Duidelijke taal

Vaktermen. Een van de broers gebruikte ze  vaak, dat vond hij handig omdat 1 woord een hele zin kon vervangen.
In de uitleg over zijn technische hobbies kwam nauwelijks iets begrijpelijks voor.
Dan had hij het over de cardan-as, het blok, kuip, booster, onderbouw, locdecoder waarbij je zelf maar moest uitvinden welke van zijn liefhebberijen hij bedoelde.
Dat waren dan nog vaktermen, het was hem vergeven.
Iemand anders in het groepje mocht zich graag ontwikkeld voordoen, dat wij er lacherig over deden kon hem niets schelen. In een gesprek riep hij eens, bloedserieus:
Het legitieme bewijs dat de Europese vorstenhuizen rechtens hun koninklijk titels voeren is dubieus.
Aha, en waarom dan?
Geduldig legde hij het uit  Omdat ze met jan en alleman het nest in doken, ze wisten amper welk kind van welke vader was.
We snapten het.
Ook hem vergaven we.
==

 

Geluk is… ?


Het geluk is met de dommen, goddelozen, smeerlappen. Ieder heeft zijn eigen voorkeur. Bij het kaarten hoor je ook ‘beginnersgeluk’ roepen. En er is het ‘zondagskind’.
Je neemt dit niet serieus, het zijn loze kreten, soms gebezigd om maar wat te zeggen of om lollig te doen dan wel als plagerij.
Ik kom hier op door iemand die haar nood klaagde.
Leeftijd, aftakeling, gebreken bij de vleet. ‘Je wordt er ook zo lelijk van,’ zei ze.
We zwegen even.
‘ Maar jij,’ ging ze verder, ‘hebt mazzel. Je was altijd al een zondagskind.’
Ik stond paf. ‘Geloof je in zoiets??’
‘Dat was je toch?’
Inderdaad ben ik op een zondag geboren, het is me uitentreuren onder de neus gewreven.
Wat me verbaasde is dat zij werkelijk dacht dat ik gespaard bleef voor de jaren.
Ik vertelde dat ook ik met al die narigheden zou worden opgescheept. Dat ik allang oorklachten had en stijf werd als een deur en sinds de armbreuk een half wrak was en nog veel meer, ik ben simpelweg een paar jaar jonger.
‘Het zondagskind-idee is bijgeloof,’ legde ik uit.
Het hielp niet.
‘Je kunt lullen wat je wilt, je bent veel beter af dan wij.’
En weer wist ik niet wat te zeggen.
Niet één uitleg zou voldoen.
=

Slecht horen – slecht praten.

Er werden nieuwe meters geïnstalleerd, voor gas en stroom.
De monteur kon elk moment komen, daarom hield ik alvast de gehoorapparaatjes bij de hand. Vaak zijn ze niet nodig maar met onbekenden is het afwachten hoe ze spreken.
Mummelaars zijn echt lastig, je hoort ze wel maar verstaat er geen barst van, daar heb je geen doofheid voor nodig.
Ook een andersoortig dialect kan moeilijk zijn, vooral als er op mitrailleursnelheid gerateld wordt.
Enfin.
De monteur belde aan, ik liet hem binnen en wachtte met spanning op zijn woorden.
‘Goedemorgen,’ riep ik jolig, luid en duidelijk. Als voorbeeld.
Het hielp niet.
‘gmgn’ murmelde hij, schudde mijn hand en wees naar de meterkast. Inwendig huilde ik.
‘Sorry meneer, even mijn oren aanzetten.’
Hij knikte en begon met zijn werk.
Ik stond er sukkelig bij, weet nooit goed wat ik moet doen bij een kluswerker.
Een gezellig praatje kan in dat geval de oplossing zijn, helaas ging het deze keer te moeizaam.
Ik zei dat ik hem niet goed verstond.
Dat werd begrepen. Hij murmelde luider.
Door wanhoop gedreven vroeg ik om uitleg over de nieuwe meters, daar trapt iedere vakman in en ook hij gaf een gedetailleerd verslag. Ik stond erbij, knikte lukraak en zette een pienter gezicht op. Hoopte ik.
Zo kwamen we de tijd door. Murmelend en ‘jaja’ zeggend. Hier en daar verkeerd, aan zijn blikken te zien.
Na afloop bood ik koffie aan.
Die sloeg hij af.
Voelde zich waarschijnlijk net zo belazerd als ik.