Psychologie van de kouwe grond

Het valt niet mee iemand te beoordelen. Eigenschappen en gedrag overlappen elkaar,  hangen met elkaar samen, dat is moeilijk, bijna niet te doen. Althans, niet voor een leek, psychologie is niet voor niets een universitaire studie al schijn je op HBO-niveau ook terecht te kunnen.
In het dagelijks leven is een dosis gezond verstand meestal voldoende en met wat empathie en  achtergrondkennis kom je een heel eind bij problemen.
Is er met iemand iets bijzonders aan de hand wordt het anders. Dan laten de  ‘kenners’ zich graag horen,  zij snappen alles van oorzaak en gevolg en leggen het graag uit.
Enkele voorbeelden: werkende moeders zijn zelf de oorzaak van scheefgroeiende kinderen. Of: kantoorpikkies zijn luie lapzwansen, anders hadden ze wel een vak geleerd.
Kenners zijn ook heel stellig in hun beweringen.‘Vertel mij wat,’ wordt er vaak achteraan gezegd.
Volgend voorbeeld is niet verzonnen. Een van hen zat bij ons aan de koffie.
We kletsten wat, over de zorgen van kennissen om hun zoon die de weg kwijt was, jointjes, bier, slechte pad. ‘Logisch,’  volgens de kenner, ‘de jongen is door en door verwend.’  Tja.
In hetzelfde gesprek kwam het kind van een ander ouderpaar ter sprake met vergelijkbaar gedrag.‘Logisch,’ aldus de betweter, ‘het kind  werd veel te kort gehouden, ze mocht niks.’
Dan sta je paf.
Niet eens doorhebben dat hij zichzelf tegensprak, niet kunnen uitleggen waarom beide oorzaken hetzelfde gedrag veroorzaakten, alleen maar die zelfverzekerde logica.
Het vragen om uitleg heb ik afgeleerd.
==

Geloof in jezelf

Deze foto is van ongeveer 10-15 jaar terug.
Later viel me pas op dat de tafel met afdekplastic ongunstig  afstak bij de rest.
De grindtegels  en het dak vond ik veel treuriger.
Wat vond man ervan?  ‘Beetje onscherp, niet? Ik had de tafel eerst opzij gezet.’
En zus? ‘Wat lelijk Bertie, het verpest de foto’.
Zwager, zelf amateurfotograaf: ‘Och, het wordt nog wat…’
Daarna zocht ik  een passende uitleg voor mezelf.
‘Alles groeit  mooi en volgend jaar zie je het dak ook niet meer. Juist door het plastic valt de rest beter op.’ Het ondersteunt als het ware het groen en ik geloofde het ook nog.
Dat was afdoende, het plaatje kwam in een album.
Daar heb ik het nu uitgeknipt en weggegooid.
==

Wereldbol

Door het ophalen van herinneringen kwam ik vanzelf  op  die van een voormalige huisvriend.
‘Als kleine jongen vroeg ik in de winkel naar een wereldbol van Nederland’.
 Hoe kwam je  daar nou bij, lachten we.
‘Van aardrijkskunde snapte ik niet veel maar de globe vond ik iets bijzonders. Ik kon niet zo goed leren en dacht dat je zoiets ook had van ons eigen land. Dus ging  ik met een paar kwartjes zakgeld naar de boekhandel…’

Een ontwapenende uitleg waardoor zijn verhaal in waarde steeg, je hoorde iemand niet gauw zeggen dat hij/zij niet goed kon leren, het kwam niet ter sprake behalve in gezinnen waar de kinderen naar middelbare scholen gingen.
De vriend was trucker en wereldwijs.
Hij zat er niet mee dat hij een paar jaar ambachtsschool (LTS) had, hij wilde de vrachtwagen op. En dat lukte hem achter elkaar.
Hij kon smakelijk vertellen van de omringende landen, douanes,  inklaringspformulieren,  hoe hij voor het eerst op de périphérique van Parijs terecht kwam en geen woord Frans kon lezen.
De wereldbol van Nederland houdt hem levend.
==

