Wonen tussen bergen? Nee…

Een kennisje gaat binnenkort naar Zwitserland. Ze verheugt zich enorm , vertelt van de Alpenpracht en barre spitse hoogtes die ze uitbundig fotografeert, kortom, ze houdt van de bergen en verblijft er de hele zomer. Ze wil rondkijken naar de mogelijkheid voor een vast verblijf.
Ik luister, zou een paar weken mee willen, aangetrokken door haar enthousiasme.
Maar voor vast?
Duitsland komt me voor de geest, Moezel, Eiffel.
Luxemburg, Ardennen.
Ierland, Ring of Kerry
Frankrijk, het zuiden, Pyreneën.
‘Berg’plaatsen waar we schitterende vakanties hadden.
Toch miste ik het vèr-kijken. Wanneer we wandelden hoopte ik na elke bocht op een vergezicht maar in dat geval was de view altijd beperkt. Hoe mooi ook – een dal, rivier, pittoreske dorpjes- daarachter was de horizon steevast verdekt achter nog meer bergen. Het deed iets met me, ik voelde me tegengehouden, zoveel zelfs dat ik me afvroeg of de bewoners een beperkt wereldbeeld zouden hebben door gebrek aan uitzicht.
Onzin natuurlijk.
Ik ben gewoon een plattelandsmens in de meest letterlijke betekenis. 
Begrijp waarom mijn vader hield van de polders waar hij vaak fietste;  het was het eindeloze zicht, nergens gehinderd door iets anders dan silhouetjes van dorpen.
Daar was geen verdektheid, je kon kijken tot in het oneindige.
Misschien nog steeds.

Nee,
tussen bergen zou ik liever niet wonen, niet voor altijd.