de jaarlijkse verblauwing.
Een grote klaproos sterft af, hij moest zo nodig de eerste zijn.
Een druiventak reikt zo ver mogelijk, hij zwaait met lange halen.
In de varen kan ik straks wonen.
Uit de kunstgrasmat komt niets, je zou iets cultureels verwachten, een schilderskwast desnoods maar het laat slechts dunne halmen door.
Van het theekopje valt niets te zeggen. Het hangt.
Wat met de overige planten? Die groeien me zowat boven het hoofd, nog een geluk dat de stoep niet leeft, stel je voor dat de tegels knoppen kregen, hoe zou je die moeten verzorgen?

Net was er een onweers-hoosbui die de laatste blaadjes van de klaproos vernielde, ocharme, maar ja, dat is des klaproos’. De rest is er juist van opgefrist en schiet nu nog sneller omhoog, ik zag zojuist twee klimoptakken een wedstrijdje houden: wie zich het eerst om de waslijn krulde. Enig, het enthousiasme van dat jonge spul.
De spiegels doen niet aan groot worden en waarom zouden ze ook, ze zijn mooi genoeg.
Ze staren eindeloos in het vijvertje, wachtend op, nee, niet op narcissen.
Dat vinden ze te geijkt, te ijdeltuiten.
Trouwens, Godot laat zich ook niet zien.

‘Het worde licht…’

sprak iemand en ik was meteen een ander mens.
Winterweertypes met een heldere lucht doen wat met je. Je fleurt er van op, wat heet, je straalt als een zon, toen ik vanmiddag langs de kamerplanten liep schoten ze direct in knop en een ervan bloeit al.
Nou ja, in mijn verbeelding.
Ik kijk uit naar februari waarin je opstaat met dat typische daglicht, bleek en blijmakend.
Daarna een maarts zonnetje.
De eerste bruinsessie, snoeiwerk en zweten met schoffels en hitte, vogelbadjes waarin puffende mussen en mijn voeten in het vijvertje en…
nu draaf ik door.
Geeft niet.
Voordromen mag.

Mooi weer

Het leek wel vakantie.  Zon, blauwe lucht, draaglijke wind.

Ondanks hoop op een strenge winter (die intussen krimpt en krimpt) waardeer ik deze lentevoorbode zeer.
Voor grondwerk is de tuin te stijf bevroren anders had ik tulpen geplant en het vijvertje opgeschoond, nu houd ik het op schaatsen, misschien morgen al. Op 1 m³ kun je een flinke haal maken, eventueel koop ik kleinere noortjes.
Nadat het achterpad was geveegd nam ik de voordeurstoep onderhanden.  Verderop in de straat was ook al iemand aan het voorjaren, hij zwaaide met de tuinschaar en floot er bij. Kennelijk waren we aanstekelijk, binnen een kwartier was  iedereen aan het knippen, plukken en schrobben, je wist niet wat je zag.
De buurkat lag te zonnen op een autodak,  een paar hondjes verdrongen zich voor het raam en keken kwispelend; zij hadden er natuurlijk bij willen zijn.
Het was een uitbundige middag waarbij we graag wat muziek hadden gehad maar ja,  het vriest nog en wie kent er nou een ijs-elijk lenteliedje.