Kerk op zondag

De mis of andere kerkdiensten op zondag. Zitten, hangen, rondkijken tot je moeder je zachtjes porde en fluisterde: ‘Zit es stil!’
Zelfs een vroegmis van drie kwartier leek al eindeloos, laat staan de hoogmis met dat zeurende orgel en dan het meezingen van al die vrouwen, mijn moeder het laagst want zij was een ‘goeie alt’. Je schaamde je dood.
Toen ik kon lezen kreeg ik vaak haar missaal en had de dienst al uit voor hij halverwege was, ongeduldig wachtend op het Ite Missa est.

Aan deze dingen dacht ik bij het horen van een stukje Gregoriaanse muziek op de radio. Prachtige muziek overigens.
Toch leverde de kerkgang me iets nuttigs op.
Omdat alle gebeden en liederen -naast elkaar- in Nederlands en Latijns waren geschreven pikte je veel woorden op. Die herkende je dan weer bij Frans, misschien in een andere werkwoordvorm maar makkelijk bij vertalen van thema’s.
Zo bezien was het geloof toch nog ergens goed voor, zij het anders dan bedoeld werd want vroom-, gehoorzaam- en braafheid lag me niet zo.
Liever ’n beetje spot.
Als ik nu een priester tegenkwam zou ik hem graag groeten met
Dominus Vobiscum – et cum spiritu tuo.    (De heer zij met U – en met Uw geest)
Hopend dat hij zou antwoorden met Amen.    (Zo zij het)
En dan samen lachen.

Advertenties

Spionnenpaar deel 1

Er was eens een echtpaar. Een heel uitzonderlijk paar.
Hij was een vlotte vent en maakte een solide indruk. Hij oogde krachtig van bot en had een gevoelig uiterlijk.
Hij deed iets vaags in een bureau en was intelligent en geestig.
Kortom, hij was àf.
Zij was een knappe meid met een huid als roompap. Haar slanke lichaam bewoog zich op volmaakte benen, haar haar had de kleur van hoog-zomergraan en golfde precies zo.  Ze was iets onduidelijks in het ziekenhuiswezen waar haar uiterlijk alleen al de patiënten genas.
Ook zij was àf.

Dit voorbeeldige echtpaar woonde al enige maanden in een huis dat, voorzien van bediendes, paste bij hun uiterlijk.
Zij hadden een taak.
Zij moesten de aarde bestuderen en hadden daartoe een aangepaste uitmonstering gekregen.
Tot op een dag…

‘Schat,’ zei hij aan het ontbijt, ‘ik verveel me.’
‘Ik ook, ‘ was haar antwoord.  ‘Vind je niet dat we ons beter  moeten aanpassen? De mensen om me heen zijn geen van allen zo fatsoenlijk en saai als wij.’
Hij knikte. ‘Dat was mij ook opgevallen. Ik ben finaal uitgekeken op dit spionnenbaantje. We nemen stiekem ontslag.’
Ze dacht na. ‘Zullen we eerst leren ons te gedragen als echte mensen? Om te weten hoe te lachen?’  Om te beginnen haalde ze hard en gorgelend haar neus op.
Hij keek haar uilig aan en vroeg: ‘Is dat grappig?’
‘Weet ik niet, maar ik hoor en zie de hele dag hun lijfelijke functies en ze vervelen zich geen moment.’
Hij bekeek haar wat kritischer.
‘Misschien moeten we wat lelijker worden. Zo onecht als wij erbij lopen zie je alleen in hun films.’
‘Bedoel je dit?’ Ze trok anderhalve tand uit haar bovengebit. Hij staarde haar verbouwereerd aan en schoot in een aardse lach.
‘Nee, dan dit.’  Hij rukte een dot haar uit zijn achterhoofd en plakte het met appelstroop onder zijn neus, ‘een aardse snor, ha, eh, ha’.
Ze raakten door het dolle. Ze verschoven hun oren tot ze klapperden en knoopten hun kleren scheef dicht, draaiden  broekritsen naar achteren, ze smeerden mayonnaise op hun hoofd ter blondering.
Ze lachten zich suf.

Morgen de rest.

Blogpauze. En Jolita deel 1.

