Over vrijheid van bloggen

Moet een verhaal of vers per se een persoonlijke betekenis hebben?
Nee hoor, een uiting van simpele zonnewarmte of een sinterklaasrijm kan ook.
Evenmin hoeft het over je omgeving te gaan, als blogger kun je de meest baarlijke nonsens opschrijven.
Over een biggetje dat uitgroeide tot zeeleeuw, je weet maar nooit welke verliefde kolder zijn moeder in haar kop kreeg.
Over de pech van mensen die het leven lieten bij de crash van een UFO waarvan de captain dacht dat de lokale ijsbaan een landingsplaats was voor ruimteschepen, in de Melkweg denken ze nu eenmaal anders dan wij.
Over hilarische avonturen van de goudvis die zijn krappe kom spuugzat was en een wereldreis begon in de sloot maar niet wist dat daar snelwerkend vergif in zat en plotseling plastic vingers en tenen aan zijn vinnen en staart kreeg zodat hij op het droge kon klimmen maar voor elke ademteug een duik moest nemen want de gifmenger had vergeten longen in te bouwen enzovoorts.
Niets persoonlijks.

Toevallig maakte ik vandaag zelf iets vreemds mee.
Ik stapte naar buiten, een windvlaag greep me en woei me in één ruk de stoep over en zette me netjes voor de schuurdeur neer.
Nu ben ik al ruim een week geleden gestopt met de avondextra’s, kaas en worst en broodjes ham en zo, en het scheelt anderhalf gaatje in de riem maar wie verwacht dit nou?
Het ìs dat ik er zelf bij was, ik zou het niet geloofd hebben.
==

Advertenties

Geen woorden vinden

Ken je dat?
Een idee voor een nieuw verhaal hebben en het niet voor elkaar krijgen?
Hoe vaak je ook begint, het is niet in de juiste woorden te vangen.
Humor verzandt, de sensatie is lauw, het drama stelt niets voor.
Dan zit er maar één ding op: stoppen en iets anders doen.
Zo verstandig ben ik meestal niet, .
Ik blijf krabbelen en deleten.
Deze keer is het plan een sprookje in een verhaal te passen, of er omheen te schrijven.

Het gaat over een verliefd meisje dat door haar vader wordt opgesloten in een kamer met een dakkapelletje bij gebrek aan een toren en dat zij haar korte kapsel betreurt en zodoende de vrijer niet met haar haren op kan hijsen. Ze is verliefd op hem en verslaafd aan Grimm
De vrijer interesseert zich geen barst voor verhaaltjes, hij is op zoek naar haar kamer. Het huis heeft er twintig waarvan vijftien met een dakkapel die allemaal zijn geblindeerd en waarin nooit licht brandt. Hoe moet hij haar vinden? Hij gooit steentjes tegen elk raam, klinkers, tenslotte neemt hij stoeptegels. Echter, de vader hoort het, stormt naar buiten, vangt per ongeluk een tegel op met zijn voorhoofd waarna hij terneer valt, verpletterd en morsdood.
Nu kan de vrijer naar binnen. Helaas wordt hij tegengehouden door verborgen elektrisch draadwerk dat hem insnoert, hij graait woest om zich heen, het draad vliegt vonkend de gordijnen in.
Ach en wee, waar zitten de goede feeën nu? Aan hun wijn te sippen?
Uiteindelijk staat het huis in de fik, meisje wordt warm en gilt, vrijer zit vast en krijst, vlammen knetteren vurig.

Zoiets moest het worden maar het hoeft niet meer. Alles is al gezegd.
Alleen de moraal ontbreekt.
Die moet ik nog bedenken.
==

Flirtles

Het doelwit zogenaamd toevallig aankijken, één oog een beetje dichtknijpen, wenkbrauw lichtjes optrekken.
Weglopen, vluchtig over de schouder loeren.
Nietszeggend rondkijken, ogen even laten rusten op de begeerde persoon, eventueel met beide wenkbrauwen iets omhoog.
Langs hem slenteren met bungelende tas –een verontschuldigend sorry-

Eindeloos was de hoeveelheid maniertjes die klasgenootjes elkaar leerden
En allemaal even spannend.
Sommige jongens deden mee, anderen hadden niets in de gaten.
Meestal had je de lessen niet nodig. Verliefdheid wees zichzelf.
Later denk je: wat waren we kinderachtig.
Nog later denk je: het was eigenlijk best een leuk spel.

Tekening van Pixabay.

Aarden. Of niet?

Wat doet sommige mensen zo sterk hechten aan hun geboortegrond?
Oké, ze hebben er meestal hun jeugd doorgebracht, school gelopen, zijn er verliefd en volwassen geworden. Maar dat zijn belevingen die je niet meer terug vindt.
Toch willen ze per se in hun eigen gemeente trouwen en wonen of er, in latere jaren, hun oude dag doorbrengen. Terug naar hun roots, heet het dan.
Zelfs van emigranten ken ik er die hun nieuwe huis en tuin zoveel mogelijk modelleerden naar die in hun moederland want dan voelden ze zich ‘thuis’.
Is het het landschap? De omgeving? Het dialect? Traditie (mijn achteroveropoe is hier nog geboren)?
Alle antwoorden zijn goed tot je ze weerlegt. Behalve de laatste zijn eigenschappen van de overige argumenten overal te vinden, zeker in eigen land.
Wat speelt er dan mee?
Ik denk dat het iets eigens is, iets onbenoembaars, een gevoel, te vergelijken met de pannenkoeken-van-je-moeder, en dat de ene mens dat makkelijker achter zich laat dan de andere. Ik roep maar wat want het is moeilijk te beoordelen.
Een vroegere vrijer kwam uit Rotterdam en zou nooit, NOOIT van zijn leven in Amsterdam gaan wonen. Van een Amsterdamse zwager hoorden we precies hetzelfde maar dan andersom. Tja, wat konden we daar op zeggen. We begrepen het niet.
Zelf ben ik Zaanse en op mijn veertiende in Oost-Brabant neergezet.
Het is niet onaardig gelukt: ik sloeg aan.

 

Uit de 120 woordenserie

Liefde na de dood

Daar ligt hij.
Het lekkere ding dat ik zo graag wilde hebben maar nooit kreeg.
Te tuttig was ik, te braaf. Op afstand genoot ik van rapsongs en scooters maar nam, door onaantrekkelijkheid gedwongen, genoegen met de jongen die de kerkboeken doorgaf.
Een keurige man en saai, zo saai.
Kregel werd ik van hem tot hij gisteravond een hersenbloeding kreeg. Pas vijfendertig. Toch nog een vlotte, dacht ik
Nu kan ik van hem maken wat ik wil.
Minutieus scheer ik zijn haar tot de gewenste stekels, plak een blackeye in zijn nek.
Vervorm zijn wenkbrauwen en teken een pikzwarte gevoelslijn onder zijn ogen.
Ik bekijkt mijn werkstuk en lach, blij.
De ware. Eindelijk.

©Bertie