Zomer in april

Het was buiten al lekker, morgen en overmorgen wordt het nog beter.
Om voorbereid te zijn paste ik het badpak.
Het sluit ’n beetje strak aan, ik weet nu dat het op de leest moet.
De vijver is nog niet zomerklaar. Duikplank en reddingsboeien liggen op de vliering, drijfmatten zijn versleten en de trap is bros.
Dat wordt een flinke klus voor volgende week.
Ik hoop maar dat de waterjuffers geduld hebben en het weten te waarderen. Ze zijn nogal nuffig.

Veel gedoe, zo’n zonaanval.
Daar staat de opluchting tegenover als alles klaar is en je buiten zit met grote glazen gekoelde ran- of groenja.
Spannend boek erbij, verheerlijkt sabbelend op een ijsgekoeld chocolaadje.
Vooruitzichtje hoor.

Advertenties

Forever young

Droevige shortstory

Een jongetje speelde bij de vijver,  hij was vijf en vergat vaak mamma’s verbod.
Achter zijn bal aan rennend liep hij het water in.
Hij spartelde met armpjes en beentjes, het hielp hem niet.
Wegstervend gespetter alarmeerde een voorbijganger.
Politie verscheen,  ambulance en zijn huilende moeder, allen haastten zich naar het ziekenhuis.
De bal was kwijt, het jongetje  bracht het er levend af.
Maar werd nooit helemaal droog achter zijn oren.

Boswandeling

Vanniddag zag ik een geruite tijger in het bos.  Luierend, languit in het groen.
Geschrokken bleef ik staan. Hij keek, keurde me van hoofd tot voeten en terug.  En luierde verder.
Naast opgelucht voelde ik me beledigd zo te worden afgeserveerd. Zo taai ben ik nog niet, riep ik hem. Vlug liep ik door.
Herfstige schoonheid leidde me af. Kunstige webben vertoonden zich,  met regenpareltjes versierd. Lange draden verbonden boom en struik, een zachtwollen lichtblauwe gleed over mijn gezicht. Hè? Wol? Ik bekeek de draad, zag dat hij van een tienmeterhoge tak afhing. Vreemd. Zouden spinnen de missing link hebben gevonden en meteen maar het breirag hebben ontdekt? Nee…..
Nou ja, het zal de zon zijn, nam ik aan, speling van het licht. Een speelgoedbeest en een rafeltje.
Die gedachte stelde me gerust.
De grote vijver rondend keerde ik terug, opnieuw genietend van het najaar volgde ik het pad naar de grote weg.
Een meter of tien daarvoor was een ritmisch getik te horen, iets bekends, iets van vroeger. Nieuwsgierig keek ik rond en warempel, daar zat een omatijger te breien aan een groengeblokte sjaal.
‘Mooi hè, past bij zijn geruite jas’ glunderde ze terwijl ze me trots de lange lap toonde.