planeet·ruimte

De aart(d)spessimist

Is het zoeken naar leven in de ruimte wel wenselijk?
Stel dat er een planeet gevonden wordt (bijna ondenkbaar maar je weet het nooit)  dan heb ik op voorhand medelijden met de nieuwelingen.
Zolang de mensen zelf nog van alles moeten uitvechten zullen ze alleen maar narigheden brengen.

Ze beginnen met een gemengde delegatie, kleurrijk, van alle gezindten, gewoonten enzovoorts, prediken eenheid terwijl de leden stuk voor stuk een dubbele agenda hebben. Naar aardse gewoonte.
Die groep gaat op expeditie in het nieuwe land om te kijken welk gedeelte het meest winstgevend is. Alle leden dragen vooral de eigen bedoelingen uit,  te weten die van hun president.
Grootheidswaan en wantrouwen reizen mee evenals hebzucht en jaloers racisme en dan de relifreaks nog.
Er ontstaat bedekte onenigheid, daarna bekvechten ze openlijk en tenslotte stationeren diverse aardse landen een defensie-eenheid op de nieuwe planeet en noemen het consulaten, dat maken ze de nieuwelingen wijs.
Het kan niet uitblijven: de ontvangers raken besmet met de menselijk geest en weigeren handel te drijven met de overheersers, ze belazeren elkaar over en weer.
Zo slepen de verhoudingen zich voort.
Met wat goede wil moorden ze elkaar uit en ontploft de planeet.

Gezien deze mogelijkheid is het te hopen dat het, bij eventuele ontdekking, een planeet betreft met een hoog virusgehalte of andere kwaadaardige eigenschappen.  Die waarschuwingssatellieten uitstuurt met teksten als: ‘blijf weg als je leven je lief is’  ‘opzouten’  ‘wij eten mensen’  ‘we hebben geen IC’s’.
==
Vraag: hoe zou een optimist dit zien?
==

gezin

Nog even over zussen en broers

Nog even over broers en zussen.
Grote gezinnen werden bewierookt door kerken, grote bedrijven en een paar politieke partijen maar in werkelijkheid was het niet altijd zo geweldig.
Afgezien van de feestdagen schuurden de onderlinge verhoudingen wel eens, dat duurde dan even voor de sfeer opklaarde. Begrijpelijk, al die verschillende persoonlijkheden in een (vaak) te kleine woning.
Desondanks hadden we het niet slecht, ik als jongste meisje zeker niet. Geen honger, redelijke rust, verse groenten en fruit, zwembaden dichtbij.
Toch droomde ik van een leven als enig kind, hoogstens met een of twee volwassen broers/zussen.
Het was prettig om over te fantaseren maar vooral de realiteit scheen me hemels toe.
Eigen bed in eigen kamer, eigen boeken en pennen, splinternieuwe fiets, extra-dik chocopasta op brood, zondags een groot ijsje ipv dat dubbeltjesgedoe, meer pa-en-moe, geen pesterig broertje.
Deze wens hield ik zorgvuldig geheim, ik durfde niet ondankbaar en egoïstisch te lijken.
Bovendien kon de zaak niet worden teruggedraaid, dat snapte zelfs een kind
Later begreep ik dat menig ouder hiervoor zou tekenen. Als het begrip gezinsregulatie  bespreekbaar was geweest. Geboortebeperking? Het woord alleen al -mocht iemand dat kennen-  deugde niet.

Maar ik had er al van genoten.
In een eigen sprookje, helemaal van mij alleen.
==