Hemd

Jongens, wat is die noordoooster  koud, je kunt merken dat we geen winters meer gewend zijn.
Éventjes naar buiten en je trekt je shirt strak en steekt je armen er diep in.
Toch maar eens zoeken naar andere kleding.
Er is een kastplank vol wintergoed wat ik nooit meer draag, waarschijnlijk hebben veel mensen dat. Ik bekeek de voorraad.
Truien. Noorse, schippers-, zelfgebreide, met col, vesten, teveel en te kriebelig.
Er lag nog een stapeltje van wijlen echtgenoot en daar zat, helemaal vergeten, een hemd tussen. Zo’n braaf lichtblauw HEMA-hemd dat hij graag droeg.
Ik pakte het en keek ernaar.
Ach gut, gaan hemelen zonder je geliefde hemd, dacht ik en kreeg het te kwaad. Na zes jaar nog.
Ik heb het aangetrokken onder mijn shirt en weet je wat?
Heerlijk warm, voelt veel beter dan die oude dikke breisels.
Of het is de (hernieuwde) liefde.
==

Nooit goed

Noem me ondankaar, een zeurpiet, een zeikwijf, maar ik word dat weer zo moe.
Zo droog, zo vaag. Zo saai.
Ineens heb ik er genoeg van.
In de zon mag het mooi en zomers lijken, het is zo véél van hetzelfde.
Daar word ik net zo ongedurig van als van lange regenweken.
Af en toe een onderbreking zou me blij maken.
Niet te lang natuurlijk, een paar dagen regen, storm, onweer met vurige flitsen die knallend donderen, rommelend in de verte.

Vanmorgen zag ik ijs op het platdak en werd bijna lyrisch. Hoera, een winterweekend, bibberend naar truien zoeken (hoe zien die er ook weer uit?), straks erwten kopen en een bovenpoot.  Handenwrijvend dook ik onder de douche en verbeeldde me dat ik al kippevel had. De thermostaat omhoog, halleluja.
Helaas, het stelde niets voor.
Eer dat de radiators warm waren was het ijs al gesmolten.

Lusteloos pook ik in de droge tuin,  klimops en druivenstruiken zijn bijna kaal, uitgedroogd.
Het leeft niet meer, de grond ziet er doods uit.
Zelfs het onkruid wil niet meer groeien.
Laat ik dat dan maar als een voordeel zien en hopen dat ik morgen uitgemopperd ben.
=