Herfststukje.

– Aranja, zou je niet eens aan een web beginnen?  Het is al herfst.
Jahaaa…
– Vooruit meisje, beetje opgewekter mag wel.
Ach wat, gedoe…
Verveeld hing Aranje aan een zonnige tak, dat gezeur altijd over die webben. Als het nou leuke dingen waren, shirtjes of zo.
 – En wat hang jij daar te niksen, bulderde vader plotseling.
Geschrokken zwiepte ze heen en weer
Ja pa, nee pa, ik eh, ik denk na…
   – O ja? Nergens voor nodig, vooruit, aan de weef.
Dit was teveel. Ze vertrok.
Meteen.
Ze zocht een lege struik, ver van huis.
En weefde naar eigen wil.
spinspider-213558__340Ze oefende op dunne takjes, op grotere takken.
Daarna maakte ze een lap, toen nog een, fantaseerde dessins en patroontjes.
Tegen bedtijd had ze een plooirok klaar, een short en één sok.
Trots bekeek ze zich in de spiegel.
Het was nog niet perfect maar het begin was veelbelovend.
Ze ijverde en werkte en groeide in haar pioniersrol.
  –  En zo brak een nieuw tijdperk voor spinnen aan.
Met een volwaardige spinnenwebkledingindustrie gevolgd door een bijpassende sieradenlijn, schoeisel. De hele mikmak.
Voor het oog van de wereld blijven bejaarde spinnen gewone herfstwebben weven, de werkelijkheid houden ze zorgvuldig geheim. Het idee dat er een mens-met-ideeën zou komen is té erg, de zijderupsbranche was een vreselijk voorbeeld.
Daarom zien wij nooit, absoluut nooit een aangeklede spin.
==

Mammoet 1

Moederziel alleen bevond hij zich op de Siberische steppe  waar hij lusteloos ronddwaalde.
Hij miste soortgenoten.
Hij miste een vrouwtje en bovenal miste hij voedsel.
Het was niet veel wat hij vond. Bossen rukten op en ontnamen hem het grootste deel van zijn maaltijden.
Een enkele keer zag hij vreemde wezens die op  achterpoten liepen.
Ze maakte weinig indruk, voor hem was het klein grut.
Hij voelde zich slap.
Een laatste bundel gras, een restje korstmos. Langzamerhand verloor hij zijn levenslust.
Nog éénmaal werd zijn aandacht afgeleid door beweging, hij keek en ontwaarde een van de wezens die takken naar hem gooide.
Hij was te zeer verzwakt om kwaad te worden, hief enkel zijn kop en brulde waardoor het wezen zich uit de voeten maakte.
Daarna gaf hij het op, bleef staan en sloot de ogen.
Hij voelde zich wegzakken in de bodem. Traag, trager.
En sliep in.
=

Een ijselijke gebeurtenis. Lang geleden.

De sfeer op die dag deugde niet.
Vanaf het ontbijt voelden we het. Iets unheimisch’.
We wisten niet waaraan het lag en liepen het hele huis na, voor- en achtertuintje. Van vliering tot kelder.
We vonden niets wat we verdachten van onheil. Hoogstens was er een vervelende buurman en aan hem waren we gewend.
In de loop van de dag veranderde de lucht. Groenigheid schemerde door de wolken, het blauw leek te vergelen. Bladeren ritselden alle kanten op, we zagen trillende takken. Bangelijke bloemen sloten zich, de waterlelies doken onder.
Bevreemd zagen we het aan. De zon scheen toch nog?
Wat maakte ze zo benauwd?
Langzaam verdween de dag.
Te vroeg. Er klopte iets niet.
Dan kwamen er schaduwen opzetten, zomaar, vanuit het niets.
Tot we naar buiten keken en een paar wezens zagen, zo eigenaardig van silhouet dat we ze niet herkenden als iets van deze wereld. Ze keken naar elkaar, als ze tenminste een gezicht hadden.
‘De camera,’ haastte echtgenoot zich, ‘vlug, straks zal niemand zal ons geloven…’
Hij vond hem.
Maar toen hij de lens op de onbekende figuren richtte schrok het toestel vreselijk en sloeg op tilt, het was duidelijk dat zijn plaat té gevoelig was.
De schaduwen bewogen, even maar. Dan losten ze op in de schemer.

Niettemin ontwikkelde zich een foto.
Slecht van kwaliteit maar de wanstaltigheden zijn duidelijk te zien.
Opgelucht dat de normaliteit terugkeerde bekeken we de opname.
Kijk en huiver.
Het beeld spreekt voor zich, en toch zag niemand dat we de waarheid spraken.