Pijnlijk oud zeer

Van de week dacht ik terug aan een lelijke gebeurtenis van ongeveer tien jaar geleden. Wat me triggerde weet ik niet.

Een man zat in zijn eentje aan een tafel op het terras waar we neerstreken. Hier en daar waren nog wat tafeltjes bezet.
Na een poosje stapten een paar andere bezoekers op. Afrikanen of misschien West-Indiërs.
De man-in-zijn-eentje riep ze na. Luid.
‘ Alsof je een steen oplicht, dan komt dat ongedierte te voorschijn.’
Iedereen schrok, zat versteend, wist niet wat te zeggen. De vertrekkenden reageerden niet, misschien gewend aan racisme?
Toen stond ik op, ook andere mensen wilden afrekenen. Men leek schuw en zich te schamen.
Echtgenoot gooide wat geld op tafel en we gingen.
De man bleef zitten. Keihard, onverschillig.

Wat bezielt zo iemand?
Zijn gedachtegang was – en is – niet nieuw, waarschijnlijk kennen we allemaal mensen die aan xenofobie lijden. Er zelfs groots op gaan.
Maar zo expliciet de kwaadaardigheid te kennen geven, dat maakte je -normaal gesproken- niet mee op zomerse terrasjes in het vriendelijke Brabant.
Waar ik ook met verbazing aan terug denk is aan het gebrek aan reacties. Allemaal, ook wij, wilden wegwezen.
Waarom zeiden we niets?
We hadden die vent moeten neerslaan ongeacht de gevolgen.
Laf waren we.
Dat stoort me bijna net zo veel als de woorden van die idioot.
Nog steeds.
=

Advertenties

Over de kopfoto

Het was bloedheet, zelfs op de dijk waar we fietsten.
We zochten een weggetje naar de Maas, een zandpad, karrenspoor, desnoods een voetbreedte plat gras. Niets te vinden.
Plots zagen we deze geiten.
We keken elkaar aan: wie het eerste is?
De fietsen gooiden we neer en we renden naar het bad. Man won maar kwam het water niet in.
De dieren hieven verstoord hun kop met een duidelijk NEE. Jammer.
Met afgunst zag ik het spul aan, zij lekker kledderend en spattend en wij zweterig aan de kant. Als we ook maar één cm opschoven dreigden hun blikken ons te doden.
‘Kom op,’ zei ik, ‘laat ze verrekken met hun dwarse ogen. We hebben thuis beter water.’
Man gaf het niet op. ‘Als je ons erin laat pluk ik een bos gras als betaling.’ Hij was dan ook zo goed als uitgedroogd.
In een aangrenzend weitje begon er een te mekkeren van pret, ik zweer het je, hij lachte ons uit. Dom geitenvolk.
Toen zochten we een terras en dronken wat fris maar dat was niet hetzelfde.
-=

Dat was de zaterdag en halve zondag

De fancy fair bleek een interne aangelegenheid maar daarom niet minder aardig. En lachwekkend goedkoop.
Met de handen vol boeken en nog wat rommeltjes stopte ik met neuzen en kocht er een tas bij, één euro voor een stevige tas is een prima koop.
De beste terrassen waar we naderhand aan toe waren zaten propvol, we trokken naar de volgende plaats en kwamen terecht bij het terras van de toekan. (Niet dat van het plaatje)
Jongens wat was het heerlijk.
Ruim van plek, zalige zomerwarmte,groot zonnescherm en af en toe een briesje dat bijna zwoel aanvoelde (we dronken echt alleen limonade).
Dan wil je niet naar huis en dat deden we ook niet.
Nog wat drinken, beetje eten. Beetje veel, eerlijk gezged.De laatste happen gingen in slow motion.
Koffie, nog even door de dorpen rijden en toen ik thuis was en de aankopen bekeek viel ik boven de nieuwe oude boeken in slaap en werd wakker bij de winst van Nederland op Duitsland. Een verrassend ontwaken.
Toen ben ik naar bed gegaan waar ik verder sliep. Wat wil je ook, rozig van de zon en een buik vol.
Onverwachtse bijkomstigheid: de gezichten waren bijgekleurd. Niet veel,  net zichtbaar.
In oktober…
Zo’n reservezomertje, ik mag dat wel.
==

Herfststorm in drie hoofdstukken. Slot.

Toen grepen we in.
Een ramp overleven en met een aftandse haas afgescheept worden? Nee…
We keken  elkaar aan en begrepen.
Brachten het waterkanon in stelling en schoten Willem met al zijn dieren de fietsenstalling uit, de donkerte in, Sjaak en de leeuw joegen we er achteraan. Haas en kalkoen stopten we in een zak, daar zou de kookschool wel weg mee weten.
De scholieren namen de buit in hun armen, vertroetelden en voerden wortels en maïs. ‘Eerst bijvoeren,’ zeiden ze, ‘dan zijn ze met kerstmis eetbaar.’ Daar hadden beide dieren vrede mee.
Dankbaar waren de leerlingen ook, ze hadden niet veel op met loslopend vee en schreeuwende broers, ze bakten als dank verse aardappelen met champignons,  maakten verantwoorde mayonaise  met tijm en peterselie, ze plukten zelfs tomaten en sla, en dat midden in de nacht.
Gretig doken we op de maaltijd, hongerig als we waren door de stormachtige gebeurtenissen.
Na de koffie bekeken we ons huis waar de ravage ons zo afstootte dat we meteen om een voordelige woning mailden die onmiddellijk werd geleverd.
We zetten hem op een mooie plek.
In de opkomende zon en een schoongewaaide lucht rustten we uit op ons spiksplinternieuwe terras met uitzicht op de populinde waarvan de takken al aardig uitliepen.
We waren moe. Een nacht als deze, besloten we, willen we nooit meer meemaken.
En sliepen in.