Regendag

Toen de regen niet ophield en de dakdekker weigerde het gat te repareren omdat het te nat was zodat ik gek werd van het gedrup in een emmer gaf ik mijn ongeduld op.
Wachten kan ook op een betere manier.
Met wattendotten in de oren en een plens jenever in de thee zette ik me op de bank. Prettige stilte hing om me heen, het vage geluid van water klonk als in de verte.
Verzaligd leunde ik achteruit en nam nog een slok. Bladerde wat in de krant , las hier en daar een woord.
Vulde het glas bij.
Hoe zou het zijn een leven als dit te leiden?
Zou het een mens gelukkig maken?
Opgewarmd door de thenever filosofeerde ik een eind weg toen er opeens een figuur voor het raam verscheen. Hij wees naar de deur.
Ik schrok me lam,  haalde de watten uit mijn oren en opende de voordeur.
Daar stond een man in een rubber bootje met peddels en zwemspeelgoed. Koffer op de bodem.
Hij klapte het deksel open en begon.
‘Meneer, ik zie dat U aan waterssport doet. Kijk eens wat een prachtig spul ik voor U heb’. Hij haalde een snorkel te voorschijn, zwempakken, reddingsgordels, badmutsen, harpoengeweren, zwemvliezen, waterdichte brooddozen, een vlot en zelfs een badeend. Die kwaakte chagrijnig.
‘Maar hoe komt U erbij dat ik zwemmen wil?’
‘U drijft toch? Dus ik dacht…’
Dreef ik? Ik keek naar beneden en verdomd, water stroomde over de vloer via de stoep naar buiten. Rondkijkend zag ik de emmer overlopen.
‘Neem de boot, dan krijgt U alle extra’s gratis. En van de eend wil ik ook af, het kreng lacht nooit.’ Het beest keek nog steeds chagrijnig maar ja, ik kon hem altijd nog voor een Pekingschotel gebruiken. Ik accepteerde. De man wenste me veel plezier en dreef verder.
De boot sleepte ik naar het lek, leegde de emmer er in en plonsde de eend erbij.
Kwaad loenste hij naar me op. Ik schonk hem de rest van de thee. Hij proefde en schudde met een vies gezicht zijn kop.
Dan maar een scheut jenever erbij; dat hielp, na één slok kwaakte hij het hoogste lied, zwoel draaide hij zich op zijn rug en stak de poten omhoog. Eenden hebben niet veel alcohol nodig.
Zelf kroop ik opnieuw op de bank; zonder thee en oorwatten maar het gaf niet, de jenever hielp me de regen te negeren.
De rest van de dag is rustig verlopen, veronderstel ik.
We werden pas laat wakker en toen was het droog.
De dakdekker stond voor het raam en wees naar de voordeur.
==

Markt en meer

We slenterden door Grave.
Er was kermis -die we links lieten liggen- en een markt met van alles.
Ineens zag ik een kramer die me bekend voorkwam. Nou ja, Grave is maar tien km van ons vandaan, je ziet allicht iemand die je kent. Dacht ik en liep door.
Vriendin hield me tegen.
‘Daar staat meneer Kaktus. Hij verkoopt tassen.’
En ja, het was Peter Jan Rens.
Nog niet zo lang geleden las ik iets over zijn penibele financiën. Nu aarzelde ik, tas kopen? Nee, spijtig voor hem, toch maar niet.
Nu heb ik al twee bee-enners ontmoet en gesproken. Rene Froger (lang geleden) in eigen dorp en nu Rens.
We hebben een opwindend leventje.

 

Man en regen

Hier zit ik,  zonder echtgenote die weggelopen is met de hond, me suf te vervelen op die doorgezakte bank aan een kop slappe thee. Het laatste zakje. Wezenloos staar ik naar ramen als regenrivieren. Chagrijnig tot op het bot zoek ik kouwelijk de enige deken die ik kan vinden, een kriebelig jeukding maar so what, ’n paar niesbuien geven misschien afleiding.
Gebeurde er maar wat.
Half hopend kijk ik uit naar iemand, kan niet schelen wie. Hij zal druipnat zijn hetgeen precies bij mijn stemming past. Niet dat ik op hem reken, ik denk dat ik ijl door kou en gekriebel.
En dan, als ik van vervelendigheid bijna in coma raak, gaat de bel.
Halleluja, de druppelende man. Ik sleep me naar de deur en zie een beauty van een vrouw,  knetterend van droogte onder een privézon, in een krans van azuur  terwijl de regen om haar heen stoomt. Ze  lacht en zegt: ‘Dag, ik ben verkoper.’  Perplex staar ik haar aan. ‘Dit klopt niet,’ begin ik, ‘U moet een man zijn, kleddernat en wat verkoopt U eigenlijk?’
‘Wat denkt U meneer? Zon natuurlijk. Bij afname van driehonderdduizend kwh krijgt U drie uur per dag extra voor de helft van de prijs. Dooft meteen alle regenbuien.’
Dat klopt, de druppels verdampen zodra ze haar raken.
Ik aarzel. ‘En waarom bent U geen man? Zo heb ik het toch bedacht?’
‘Ah, een delicate kwestie maar ik zal eerlijk zijn. Teveel zon is schadelijk,’ ik knik, ‘er kan een kleine mutatie optreden. Maakt U zich geen zorgen, een hangertje meer of minder deert de mensheid niet. Voor U het weet zit U aan de verkeerde kant en geniet evenveel als vóór die tijd.’
Ongelovig kijk ik haar aan. ‘Meent U dat nou?’
‘Zeker. Wilt U…’
Nee, ik wil niks en gooi de deur dicht. Meteen klettert de regen weer. Weg koortsdromen van kletsnatte verkopers die me gezellige dingen aansmeren en de vervelende middag doorbreken.
Narrig kruip ik weer onder de jeukdeken en drink de laatste thee op.
Ik denk aan het zonne-aanbod en aan mijn weggelopen vrouw.
Stel dat ze terugkomt, gelokt door mijn extra- zon, wat zou ik moeten zeggen?
Een overdosis aanbieden?