Duidelijke taal

Vaktermen. Een van de broers gebruikte ze  vaak, dat vond hij handig omdat 1 woord een hele zin kon vervangen.
In de uitleg over zijn technische hobbies kwam nauwelijks iets begrijpelijks voor.
Dan had hij het over de cardan-as, het blok, kuip, booster, onderbouw, locdecoder waarbij je zelf maar moest uitvinden welke van zijn liefhebberijen hij bedoelde.
Dat waren dan nog vaktermen, het was hem vergeven.
Iemand anders in het groepje mocht zich graag ontwikkeld voordoen, dat wij er lacherig over deden kon hem niets schelen. In een gesprek riep hij eens, bloedserieus:
Het legitieme bewijs dat de Europese vorstenhuizen rechtens hun koninklijk titels voeren is dubieus.
Aha, en waarom dan?
Geduldig legde hij het uit  Omdat ze met jan en alleman het nest in doken, ze wisten amper welk kind van welke vader was.
We snapten het.
Ook hem vergaven we.
==

 

Geluk is… ?


Het geluk is met de dommen, goddelozen, smeerlappen. Ieder heeft zijn eigen voorkeur. Bij het kaarten hoor je ook ‘beginnersgeluk’ roepen. En er is het ‘zondagskind’.
Je neemt dit niet serieus, het zijn loze kreten, soms gebezigd om maar wat te zeggen of om lollig te doen dan wel als plagerij.
Ik kom hier op door iemand die haar nood klaagde.
Leeftijd, aftakeling, gebreken bij de vleet. ‘Je wordt er ook zo lelijk van,’ zei ze.
We zwegen even.
‘ Maar jij,’ ging ze verder, ‘hebt mazzel. Je was altijd al een zondagskind.’
Ik stond paf. ‘Geloof je in zoiets??’
‘Dat was je toch?’
Inderdaad ben ik op een zondag geboren, het is me uitentreuren onder de neus gewreven.
Wat me verbaasde is dat zij werkelijk dacht dat ik gespaard bleef voor de jaren.
Ik vertelde dat ook ik met al die narigheden zou worden opgescheept. Dat ik allang oorklachten had en stijf werd als een deur en sinds de armbreuk een half wrak was en nog veel meer, ik ben simpelweg een paar jaar jonger.
‘Het zondagskind-idee is bijgeloof,’ legde ik uit.
Het hielp niet.
‘Je kunt lullen wat je wilt, je bent veel beter af dan wij.’
En weer wist ik niet wat te zeggen.
Niet één uitleg zou voldoen.
=

Slecht horen – slecht praten.

Er werden nieuwe meters geïnstalleerd, voor gas en stroom.
De monteur kon elk moment komen, daarom hield ik alvast de gehoorapparaatjes bij de hand. Vaak zijn ze niet nodig maar met onbekenden is het afwachten hoe ze spreken.
Mummelaars zijn echt lastig, je hoort ze wel maar verstaat er geen barst van, daar heb je geen doofheid voor nodig.
Ook een andersoortig dialect kan moeilijk zijn, vooral als er op mitrailleursnelheid gerateld wordt.
Enfin.
De monteur belde aan, ik liet hem binnen en wachtte met spanning op zijn woorden.
‘Goedemorgen,’ riep ik jolig, luid en duidelijk. Als voorbeeld.
Het hielp niet.
‘gmgn’ murmelde hij, schudde mijn hand en wees naar de meterkast. Inwendig huilde ik.
‘Sorry meneer, even mijn oren aanzetten.’
Hij knikte en begon met zijn werk.
Ik stond er sukkelig bij, weet nooit goed wat ik moet doen bij een kluswerker.
Een gezellig praatje kan in dat geval de oplossing zijn, helaas ging het deze keer te moeizaam.
Ik zei dat ik hem niet goed verstond.
Dat werd begrepen. Hij murmelde luider.
Door wanhoop gedreven vroeg ik om uitleg over de nieuwe meters, daar trapt iedere vakman in en ook hij gaf een gedetailleerd verslag. Ik stond erbij, knikte lukraak en zette een pienter gezicht op. Hoopte ik.
Zo kwamen we de tijd door. Murmelend en ‘jaja’ zeggend. Hier en daar verkeerd, aan zijn blikken te zien.
Na afloop bood ik koffie aan.
Die sloeg hij af.
Voelde zich waarschijnlijk net zo belazerd als ik.