kwijtraken

Kwijtraken

Een paar weken geleden verwachtte ik een telefoontje.
Het kwam toen ik de badkamer was, daarna legde ik het toestel neer en vergat het.
Eergisteren gebeurde hetzelfde, deze keer op het toilet. Ook daar  legde ik het toestel naast me.
Een uurtje later kwam er iemand op de koffie. Na toiletgebruik  legde ze de telefoon voor me neer waarbij ze me bevreemd aankeek. ‘Op de grond,’ zei ze.
‘Aha, lag hij dáár,’ zei ik, ‘ik sprak net even met M.’
Nu bekeek ze me nog raarder. ‘Doe je dat op de wc??’
Ik keek verbaasd terug.
‘Hij belde net op dat tijdstip, kan toch?’  En legde het uit.
Ze zuchtte van opluchting, ik was nog niet aan het verkindsen.

De telefoons slingeren regelmatig ergens rond evenals het tabletje.
Net als voorheen de leesbril, dat loste ik op door op alle tafels in in alle vertrekken een bril neer te leggen.
Maar een stapel telefoontjes kopen gaat me te ver.
Ik wacht wel op visite.
==

zaterdagavond

Zaterdagavond

Het cryptogram.
Weekpuzzel
Sudoku.
Geen van de drie echt moeilijk maar nu schiet het niet op.
Enigmagram van jaspers , hetzelfde probleem.
Verwacht telefoontje blijft uit.
Babybezoek kan niet doorgaan
Een blik op voetbal dan maar? Op 64 minuten nog 0-0.
Het moet in de lucht zitten. Is het mooie stille weer in de mensen gekropen? Of alleen in mij en Oranje? Ik zag een speler een klodder kwatten, ze glibberen rustig door.
Nog maar eens de cryp bekijken, wat is in hemelsnaam een spatie van 12 letters?
Pffff, het zaterdagavondleven valt niet mee soms.
Plots klinkt een  bekend geluid.
‘Hi, beetje laat, maar…’

De avond herstelt zich.
====

verhaal

‘ze’

Er was een dringend telefoontje.
V. ligt op IC, maag leeggepompt na suïcidepoging, nu buiten levensgevaar. Misschien kun je hem opbeuren?

Verdrietig staarde ze naar het hoopje ellende tegenover haar.
Het hoopje staarde terug. Hij zag haar niet, hij bevond zich in een andere wereld.
Welke dat was wist ze niet, ze had geen idee van zijn werkelijkheid.
Hun werelden liepen parallel zonder enig vindbaar raakpunt.
Wat ze wel kon zien was dat hij ongelukkig was. Bang en hypergespannen. Theatrale films over split personalities had ze niet nodig om te zien dat de werkelijkheid veel complexer was;  geen sprake van figuren die elkaar afwisselend manifesteerden. Eerder leek het een eigenaardige maar zeer reëel aanvoelende angst voor vage duistere machten die hij hoogstens kon omschrijven als ‘ze’;  àls hij al iets zei want kenmerkend voor zijn stoornis scheen zijn zwijgzaamheid. Voelde hij zich bedreigd bij loslippigheid? Ze kon er slechts naar gissen.
Op hem in pratend probeerde ze antwoorden te krijgen, haalde herinneringen op: weet je nog dat we graag zwommen? Als eerste de Maas over? Die grote motor? Dat liedje…. ze viel stil.
Hij keek haar aan met lege ogen. Hij was er niet.
Op haar vraag naar het waarom werd hij –eventjes- spraakzaam.
‘Ik wou niet dood, ik wou ze vóór zijn.’ Getroffen door zijn angst die onbenoembaar groot moest zijn pakte ze zijn hand. Schielijk trok hij hem terug.
‘Wie zijn die ‘ze’?
Hij haalde zijn schouders op en zei niets meer.
En bleef zwijgen tot hij bij een volgende poging de dood vond die hij niet wilde maar als enige veilige plek zag.

Waar gebeurde het, vroeg ze zich af.
Wanneer ging het fout?
Was hij als kind al zo, hadden ze het gemist?
En tenslotte
hoe ontzettend bang moet iemand zijn dat hij een nietgewilde dood in vlucht?
De dood als toevluchtsoord?
=