Liefde met gevoel

Misschien een herhaling, ik kan het niet meer vinden.

Die winter kwam hij in mijn leven.
Hij was verrukkelijk en strelend en omsloot wellustig mijn contouren als een cocon, veilig en warm.
Dagelijks dacht ik urenlang aan de te verwachten lieflijkheid die me beschermde tegen de koude buitenwereld. Zelden daarvoor had ik zo’n zaligheid ervaren.
Wat hield ik van hem.
Zelfs toen in maart de buitenwereld minder boos werd zat ik dromerig aan mijn bureau, me koesterend in de wetenschap dat hij wachtte tot we samen waren.
Met moeite kon ik hem des morgens achterlaten, maar dan wist ik: straks is hij er weer.
Langzamerhand versleet de lente, maar niet mijn geliefde; integendeel, met gulzig enthousiasme zoog hij de zomerhitte uit mijn vel, verkoelde mijn zinderende lijf, zodat ik elke dag verlangde naar de nacht waar anderen de avonden rekten.
De randjes van de zomer werden net zo bruin als mijn huid en de zon werd zwakker, maar in het najaar had ik nog steeds niet genoeg van hem. Zijn voortreffelijkheid kwam nu pas goed voor de dag, beter gezegd, voor de nacht. Tijdens de barre stormen en kletterende regenbuien bezorgde hij me een warmte, zo liefdevol als in iemands herfst maar mogelijk is.
Weer werd het winter en mijn liefde beklijfde.
Hij was zo trouw, mijn vier-seizoenendekbed.

©Bertjens/Bertie.

Vakantie op zijn (namaak-)Frans in twee delen

Slot.

Helaas, de aardigheid was er gauw af.
Plakkerig ontwaken in een tweepersoons slaapzak met de verkeerde onderbroek rond je enkel, was verrukkelijk toen we achttien waren. Twintig jaar en een paar kilo’s later werd het krap en genant. Schutterig kropen we ’s morgens op handen en voeten overeind.
Enfin, dat was nog op te lossen met humor.
Hand-in-hand van de zonsondergang genieten bleek een saaie bezigheid, de uiensoep was nauwelijks eetbaar, extra bouillonblokken hielpen niet veel.
Ook dat was te accepteren, we konden altijd nog naar het eethuis.
Aanvankelijk lachten we de tegenvallers weg maar hoe lang kun je ze verdragen?

De maanzieke hond was een ramp, geen van onze schoenen kreeg hem stil.
Na een week klom de warmte naar een hoogtepunt en ontaardde in een hittegolf zonder weerga.
De boer was chagrijnig en schold op de droogte.
Lin klaagde over het zweet dat haar wangen deed uitzakken wat haar inderdaad niet stond.
De hond bleef nachtblaffen.
Van humor was geen sprake meer. Van l’amour nog minder.
‘Mijn god,’ bad ik in stilte, ‘hoe overleven we dit?’

De doorbraak kwam op de negende dag.
Onuitgeslapen en razend stapte ik naar de boerderij waar ik op de hond wees. ‘Kun je dat kreng niet ophangen? Anders doe ik het.’ Het beest werd dol, blijkbaar verstond hij me.
Dat was teveel voor de geplaagde boer.
Hij werd gek en greep de riek, ik de autosleutels, Lin in één graai de tent met inhoud en met de dolle hond achter ons aan raceten we richting Bergen op Zoom.
Daar regende het.
==
© Bertie.

Culinaire romantiek

Eens wilde ik  graag iets romantisch doen met verse echtgenoot.
Zijn (en mijn) eetlust kennende besloot ik tot een luxe etentje want wat is er verrukkelijker dan samen genieten van een hemels maal en mooie wijn, klaargemaakt en geserveerd door je persoonlijke kokkin, te nuttigen in het zachte licht van de liefde?
Op  de bewuste avond vulde ik hoogglanzende schotels  met tongstrelende inhoud en zette ze op de zwoel gedekte tafel,  een paar kaarsen er tussenin.
Hij kwam naar de eethoek, snuivend van de bijna verdovende geuren.
We aten. Ik genoot.
VE at in stilte, zwoegend met bestek, fronsend
Ik begreep het niet tot hij zei  ‘Ik zie geen moer,  kan de grote lamp aan?’
—-

© Bertie