Een weekje nadenken, beschouw het als huiswerk.
In de tussentijd staat hier als blogvulling een vervolgverhaal uit 2010.
Over Jolita, de zich vervelende koe. Een knullig gegeven maar het was gezellig om te schrijven.
Reactievelden heb ik uitgeschakeld, wat moet je ook zeggen over een dwarse koe☻.
Tot blogs, later.

Er was eens een koe die zich verveelde.
Jolita, zo heette ze, was een mooie meid uit een sjiek geslacht, had een stamboeknummer en was nazate van Pitje Boel, een  koeman die als een terriër zijn harem verdedigde.
Iets van die felheid zat  in haar genen. Ze was niet zo volgzaam als haar medekoeien; na een jaar grazen begreep ze niet dat haar zussen en vriendinnen  tevreden door het weiland kuierden, vretend van het saaie gras en herkauwend tot de volgende hap, melkbeurt of vlaai.
Er moet meer uit het leven te halen zijn – dacht ze vaak – maar wat? En waar?
Dagelijis kon je haar over het hek zien hangen, melancholiek turend naar  verten die zich verborgen achter snelwegen maar er niettemin veelbelovend uitzagen door de wazigheid: er was van alles mogelijk.


Nu had Jolita weliswaar Pittig bloed, zij was en bleef een koe en wist niet precies wàt die wazige verten haar konden bieden; ze staarde, uren en uren en probeerde zich een beeld te vormen van eventuele kansen.
Leek het lokkende leven op dat van de verstandige boer en zijn vrouw? Hard werken en verder geen flauwe kul?  Mwah, tja, boe, neu…
Of van de weedy dochter die meestentijds half slapend in het hooi bivakkeerde en dromerige wijsjes neuriede? Mwah, tja, boe, neu… (Ze had niet veel fantasie)
Of, en bij deze gedachte veerde ze op, was er misschien een wereld van loslopende koebeesten die in vrijheid leefden?
Ze raakte opgewonden en herkauwde verwoed.
Zodra ze haar melk kwijt was zou ze een gesprek aanknopen met tante Rirante en vragen wat die wist van de wereld buiten het weiland.

© Bertjens

Steenslag

Is dit een versteend beest of een verdierlijkt stuk steen? En wat doet dat vioolkistje ernaast?
Een fossiel?  Er worden er genoeg gevonden buiten het dorp, het barst hier van de haaientanden.  Complete gebitten liggen verstrooid, waarschijnlijk stukgebeten op andere fossielen.
Het kan ook uit de ruimte komen, kalkaanslag van een raket of het huisdier van een buitenaardse. Het gebeurt wel vaker dat irritante honden overboord slaan.
Zelfs engelen sluit ik niet uit. Die vervelen zich ook maar, dan gaan ze met vioolkisten gooien.
Wie zal het zeggen.

Ze vielen op tussen alle andere stenen die ik tegenkom in voor- en achtertuin..
Ik heb ze geweekt in azijn en geborsteld en daarna in de vaatwasser gestopt, toch zitten de zwarte gaten er nog.
Zolang niemand het weet beschouw ik ze maar als wat ze zijn: gewoon stenen.

Zijn kermissen achterhaald?

Zelf ben ik geneigd het met dit standpunt eens te zijn maar ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die dit feest in ere willen houden. Ik denk aan degenen die teruggrijpen op de traditie van een gezinsbijeenkomst zoals ik dat in mijn verkeringstijd in een klein dorp heb leren kennen: met de kermis gingen we naar moeders met de hele bubs.

Ik herinner me hoe deze dag ging vervelen, niet alleen bij de opgroeiende kinderen, ook voor de volwassenen. Het was te vergelijken met een kerstdag, ook zo’n ‘feestje’ van verplicht opzitten. Toegegeven, er zijn gezinnen waar het er wèl gezellig aan toegaat maar of daar de kermis voor moet standhouden, ondersteund door de gemeentes?
Ook andere nostalgie speelt mee. De samenhang van spanning door snelle attributen, geur van gebakken vis, door elkaarspelende muziek is onnavolgbaar en is moeilijk te vervangen door andere activiteiten.
Over deze argumenten valt te twisten.
Ik ben benieuwd of en zo ja, hoe lang er nog kermis gevierd wordt.

Onderstaande link gaat waarschijnlijk ook op voor meerdere kleine plaatsen.
kermissen-in-dorpen-rond-boxmeer-in-gevaar