Parasol en vlaag

Vanmiddag kwam er een parasol aangewaaid.
Terwijl ik het eten kookte zag ik hem vanuit een ooghoek langs het raam vliegen en landen.
Een met kleurige banen die zielig op zijn zij lag tussen doornappels en stokrozen. Hij kwam me bekend voor.
De aardappelen latend voor wat ze waren ging ik het bezoek verwelkomen, je krijgt niet vaak een parasol op visite.
‘Lig je lekker?’ vroeg ik
‘Niet echt,’ steunde hij, ‘ik heb geen voet om op te staan.’
‘Zal ik je rechtop zetten?’
‘Graag, ik word doodmoe.’
Hij paste precies in het gat van de oude tuintafel. ‘Zo goed?’ Hij knikte en deed verslag:
‘Ik stond lekker in de zon toen een vlaag me meenam voor een trip, bijna tot aan het dak!’
‘Goh,’ antwoordde ik, geïmponeerd, een mooi verhaal verwachtend, ‘dat was zeker wel spannend?’
‘Nogal, ja, maar toen hij hogerop ging liet hij me vallen.’ Verongelijkt wiebelde hij heen en weer.
‘O jee, je weet toch dat vlagen met alle winden meewaaien?’ berispte ik hem ‘En nu?’
‘Ik wil terug maar je zult me moeten brengen. Ik woon bij de buren. Wil je me over de schutting zetten?’
Ah, vandaar dat ik hem kende.
Voorzichtig klapte ik hem dicht en zette hem zachtjes in de buurtuin naast de rozenstruik; zijn ene been een stukje de grond induwend.
‘Alsjeblieft, nu kan er niets meer gebeuren,’ troostte ik hem. ‘Geen vlaag die je nog te pakken kan krijgen.’
Hij gaf geen antwoord.
Eigenlijk zijn parasols maar slome dingen
===

Hoog water

Half glijdend zakt ze van het talud.
De stijgende rivier deert haar niet, de kleine golfjes over haar voeten merkt ze nauwelijks.
’n Beetje water is zo erg niet.
Natuurlijk, ze zou ook thuis kunnen zitten, droog en met warme voeten.
Samen op de bank.
Hij, verhalend van zijn baan. De heldendaden -ik zei tegen de chef..-  zijn populariteit – Karel vroeg mijn mening…- .
Zij, luisterend naar het doorlopende gezwets dat ze niet wilde horen. Niet meer.
Halverwege een zin was ze hem in de rede gevallen. ‘Ga je mee naar de kade?’
Geïrriteerd over haar inbreuk had hij haar aangekeken, zijn mond nog gevormd naar de laatste letter. ‘Wat moeten we daar doen?’
‘Niks. Zomaar. Het water zal wild zijn, mooi.’
Stilte. Dan ‘maar het stijgt hard. En het is gevaarlijk in het donker.’
‘En?’
Ongeïnteresseerd haalde hij zijn schouders op. ‘Blijf maar thuis, ik houd er niet zo van.’
‘Ik wel.’
Zonder een antwoord af te wachten was ze gegaan.
Ze overdenkt haar ondoordachte aftocht en zucht. Waarom gaat ze niet bij hem weg? Simpel, gewoon opstappen?
Haar benen worden koud; toch maar teruggaan naar de warmte?
En naar zijn kleinzielige grootspraak?  Nee…
Een golf overspoelt haar enkels, jee zeg, zo hoog al.
Ze kijkt op en schrikt, de rivier wast snel. ze draait zich om en plast met opgetrokken knieën het talud op, pfff, een zware gang, vlug naar dat paaltje. Reikend met haar arm probeert ze het te pakken, mist, doet nogmaals een pogingen en haalt het.
Moeizaam trekt ze haar benen op en gaat rechtop staan in het natte gras.
Naar huis.
Naar huis?
Waar het warm en knus is en vergeven van zijn verwijtende superioriteit? ‘Ik zei het toch?’
Turend in het donker kijkt ze naar de zwellende rivier.
Wikt.
En laat zich voorover vallen.

© Bertie